Dinsdag 13 januari 2026, commissie Binnenlandse Zaken (BIZA)




Agenda

1.Vaststellen agenda

2.36850 B

Wijziging begrotingsstaat Gemeentefonds 2025 (Najaarsnota)

Beslispunt

Wenst de commissie:

  • een verslag uit te brengen op een nader te bepalen datum;
  • te volstaan met een blanco verslag (geen vragen of opmerkingen, afdoen als hamerstuk of na stemming);
  • te volstaan met een verslag onder voorbehoud van plenaire behandeling (geen schriftelijke behandeling, wel een mondelinge behandeling plenair)?

Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen

Conform de Kamernotitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen:

  • geen internetconsultatie
  • geen uitvoeringstoetsen

Daarbij zij aangetekend dat consultaties en toetsen bij suppletoire begrotingen ook ongebruikelijk zijn.


Procedure

3.36800 B, A

Brief van de minister van BZK over de nahang van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met wijzigingen van de maatstaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds; Begrotingsstaat gemeentefonds 2026

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor schriftelijk overleg met de minister van BZK?

Toelichting

Op verzoek van het lid Van Hattem (PVV) wordt hierbij het Besluit tot wijziging van het Besluit financiële verhouding 2001 in verband met wijzigingen van de maatstaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds (Stb. 2025, 244) geagendeerd. Dit Besluit is op grond van artikel 8, vierde lid Financiële-verhoudingswet op 29 september 2025 door de minister van BZK nagehangen. Op 25 november jl. heeft uw commissie besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg met de minister van BZK.

Artikel 8, vierde lid Financiële-verhoudingswet luidt: 'Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.'. De termijn van acht weken is verstreken op 17 november 2025. Op 16 december 2025 is de vastgestelde AMvB in het Staatsblad geplaatst.


Inbreng voor schriftelijk overleg

4.36600 VII, J en 36600 VII, K

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over goedkeurende beleidsbesluiten; Brief van de minister van BZK over het afwegingskader voor goedkeurende beleidsbesluiten; Begrotingsstaten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor schriftelijk overleg over de brieven inzake de notitie over het afwegingskader (36600 VII, J) en het instrument goedkeurende beleidsbesluiten (36600 VII, K)?

Toelichting

Notitie

Bij de begrotingsbehandeling Binnenlandse Zaken (36.600 VII) op 8 april 2025 heeft de minister van BZK in reactie op vragen van de leden Van Rooijen (50PLUS), Dittrich (D66) en Nicolaï (PvdD), de Kamer een notitie toegezegd over de vraag óf het afwegingskader rondom goedkeurende beleidsbesluiten aanpassing behoeft. In de ontvangen notitie (36600 VII, J) stellen de bewindslieden van Financiën dat zij alles afwegende geen aanleiding zien het in december 2023 vastgestelde afwegingskader te herzien. Ook in de toekomst achten zij de inzet van het instrument van goedkeurende beleidsbesluiten soms noodzakelijk gelet op het feit dat de snelheid waarmee dit instrument kan worden ingezet maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen kan voorkomen. Zij zeggen toe dat de toepassing van het afwegingskader uiterlijk eind 2028 extern zal worden geëvalueerd. Daarnaast zeggen zij toe in de ministerraad aandacht te blijven vragen voor de zorgen die in de Eerste Kamer zijn geuit over de inzet van dit instrument. De ondertekening van de goedkeurende beleidsbesluiten vooruitlopend op wetgeving zal voortaan plaatsvinden door de verantwoordelijke bewindspersoon, in plaats van de hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken van het ministerie van Financiën.

Instrument goedkeurende beleidsbesluiten

Uw commissie is reeds in schriftelijk overleg met de minister van BZK over het instrument goedkeurende beleidsbesluiten. Op 10 juni 2025 is een brief met vragen hierover van de leden van de BBB-fractie, met aansluiting van de leden van de fractie van 50PLUS, en de leden van de fracties van de PvdD en 50PLUS gezamenlijk aan de minister van BZK gestuurd. Deze heeft bij brief van 11 november 2025 geantwoord (36600 VII, K).

In uw commissievergadering van 25 november jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng in reactie op de brief over het instrument goedkeurende beleidsbesluiten (36600 VII, K) als ook op de notitie over het afwegingskader (36600 VII, J).


Inbreng voor schriftelijk overleg



5.35112, AO

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de minister van BZK over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen Wet Open Overheid; Initiatiefvoorstel-Snels en Sneller Wet open overheid

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Op 17 maart 2025 informeerde de minister van BZK de Kamer over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen en toezeggingen inzake de Wet Open Overheid (Woo). In haar brief ging zij in op twee toezeggingen met betrekking tot het verdrag van Tromsø:

In uw commissievergadering van 1 april 2025 besloot u de status van beide toezeggingen ongewijzigd te laten, aangezien de minister in haar brief aankondigde dat zij de Kamer over die toezegging nader zou informeren in de eerste helft van 2025. Op 4 juli jl. ontving uw commissie de aangekondigde brief. Op pagina 4 van die brief (33328, AN) ging zij in op de twee toezeggingen en liet weten dat er geen onderzoek zal worden uitgevoerd. In uw commissievergadering van 25 november jl. is het verslag van een nader schriftelijk overleg (33328/35112, AO) behandeld en hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor een nieuwe vragenronde en de status van beide toezeggingen ongewijzigd 'openstaand' te laten.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg





6.35295, BE

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de minister en de staatssecretaris van BZK over de voortgang van de Rijksbrede strategie voor effectieve aanpak desinformatie; EU en de rechtsstaat

Beslispunt

Zijn de vragen afdoende beantwoord of wenst de commissie in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Bij brief van 17 juni 2024 informeerde de staatssecretaris van Digitalisering en Koninkrijksrelaties de Kamer over de voortgang van de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie en de aankondiging nieuwe acties. Op 27 mei 2025 is een brief aan de minister van BZK gestuurd met nadere vragen van de fracties van de BBB, D66 en JA21. De minister en de staatssecretaris hebben bij brief van 9 december jl. geantwoord. Het verslag van een nader schriftelijk overleg ligt vandaag ter bespreking voor.


Bespreking verslag van een nader schriftelijk overleg


7.31.731 / 29.362, AA

Brief van de staatssecretaris van J&V en de minister van SZW over verbetering van de uitvoerbaarheidstoetsen; Integraal wetgevingsbeleid

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Op 7 oktober jl. heeft de Kamer een brief aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gestuurd met elf noodzakelijke verbeteringen aan de uitvoerbaarheidstoets. De voorbereidende werkzaamheden hiervoor hadden plaatsgevonden in de brainstormgroep Uitvoerbaarheid. De staatssecretaris van J&V en de minister van SZW hebben bij brief van 27 november 2025 gereageerd op de voorgestelde verbeterpunten. In uw vergadering van 9 december jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.

De griffie heeft de elf verbeterpunten, de reactie van de bewindspersonen en een ambtelijke annotatie in een schema verwerkt dat als bijlage is bijgevoegd.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg

8.29362, AH

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de minister van BZK over voortgang Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO); Modernisering van de overheid

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Bij brief van 31 maart 2025 informeerde de toenmalige minister van BZK, mede namens de minister van IenW, de Kamer over de voortgang van het instrument uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO). Dit instrument faciliteert het vroegtijdige gesprek tussen Rijk en medeoverheden over uitvoerbaar beleid. Op 15 oktober 2025 is een brief met nadere vragen aan de minister van BZK gestuurd. Op 26 november 2025 zijn de vragen beantwoord. In uw vergadering van 9 december jl. is het verslag van een nader schriftelijk overleg behandeld en hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg

9.Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor schriftelijk overleg met de minister van BZK over de Stand?

Toelichting

Op 20 november 2025 is de Stand van de Uitvoering Gemeenten 2025 gepresenteerd, met als titel Naar een betrouwbare overheid. In uw vergadering van 9 december jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg met de minister van BZK.


Inbreng voor schriftelijk overleg.

10.29362 / 36600 B, AI en 29362 / 36600 B, AK

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van BZK over ROB-advies 'Meters maken met medebewind' en nieuw rijksbeleid op decentrale overheden; Brief van de minister van BZK met de kabinetsreactie op de ROB-adviezen “Afrekenen met disbalans” en “Meters maken met medebewind”; Modernisering van de overheid

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Op 11 september 2024 heeft de Eerste Kamer, op voorstel van uw commissie, besloten advies te vragen aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over de opzet en werkwijze van een nieuwe monitor ten behoeve van de Kamers der Staten-Generaal inzake de verhouding tussen taken en financiën van decentrale overheden. Het door de Kamer gevraagde advies van de ROB is dinsdag 1 juli 2025 aangeboden aan de Kamervoorzitter.

Op 15 oktober jl. is een brief aan de minister van BZK gestuurd met vragen over het advies van de ROB en het overzicht van beleidsvoornemens Rijk met financiële impact op taken van medeoverheden (36600 B, K). Bij brief van 2 december 2025 heeft de minister hierop geantwoord. In uw vergadering van 9 december jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.

Op 9 januari 2025 heeft de minister van BZK de Kamer de kabinetsreactie op de adviezen “Afrekenen met disbalans” (maart 2025) en “Meters maken met medebewind” (juli 2025) van de Raad voor het Openbaar Bestuur aangeboden (29362/36600 B, AK). Desgewenst kunt u deze reactie meenemen in uw inbreng voor nader schriftelijk overleg.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg



11.35455, P

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de minister van BZK over de evaluatie van het experiment met een nieuw stembiljet bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024; Tijdelijke experimentenwet nieuwe stembiljetten

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor nader schriftelijk overleg?

Toelichting

Op 4 november 2025 is een brief met nadere vragen van de leden van de fractie van de PVV over de evaluatie van het experiment met een nieuw stembiljet aan de minister van BZK gestuurd. De minister heeft bij brief van 27 november jl. geantwoord. In uw vergadering van 9 december jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg.


Inbreng voor nader schriftelijk overleg

12.CLVI, AC

Brief van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters over een digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen (EK, AC); Verslag van de Tijdelijke commissie actualisering Reglement van Orde

Beslispunt

Welke leden leveren vandaag inbreng voor het verslag?

Voorbereidend onderzoek voorstel Regeling in commissie BIZA

De wijze van totstandkoming van de Regeling wordt geregeld in artikel 140 RvO. Daarin staat dat de artikelen uit hoofdstuk XV van het RvO van overeenkomstige toepassing zijn op voorstellen tot vaststelling van de overige op grond van het RvO door de Kamer vast te stellen regelingen. De Kamer heeft op 2 december jl. op grond van artikel 133, lid 1 RvO en na bespreking in het College van fractievoorzitters de vaste commissie BIZA belast met het voorbereidend onderzoek van het voorstel.

Voor wat het voorbereidend onderzoek van het voorstel in de commissie betreft, geldt dat het voorstel op de gewone wijze, als is het een wetsvoorstel, wordt behandeld. Artikel 136, lid 1 RvO bepaalt immers dat het voorstel ‘op dezelfde wijze [wordt behandeld] als een wetsvoorstel dat aan de commissie is toevertrouwd, waarbij de voorsteller in de plaats treedt van de minister.’ Het CVO zal de vragen in het verslag/de verslagen schriftelijk beantwoorden met een nota naar aanleiding van het verslag.

Het voorbereidend onderzoek kent maximaal drie schriftelijke vraag- en antwoordenrondes (artikel 45 RvO) (artikel 46 RvO: met toestemming van de Kamer vier) en ook kan het commissie-instrumentarium worden benut (artikel 38 RvO). Anders dan bij wetsvoorstellen kunnen leden amendementen voorstellen (artikel 134 RvO) en kan CVO - waanneer bijvoorbeeld vragen/opmerkingen daartoe aanleiding geven - het voorstel wijzigen (artikel 135 RvO). Mocht een lid overwegen een amendement in te dienen, dan wordt aangeraden het concept voor indiening voor een wetstechnische toets voor te leggen aan de stafmedewerker van de commissie BIZA, dr. Sofie Wolf.

In uw vergadering van 9 december jl. hebt u besloten vandaag gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het verslag.

Motie-Vos c.s. uitgevoerd

Op 16 mei 2023 heeft de vorige Eerste Kamer de motie-Vos c.s. aanvaard (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, M), waarin twee verzoeken aan de toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans: College van Voorzitter en Ondervoorzitters) zijn gedaan, te weten:

  • om een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderingen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden en
  • om bij het Presidium van de Tweede Kamer na te gaan of dit eveneens van mening is dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet.

Wat het tweede punt betreft heeft schriftelijk overleg plaatsgevonden tussen het College en het Presidium van de Tweede Kamer. Het Presidium heeft bij brief van 9 oktober 2024 onder meer het volgende geschreven (Kamerstukken I 2023/24, CLVI, AB):

"De Raad van State heeft in haar voorlichting gesteld dat het bij een dynamische interpretatie van de Grondwet van wezenlijk belang is dat er sprake is van een hoge mate van consensus tussen de betrokken staatsorganen: Tweede Kamer, Eerste Kamer en regering. Het Presidium stelt vast dat de Tweede Kamer zich over een voorstel zoals bedoeld in de motie-Vos c.s., waarbij een digitaal quorum wordt voorgesteld voor niet-reguliere vergaderdagen, niet heeft uitgesproken. Het is aan de Tweede Kamer zelf om desgewenst een oordeel te geven over de grondwettigheid van voorstellen als deze. Het Presidium kan de Kamer hierin niet vertegenwoordigen."

Het Presidium heeft op 11 september 2025 wel een voorstel aan de Tweede Kamer voorgelegd voor het in buitengewone omstandigheden tijdelijk mogelijk maken van digitaal intekenen en digitaal vergaderen en stemmen (Kamerstukken II 2024/25, 36 808, nr. 2.). Dit voorstel ziet alleen op ernstige crisissituaties (pandemie, natuurramp, kernramp, aanslag). Behandeling van het voorstel laat nog op zich wachten.

Wat het eerste punt betreft heeft het College in zijn vergadering van 25 november jl. besloten een voorstel tot vaststelling van een Regeling digitaal quorum voor niet-reguliere vergaderdagen aan de Kamer voor te leggen. De regeling is daarop dezelfde dag aan de Kamer voorgesteld. In uw commissievergadering van 9 december 2025 hebt u besloten de motie-Vos c.s. als uitgevoerd te beschouwen.

Achtergrond

Met een digitaal quorum wordt gedoeld op de mogelijkheid voor leden om van buiten het Kamergebouw digitaal in te tekenen voor een vergadering van de Kamer, waarna zij als 'ter vergadering aanwezig' gelden als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Grondwet. In de bijzondere omstandigheden van de coronacrisis, toen grote samenkomsten onwenselijk waren en reizen werd afgeraden, heeft de Eerste Kamer gedurende twee perioden gewerkt met een digitaal quorum. Dit digitale quorum was uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld. De Kamer had hierover ook Voorlichting gevraagd aan de Raad van State. De Tijdelijke regeling digitaal quorum is per 1 april 2022 komen te vervallen.

In haar verslag van 14 maart 2023 (Kamerstukken I 2022/23, CLVI, A) meldde de Tijdelijke Commissie Actualisering Reglement van Orde (CARO) dat binnen de commissie de meningen verschilden of een digitaal quorum buiten de bijzondere omstandigheden zoals die ten tijde van de coronacrisis golden mogelijk en wenselijk was.

De CARO volstond in haar voorstel voor een geactualiseerd Reglement van Orde met een grondslag voor een digitaal quorum in bijzondere omstandigheden zoals die zich ten tijde van de coronacrisis hadden voorgedaan. In dergelijke omstandigheden kan de Kamer bij afzonderlijke regeling bepalen dat leden die aan de vergadering wensen deel te nemen dit ook op digitale wijze kenbaar kunnen maken, zonder aanwezig te zijn in het Kamergebouw (artikel 52, tweede lid, Reglement van Orde). De Kamer heeft het door nota's van wijziging en enkele amendementen aangepaste voorstel van de CARO op 16 mei 2023 aanvaard, waarbij artikel 52, tweede lid, niet gewijzigd werd.

Bij de plenaire behandeling van het voorstel is niettemin het digitaal quorum weer uitgebreid ter sprake gekomen. De Kamer nam een motie-Vos c.s. aan, waarin werd uitgesproken "dat een dergelijk digitaal quorum past binnen de interpretatie van artikel 67, eerste lid van de Grondwet". De toenmalige Huishoudelijke Commissie (thans het College van Voorzitter en Ondervoorzitters) werd verzocht "een voorstel te doen om een digitaal quorum mogelijk te maken voor vergaderdagen van de Eerste Kamer die bij uitzondering op een niet-reguliere vergaderdag worden gehouden".


Inbreng voor het verslag

13.CLXX. F

Voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen Eerste Kamer

Beslispunten

  • Welke leden leveren vandaag inbreng voor het derde verslag?
  • Met het uitbrengen van het derde verslag zal het voorstel worden aangemeld voor plenaire afhandeling. Welke wijze van plenaire afhandeling heeft de voorkeur: (1) hamerstuk, (2) stemming en (3) debat (met eventueel stemming)?

Toelichting

Nota naar aanleiding van het tweede verslag

Op 4 december jl. heeft u de nota naar aanleiding van het tweede verslag ontvangen in antwoord op de vragen die op 11 november jl. aan het nieuw samengestelde College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO) zijn gesteld over de voorgestelde Gedragscode.

In uw commissievergadering van 9 december 2025 hebt u besloten als volgt besloten: De commissie besluit op 13 januari 2026 gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het derde verslag. De commissie zal het voorstel met het uitbrengen van het derde verslag aanmelden voor plenaire afhandeling op een nog nader in de commissie te bespreken wijze.

Hieronder treft u volledigheidshalve ter kennisneming algemene informatie over de behandeling van een dergelijk voorstel in commissieverband.

CVO-voorstel voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen op grond artikel 131 RvO

Het voorstel van CVO voor een Gedragscode ongewenste omgangsvormen geeft invulling aan artikel 131 Reglement van Orde (RvO): “Bij afzonderlijke regeling van de Kamer wordt een Gedragscode ongewenste omgangsvormen vastgesteld waarin voorschriften worden gegeven ter voorkoming van ongewenst gedrag door leden van de Kamer. In deze afzonderlijke regeling wordt tevens een instrumentarium vastgelegd ten behoeve van de naleving en interpretatie van deze Gedragscode.” Op dit moment heeft de Kamer nog geen code vastgesteld.

Voorbereidend onderzoek in de vaste commissie BIZA

De wijze van totstandkoming van een Gedragscode wordt geregeld in artikel 140 RvO. Daarin staat dat de artikelen uit hoofdstuk XV van het RvO van overeenkomstige toepassing zijn op voorstellen tot vaststelling van de overige op grond van het RvO door de Kamer vast te stellen regelingen. De Kamer heeft op 18 maart jl. op grond van artikel 133, lid 1 RvO en na besprekingen in het College van fractievoorzitters de vaste commissie BIZA belast met het voorbereidend onderzoek van het voorstel. De leden Van der Linden (VVD) en Van Aelst-Den Uijl (SP) wensen, op grond van artikel 37, lid 2 RvO, deel te nemen aan het voorbereidend onderzoek.

Voorbereidend onderzoek vergelijkbaar met dat van een wetsvoorstel

Voor wat het voorbereidend onderzoek van het voorstel in de commissie betreft, geldt dat het voorstel op de gewone wijze, als is het een wetsvoorstel, wordt behandeld. Artikel 136, lid 1 RvO bepaalt immers dat het voorstel ‘op dezelfde wijze [wordt behandeld] als een wetsvoorstel dat aan de commissie is toevertrouwd, waarbij de voorsteller in de plaats treedt van de minister.’ Het CVO zal de vragen in het verslag/de verslagen schriftelijk beantwoorden met een nota naar aanleiding van het verslag.

Het voorbereidend onderzoek kent maximaal drie schriftelijke vraag- en antwoordenrondes (artikel 45 RvO) (artikel 46 RvO: met toestemming van de Kamer vier) en ook kan het commissie-instrumentarium worden benut (artikel 38 RvO). Anders dan bij wetsvoorstellen kunnen leden amendementen voorstellen (artikel 134 RvO) en kan het CVO - waanneer bijvoorbeeld vragen/opmerkingen daartoe aanleiding geven - het voorstel wijzigen (artikel 135 RvO). Mocht een lid overwegen een amendement in te dienen, dan wordt aangeraden het concept voor indiening voor een wetstechnische toets voor te leggen aan de stafmedewerker van de commissie BIZA, dr. Sofie Wolf.


Inbreng voor het derde verslag

14.36600 B, P en 36800 B / 36800 C, B

Brief van de minister van BZK over het integraal Overzicht Financiën Gemeenten en Provincies 2025; Begrotingsstaat gemeentefonds 2026; Brief van de minister van BZK over het aantal gemeenten dat in 2026 naar verwachting onder preventief toezicht valt; Brief van de minister van BZK over het verwachte aantal gemeenten dat in 2026 onder preventief toezicht zal komen te staan; Begrotingsstaat gemeentefonds 2025

Beslispunt

Wenst de commissie een datum voor inbreng voor schriftelijk overleg te bepalen over de brieven van 11 juni (36600 B, M) en 22 september 2025 (36600 B, P) en het Integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies (36800 B / 36800 C, B)?

Toelichting

Naar aanleiding van een vraag van het lid Janssen (SP) tijdens de plenaire behandeling van de begrotingsstaat van het Gemeentefonds op 8 april 2025, heeft de minister van BZK bij de provinciale financiële toezichthouders nagevraagd wat hun verwachtingen zijn ten aanzien van het aantal gemeenten dat in 2026 onder preventief toezicht zal komen te staan. Bij brief van 11 juni 2025 (36600 B, M) stuurde de minister het antwoord op deze vraag aan de Kamer. Tijdens de commissievergadering van 8 juli 2025 verzocht de commissie de regering om haar zo spoedig mogelijk na het zomerreces per brief te informeren over eventuele wijzigingen ten opzichte van de brief van 11 juni 2025 over de verwachtingen bij de provinciale financiële toezichthouders. Specifiek ging het hierbij om het verwachte aantal gemeenten dat in 2026 onder preventief toezicht zal komen te staan. De brief van 22 september 2025 (36600 B, P) geeft hier invulling aan. Naar aanleiding van deze laatstgenoemde brief heeft uw commissie op 7 oktober jl. besloten het jaarlijks integraal Overzicht Financiële Gemeenten en Provincies af te wachten, alvorens eventueel een datum voor inbreng voor schriftelijk overleg te bepalen.

Dit Integraal Overzicht is ontvangen op 2 december 2025 (36800 B/36800 C, B). Desgewenst kan uw commissie een datum voor inbreng voor schriftelijk overleg over de brieven van 11 juni en 22 september 2025 en het Integraal Overzicht bepalen.


Bespreking



15.E080071

Voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid

Beslispunt

Wenst de commissie in schriftelijk overleg te treden met de minister van SZW over de voortgangsrapportage over het Richtlijnvoorstel?

Toelichting

Op verzoek van het lid Perin-Gopie (Volt) wordt heden het Voorstel voor een Richtlijn inzake gelijke behandeling geagendeerd en de brief van 9 december 2025 van de minister van SZW met de geannoteerde agenda van Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025 (21501-31, CM).

Op 11 november 2025 publiceerde het Deense voorzitterschap een voortgangsrapportage betreffende de onderhandelingen over het voorstel voor een Richtlijn inzake gelijke behandeling. Omdat er nog 3 lidstaten tegen het voorstel zijn, is de benodigde unanimiteit nog niet bereikt. Het voorzitterschap benadrukt in de voortgangsrapportage het belang van de richtlijn en hoopt op een akkoord in de nabije toekomst. De voortgangsrapportage stond op de agenda van de WSB Raad van 1 december 2025. De geannoteerde agenda van deze Raad en de voortgangsrapportage zijn ter informatie bijgevoegd, alsmede het verslag van de Raad (21501-31, CN).


Bespreking


16.Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement inzake de wijziging van de Europese Kiesakte

Beslispunt

Wenst u naar aanleiding van de Wetgevingsresolutie in overleg te treden met de Nederlandse regering?

Toelichting

Op verzoek van het lid Van Langen-Visbeek (BBB) wordt vandaag de Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement inzake de wijziging van de Europese Kiesakte geagendeerd. Tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 12 en 13 december jl. werd ingestemd met een wetgevingsresolutie tot wijziging van de Europese Kiesakte om de leden van het Europees Parlement in staat te stellen tijdens een zwangerschap en in de maanden na de bevalling een ander lid bij volmacht in de plenaire vergadering te laten stemmen. Overeenkomstig protocol 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn de nationale parlementen op 26 november 2025 ingelicht over deze aangenomen wetgevingsresolutie. De wetgevingsresolutie, notificatie en de behandelmogelijkheden in de EU stroomschema's zijn bijgevoegd.

Ter informatie

Opgemerkt kan worden dat op 17 oktober 2025 een initiatiefvoorstel is ingediend bij de Tweede Kamer: initiatiefvoorstel-Chakor verruiming mogelijkheden tijdelijke vervanging leden Tweede en Eerste Kamer, provinciale staten, gemeenteraden, eilandsraden en kiescolleges (36.837). De initiatiefneemster wil met inachtneming van deze bijzondere positie van de volksvertegenwoordiger de vervangingsregeling verruimen. Daarvoor zijn meerdere wetswijzigingen noodzakelijk.


Bespreking


17.30950, C

Brief van de minister van BZK ter aanbieding van 'Denkrichtingen ten behoeve van een nationaal programma tegen Discriminatie en Racisme 2025-2029'; Rassendiscriminatie

Beslispunt

Wenst de commissie in schriftelijk overleg te treden met de minister van BZK n.a.v. zijn brief van 12 december 2025 of wenst zij deze voor kennisgeving aan te nemen?

Toelichting

Op 12 december 2025 heeft de minister van BZK de Kamer de denkrichtingen ten behoeve van een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2025- 2029 aangeboden. Om richting te geven aan het brede antidiscriminatiebeleid van de overheid stelt het kabinet sinds 2022, onder coördinatie van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme op. De duur van de meerjarenagenda zoals opgenomen in deze denkrichtingen, beslaat de gehele zittingsperiode van het volgende kabinet. Omdat de besluitvorming over een volgend programma en de meerjarenagenda te zeer samenvalt met de kabinetswissel en de aankomende adviestaak van de NCDR, wordt de besluitvorming over het Nationaal Programma aan een volgend kabinet gelaten.


Bespreking

18.T03911 en T03912

Toezegging Uitvragen ketenpartners werking wet (36.263); Toezegging Uitvoeringsverslag rond voorjaar 2024 bij Eerste Kamer (36.263)

Beslispunten

  • Wenst de commissie de status van toezeggingen T03911 en T03912 als voldaan aan te merken?
  • Wenst de commissie in schriftelijk overleg te treden n.a.v. de brief van 19 december 2025?

Toelichting

Op 1 juli 2024 is de Tijdelijke wet onderzoeken AIVD en MIVD naar landen met een offensief cyberprogramma, bulkdatasets en overige specifieke voorzieningen in werking getreden. In de brief van 19 december 2025 informeren de ministers van BZK en van Defensie de Kamer over de resultaten van de door voornoemde diensten verrichte invoeringstoets van de Tijdelijke wet. Met deze brief komen de bewindslieden tevens tegemoet aan de toezeggingen T03911 en T03912:

T03911: De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Aerdts (D66), toe dat het uitvoeringsverslag aan beide Kamers wordt gestuurd, waarschijnlijk in het voorjaar van 2025.

-> Met het voornoemde 'uitvoeringsverslag' wordt gedoeld op de uitkomsten van de invoeringstoets. Deze uitkomsten zijn met de brief van 19 december jl. met de Kamer gedeeld. Daarmee kan de status van deze toezegging desgewenst als voldaan worden aangemerkt.

T03912: De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Fiers (GroenLinks-PvdA), toe een jaar na invoering van het wetsvoorstel aan de ketenpartners te vragen hoe de wet voor hen werkt.

-> Bij de uitvoering van de invoeringstoets door de AIVD en MIVD zijn ook de bevindingen van de toezichthouders CTIVD en TIB en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de zogenoemde 'ketenpartners', meegenomen. Hiermee kan desgewenst ook de status van deze toezegging als voldaan worden aangemerkt.


Bespreking

19.Mededelingen en informatie

Op de brievenlijst zijn onder meer de volgende brieven opgenomen:

  • Kamerbrief bij meerjarenplannen digitale informatiehuishouding en openbaarheid 2026 - 2030: waarmee de minister van BZK de Kamer de meerjarenplannen digitale informatiehuishouding 2026 – 2030 en het herijkte Actieplan Open Overheid 2023-2027 aanbiedt. De meerjarenplannen gaan over de overheidsbrede plannen op het gebied van informatiehuishouding en open overheid. In het Actieplan Open Overheid staat de samenwerking met de samenleving op het gebied van open overheid centraal.
  • Kamerbrief over Voortgang normering topinkomens (semi) publieke sector en WNT-jaarrapportage 2024: de minister van BZK informeert de Kamer over de voortgang van het topinkomensbeleid van het kabinet in de (semi-)publieke sector. Daarbij is ook de WNT-jaarrapportage 2024 gestuurd, met een overzicht van overtredingen en handhavingsmaatregelen en een overzicht van ingediende en gehonoreerde uitzonderingsverzoeken in het kader van de WNT.
  • Veegbrief BZK: met daarin alle majeure wijzigingen die na de tweede suppletoire begroting zijn opgetreden. Dit betreft de uitvoering begrotingen 2025, Staten Generaal, Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneur en de Kiesraad, Koninkrijksrelaties, BES-fonds, BZK, Gemeentefonds en Provinciefonds.
  • Kamerbrief bij Werkprogramma DINGtiid 2026-2027: de minister van BZK biedt de Kamer het werkprogramma 2026-2027 aan van DINGtiid, het orgaan voor de Friese taal. DINGtiid brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan het Rijk en de provincie Fryslân.
  • Afschrift Kamerbrief TK Programma Werk aan Uitvoering: de minister van SZW heeft de Kamer een afschrift van haar brief aan de Tweede Kamer over het Programma Werk aan Uitvoering (WaU) aangeboden. Programma Werk aan Uitvoering zet onder andere in op het verbeteren van de uitvoeringstoets, in samenwerking met de beide Kamers, en een Actieagenda Vereenvoudiging, in samenwerking met het Netwerk van Publieke Dienstverleners (NPD).

20.Rondvraag

21.Sluiting