Verslag van de vergadering van 15 december 2025 (2025/2026 nr. 12)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 20.45 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Baumgarten i (JA21):
Voorzitter. Staat u mij toe om te beginnen met een kort exposé over de ideeën achter belastingheffing, de filosofie zo u wilt. Vereenvoudigd wordt belasting geheven over inkomen en vermogen. Beide zijn niet zonder prijs. Een te hoge belasting over inkomen verdooft de prikkel om te werken en een te hoge belasting op vermogen legt de kapitaalpool droog die nodig is voor ondernemingen om te kunnen floreren én jaagt fiscaal vluchtgedrag aan. Het is een precair evenwicht. Sommigen hebben erop gewezen dat belasting nooit rechtvaardig kan zijn, omdat de afdracht aan de Staat verplicht is. Daarop wil ik enige nuance aanbrengen, door erop te wijzen dat de Staat in ruil voor die belastingen bepaalde goederen en diensten verleent. De mate van belastingheffing moet in verhouding staan tot de goederen en diensten die van overheidswege worden verstrekt. Ook hier is sprake van een broos evenwicht tussen de belasting en de rechtvaardiging ervoor.
Voorzitter. Er is geen economisch ideale situatie. Daarvoor is economie veel te complex en dynamisch. Dat vraagt om terughoudendheid bij het draaien aan allerlei radertjes. Welnu, kijkend naar de stijging van de collectieve lasten in de afgelopen kwarteeuw in Nederland moeten we vaststellen dat die lasten van ongeveer 34% van het bruto binnenlands product in 2000 zijn opgeschoven naar ongeveer 40% nu. De collectieve lasten zijn met tientallen miljarden gestegen, tussen 1 miljard à 2 miljard per jaar. De groei van de collectieve lasten is een pendule die uitslaat. Het belastingstelsel verliest daardoor steeds verder het karakter van proportionaliteit en noodzakelijkheid. Er is geen sprake van terughoudendheid, maar van voortdurende neiging om het belastingstelsel als instrument te gebruiken voor beleid en idealen, soms met een aanzienlijk ad-hockarakter. Een rechtvaardig stelsel vraagt om eenvoud, stabiliteit en voorspelbaarheid. Een stelsel dat voortdurend verandert, tast niet alleen voorspelbaarheid aan, maar ook de rechtszekerheid. En dat laatste ondermijnt juist het broodnodige vertrouwen in de overheid vanuit burgers en bedrijfsleven.
Vanuit dat kader beoordeelt JA21 de fiscale voorstellen die vandaag voorliggen. De Wet differentiatie vliegbelasting is een duidelijk voorbeeld van hoe het fout gaat. De regering presenteert deze belasting deels als milieumaatregel, maar erkent in een nota aan deze Kamer dat het primaire doel budgettair is. Wat is dan de feitelijke milieuwinst? Uit onderzoek van CE Delft blijkt dat de totale mondiale CO2-uitstoot van de Nederlandse luchtvaart door deze maatregel slechts met 1,9% afneemt. Dat effect staat in geen verhouding tot de lastenverzwaring die deze wet veroorzaakt. De economische gevolgen worden eveneens onderbelicht. Volgens de eigen toelichting van het kabinet zal ongeveer een op de vier getroffen reizigers uitwijken naar luchthavens over de grens. Nederland is daarmee ongeveer het meest luchtvaartonvriendelijke land in Europa. Dat betekent onvriendelijk tegenover echte banen en echte inkomsten, het weglekken van welvaart en verslechtering van het vestigingsklimaat. Daar komt bij dat Duitsland per 1 juli 2026 de vliegbelasting verlaagt. In de geïntegreerde Europese luchtvaartmarkt is dat geen detail, maar een structureel concurrentienadeel voor Nederland. De regering kan op dit moment geen duidelijk antwoord geven op de vraag wat daarvan de effecten zijn. De regering verwijst slechts naar toekomstig overleg met CE Delft.
Voorzitter. Wanneer een belastingmaatregel zulke beperkte milieuwinst en zulke duidelijke economische risico's kent, is een evaluatietermijn van vijf jaar niet verantwoord. Bijsturing moet tijdiger mogelijk zijn, zoals de Duitsers dat hebben gedaan. Een belasting die nauwelijks milieuwinst oplevert, maar wel mobiliteit en ondernemerschap schaadt, moet niet vijf jaar boven de markt blijven hangen voordat deze opnieuw wordt getoetst. Kan de regering toelichten waarom een belasting zonder eigen milieudoelstelling überhaupt via de milieusfeer wordt gerechtvaardigd? Kan de staatssecretaris toezeggen om twee jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel een tussentijdse, monitorende effectenrapportage met deze Kamer te delen?
Daarnaast, meneer de voorzitter, wil ik de aandacht van de staatssecretaris vragen voor het amendement-Stultiens c.s. dat door de Tweede Kamer is aangenomen inzake een exorbitante belasting op passagiers van kleine jets. De opbrengsten lijken buitengewoon bescheiden en de impact en het handelingsperspectief voor luchtvaartondernemers is niet in ogenschouw genomen. Dat staat nog los van de effecten voor het vestigingsklimaat in Nederland. Als we het hebben over een betrouwbare overheid, is dit soort symboolwetgeving wel het laatste wat we nodig hebben. Het valt bovendien te betwijfelen of deze buitensporige taks juridisch houdbaar is. Ik verneem graag van de staatssecretaris of hij deze visie met mij deelt en welke instrumenten hem ten dienste staan om de voorspelbare schade voor ondernemers door dit amendement te minimaliseren.
Vanuit het perspectief van proportionaliteit en rechtvaardiging is ook de youngtimerregeling een tekenend voorbeeld. Voor duizenden ondernemers en zelfstandigen vormt deze regeling de enige realistische manier om zakelijke mobiliteit betaalbaar te houden. Elektrische en andere nieuwe auto's zijn simpelweg te duur. Het verder versoberen van de youngtimerregeling is daarom niet alleen economisch onverstandig, maar ondermijnt ook de proportionaliteit van het fiscale stelsel. De maatregelen raken juist de ondernemer die geen dure, nieuwe auto kan aanschaffen.
De heer Martens i (GroenLinks-PvdA):
Over de vliegbelasting; sorry, ik kwam te laat naar voren. De vliegbelasting voor korte vluchten wordt €29,40. Dat lijkt me toch nauwelijks ontwrichtend voor het Nederlandse vestigingsklimaat; ik geloof dat de heer Baumgarten dat zei. Overdrijft de heer Baumgarten dan niet een beetje? En mijn tweede vraag is dezelfde vraag als de vraag die ik aan mevrouw Van der Linden van de VVD stelde: hoe gaan wij dan de Nederlandse luchtvaart verduurzamen? Er is wel iets aan de hand met het klimaat en vliegen is nu eenmaal heel vervuilend. Dus óf het wordt groen door innovatie, óf we gaan minder vliegen, óf we zeggen dat het klimaat helemaal niets uitmaakt. Wat is het?
De heer Baumgarten (JA21):
Dank aan de heer Martens voor deze vraag. Wij leven in Nederland niet op een eiland. Als wij al dit soort afspraken, die ik onzalig vind, overwegen, dan zouden ze in Europees verband gelijkgetrokken moeten worden. Dat kan niet via de EU, maar we zitten niet op een eiland in Europa. We hebben met de internationale luchtvaartmarkt te maken. Passagiers zijn mobiel en kunnen zomaar over de grens naar Duitsland en België en daarvandaan vertrekken. Dat levert door het rijverkeer extra milieuschade op. Dus de milieuwinst is daardoor enorm beperkt. Het tweede wat speelt, is dat de luchtvaartondernemingen zelf al behoorlijk aan het vergroenen zijn. Zoals u weet heeft KLM al behoorlijk geïnvesteerd in een groenere vloot met zuinige toestellen. KLM investeert ook in betere brandstof, waardoor er al milieuwinst wordt geboekt.
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Nog één vervolgvraag. Steunt de partij van de heer Baumgarten een Europese vliegbelasting in het Europees Parlement?
De heer Baumgarten (JA21):
Nee, die vraag was van de heer Martens zeer te verwachten. Het antwoord is volmondig nee. Ik wil alleen wel dat er in Europees verband gekeken wordt naar dit soort afspraken. Nogmaals, we zitten in Nederland niet op een eiland.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Dan moet ik toch concluderen dat dit verhaal inconsistent is. Óf we steunen het in Europa, óf we steunen het hier. Maar we kunnen hier niet zeggen dat het in Europa moet gebeuren, terwijl we het daar vervolgens niet steunen.
De heer Baumgarten (JA21):
Die conclusie is voor de heer Martens.
De voorzitter:
Dat is het geval. De heer Hartog, eveneens met een interruptie.
De heer Hartog i (Volt):
De heer Martens is geen voorstander van een Europese Unie-vliegbelasting als eigen middel. Daar heb ik eerder een vraag over gesteld. De heer Martens wil wel iets wat de Europese Unie kan doen. De heer Martens weet dat de Europese Unie geen bevoegdheden heeft over het vaststellen van de hoogte van belastingen, wel voor de grondslag. Wat wilde de heer Martens dan precies op EU-niveau doen?
De heer Baumgarten (JA21):
Ik ga ervan uit dat de vraag voor mij bedoeld is.
De voorzitter:
De vraag was aan de heer Baumgarten gesteld.
De heer Baumgarten (JA21):
Dat bedoel ik. Ik dacht al dat de heer Hartog mij bedoelde; verspreken is menselijk. Ik zeg niet dat het via de EU moet. Ik wil alleen dat er in Europees verband gekeken wordt naar vliegbelastingen. Dat is iets heel anders. Nogmaals, we zitten als Nederland niet solitair op een eiland, dus we kunnen niet zomaar denken dat we dit soort vliegbelastingen kunnen afroepen, zonder effecten. Die effecten zijn er namelijk.
De voorzitter:
De heer Hartog nogmaals.
De heer Hartog (Volt):
De vraag aan de heer Baumgarten is dan: wat betekent dat in Europees verband? Is dat een praatclub? Welke soort conclusie wenst de heer Baumgarten te trekken?
De heer Baumgarten (JA21):
Ik wil dat wij kijken naar de concurrentiepositie van de Nederlandse luchtvaart in Europees verband. Punt.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Was het effect van deze belastingmaatregel maar zo groot als de heer Baumgarten omschrijft. Transitpassagiers worden niet meegenomen in deze maatregel, dus volgens mij overdrijft de heer Baumgarten een beetje als hij spreekt over de effecten van deze maatregel. Ik wil de impact van vliegen op het klimaat niet bagatelliseren, maar ik betreur het dat het debat over de luchtvaart alleen maar gaat over klimaat. Schiphol vervuilt niet alleen het klimaat, maar vervuilt ook op andere manieren en creëert enorme overlast voor omwonenden. Wat vindt de heer Baumgarten daarvan?
De heer Baumgarten (JA21):
Schiphol is ook een van de grootste banenmotoren voor Nederland. Ik denk dat wij als Nederland trots mogen zijn dat wij zo'n belangrijke internationale luchthaven in ons midden hebben, omdat het ook voor een belangrijk gedeelte bijdraagt aan onze welvaart. En ja, er kan in de directe omgeving van Schiphol overlast zijn, maar de keerzijde is dat het vliegverkeer vanaf Schiphol met zijn enorme internationale netwerk bijdraagt aan de welvaart van heel Nederland.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van mevrouw Visseren. U liet net in de beantwoording zien hoe dat moet.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ja, dat was goed, hè? Ik weet niet of mijn vragen ook zo kort zijn als mijn antwoorden, maar daar gaan we achter komen. Ik denk dat het antwoord dit keer nee is. Nu ben ik mijn vraag kwijt.
De voorzitter:
Excuus. Misschien kunnen we eerst even de vraag van mevrouw Moonen doen. Dan kunt u nog even, nogmaals met excuses vanaf het rostrum, nadenken over de vraag die u had willen stellen.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Niks daarvan. Ik weet de vraag weer. Ik denk dat de omwonenden, de mensen die onder de aanvliegroutes van Schiphol wonen, de analyse van de heer Baumgarten niet delen. Ik denk ook dat de heer Baumgarten de zogenaamde positieve impact van Schiphol op de Nederlandse economie ruim overdrijft. Dat was geen vraag, voorzitter.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan mevrouw Moonen voor een interruptie.
Mevrouw Moonen i (D66):
Voorzitter. Ik heb wel een vraag. De heer Baumgarten spreekt aan de ene kant over een eenvoudig belastingstelsel dat rechtvaardig uitwerkt voor alle partijen. Een nationale vliegbelasting wil hij niet doen. Dat kan ik begrijpen als je houdt van eenvoud en duidelijkheid. Tegelijkertijd komt hij op voor de youngtimerregeling. Maar dat is toch ook een verbijzondering, waarbij we een bepaalde regeling maken om te beïnvloeden welk type auto gekocht wordt? Dat vind ik eigenlijk niet goed passen bij de consistentie van het betoog de heer Baumgarten. Waarom maakt hij speciaal voor die groep een uitzondering, terwijl hij ook betoogt dat we het stelsel niet te veel moeten gebruiken voor al die uitzonderingen? Waarom doet hij dat voor die groep opeens wel?
De heer Baumgarten (JA21):
U onderbrak mij in een betoog over youngtimers. Geeft u mij even de ruimte, voorzitter, om mijn betoog te vervolgen. Dan kom ik vanzelf uit op het punt waarom ik hier zo'n aanstoot aan neem.
De voorzitter:
Met veel genoegen, meneer Baumgarten. Gaat uw gang.
De heer Baumgarten (JA21):
In een land waarin de collectieve lasten structureel zijn gestegen en ondernemers steeds zwaarder worden belast, moeten wij maatregelen behouden die mobiliteit en economische activiteit ondersteunen. Daar komt bij dat het relatief jonge wagenpark van youngtimers straks wordt uitgefaseerd ten faveure van modellen die fiscaal wel aantrekkelijk, maar ook vervuilender zijn. We hebben het dan over auto's ouder dan 25 jaar. Hoe is er volgens de staatssecretaris sprake van milieuwinst als relatief nieuwe youngtimers ontmoedigd worden, terwijl de alternatieven duurder zijn of helemaal geen milieuwinst opleveren?
Vooral het ontbreken van een evenwichtige en zorgvuldige overgangsregeling baart mijn fractie ernstige zorgen, mevrouw Moonen. Ondernemers hebben mogelijk investeringsbeslissingen voor de komende jaren genomen op basis van de huidige wetgeving en worden nu plotsklaps onaangenaam verrast door een versobering van de youngtimerregeling, waarbij de leeftijdsgrens in 2026 plots van 15 jaar naar 16 jaar wordt verhoogd, terwijl er vanaf 2027 sprake is van een enorme toename naar een leeftijdsgrens van 25 jaar. Hierdoor moeten werknemers een nog hogere bijtelling betalen. Ik hoor graag hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de uitwerking van dit amendement. En ik verneem graag of hij wil toezeggen dat een redelijke overgangsregeling tot de mogelijkheden behoort. Collega Kroon zal hier zo meteen nader op ingaan.
Voorzitter. Ik maak, met uw permissie, een overstap naar een ander soort uitstoot, namelijk die van de afvalverwerkers. De voorgestelde verhoging van de afvalstoffenheffing is reden tot zorg. In zijn brief van 5 december jongstleden stelde de staatssecretaris dat het kabinet waarde hecht aan voorspelbaar beleid. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat de maatregelen kunnen worden aangepast zodra een beter alternatief beschikbaar komt. Dat biedt in essentie een doorkijk in zwabberend beleid en geeft de sector weinig rechtszekerheid. Ik vind het ontluisterend.
Uit de toelichting blijkt dat afvalverbrandingsinstallaties, de zogenaamde AVI's, de hogere lasten zullen doorberekenen. Trinomics berekent dat de aangescherpte CO2-heffing voor AVI's zonder CCS-installaties leidt tot een kostenstijging van circa €30 per ton afval. Tegelijkertijd erkent de nota dat AVI's technisch niet in staat zijn om voor 2027 in CCS te investeren, dus voor de hogere heffing ingaat. De sector krijgt dus wel hogere verplichtingen, maar niet de mogelijkheid om die tijdelijk te mitigeren. Hoe fair vindt de staatssecretaris dit? Volgens de berekeningen komt ongeveer 60% van de lastenstijging terecht bij gemeenten, die dit via de afvalstoffenheffing zullen doorberekenen aan huishoudens, gemiddeld voor zo'n €40 per jaar. De overige 40% komt terecht bij bedrijven en zal naar verwachting in de kostprijzen worden verwerkt. De milieueffecten zijn bovendien onzeker. Uit het rapport van Trinomics volgt dat een toename van afvalexport naar het buitenland aannemelijk is, wat betekent dat de CO2-uitstoot wordt verplaatst in plaats van verminderd. De nota erkent dat verwerking in het buitenland kan leiden tot een grotere milieubelasting daar en tot risico's op meer illegale stort in Nederland. Dit geheel roept vragen op over uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en de verhouding tussen lastenverzwaring en milieueffecten.
Voorzitter, met uw permissie, heb ik toch nog enkele woorden over box 3 in de inkomstenbelasting. Als je door je wimpers heen kijkt, tekent zich een ramp af in slow motion. Reparatie op reparatie om tegenvallers in box 3 op te vangen binnen box 3 zullen op termijn niet houdbaar blijken, noch moreel noch juridisch. De ingreep die de Tweede Kamer heeft moeten doen om een exorbitante heffing in box 3 te voorkomen, is exemplarisch voor het broddelwerk dat deze heffing inmiddels is geworden. De dekking die gevonden is om de schade te beperken is creatief, maar in essentie ook onrechtvaardig. Immers, de wet-Hillen was een heel elegant instrument om huiseigenaren te laten profiteren van het eventueel vervroegd aflossen van de hypotheek. Het is onbegrijpelijk dat in de periode-Rutte hier het mes in is gezet. Thans wordt versnelde versobering van de wet-Hillen gebruikt ter dekking op de lange termijn van box 3-heffingen. Ik vind dat een begrijpelijke maar ook lelijke uitruil die huiseigenaren benadeelt. De Tweede Kamer kan ik niet veel kwalijk nemen; zij heeft erger willen voorkomen. Ik neem het wel de staatssecretaris kwalijk dat hij niet eerder heeft willen inzien dat exorbitante box 3-heffingen een heilloze weg zijn. Ik verneem graag de zienswijze van de staatssecretaris hierover. Ik hoop dat hij zich niet gaat verschuilen achter nieuwe wetgeving die mogelijk pas in 2028 komt, als het niet later is.
Ten slotte, meneer de voorzitter, nog enkele woorden over marginale druk en het fiasco van de toeslagen. De Inspectie belastingen, toeslagen en douane, kortweg de IBTD, die in essentie de eigen inspectie van de staatssecretaris is, constateert veel onvolkomenheden in het belasting- en toeslagenstelsel, zo veel zelfs dat onduidelijk is of meer werken loont. Het in stand houden van het huidige stelsel "brengt mensen in grote problemen en zet een rem op de arbeidsparticipatie". Met grote meerderheid is de motie-Baumgarten in deze Kamer aangenomen, die de regering opriep om begin 2025 met een geloofwaardig tijdpad te komen voor hoe het toeslagenstelsel kan worden hervormd c.q. afgebouwd. Meerdere rappels ten spijt ligt er nog altijd niets van de regering. Ergo, wanneer gaat de staatssecretaris deze motie daadwerkelijk uitvoeren? Ik verneem graag het antwoord hierop van de staatssecretaris.
Alles overziend concludeer ik dat de belastingdruk blijft stijgen, de proportionaliteit tussen belastingheffing en tegenprestatie van de Staat dunner wordt, de uitvoerbaarheid verder onder druk komt en de mobiliteit en het ondernemerschap onevenredig worden gefrustreerd. Er wordt te weinig ondernomen om het delicate evenwicht te herstellen dat gepaard zou moeten gaan met een rechtvaardige belastingheffing. Een belastingstelsel dat uit het lood hangt, kan niet functioneren als fundament voor een gezonde economie.
Voorzitter, ik rond af. JA21 zit, zoals u hoort, op onderdelen van de voorliggende belastingwetgeving kritisch in de wedstrijd. Dat is niet kritisch als doel an sich, maar de burger en het bedrijfsleven worden onzes inziens onnodig en onverwachts geconfronteerd met wetgeving die ondoordacht en soms ad hoc is. Het is als Eerste Kamer onze taak om hiervoor te waken. Desondanks zie ik uit naar de antwoorden van de staatssecretaris.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Baumgarten.
Mevrouw Moonen (D66):
Ik heb tot slot nog één vraag aan de heer Baumgarten. Ik hoor hem zeggen dat hij vindt dat arbeid niet te zwaar belast moet worden. Dat kan ik heel goed volgen. Hij zegt echter ook: met box 3 moeten we de vermogens niet te zwaar belasten. Mijn vraag aan u is: waar moeten de belastinginkomsten dan vandaan komen? We hebben namelijk ontzettend veel maatschappelijke doelen. Dat belastinggeld wordt ingezet voor onderwijs, voor mobiliteit, voor allerlei belangrijke algemene en maatschappelijke doelen. Waar komen de belastinginkomsten vandaan in uw betoog?
De heer Baumgarten (JA21):
Zoals u al aan het begin van mijn betoog hoorde, wil ik ook een lans breken om te kijken naar de lasten en de uitgaven die wij als overheid doen. Dat is natuurlijk een communicerend vat met de belastingopbrengsten. Ik constateer dat de box 3-heffingen dusdanig onredelijk worden dat het gewoon niet meer uit te leggen is. Ik denk ook dat het juridisch niet houdbaar blijft. Dat is mijn punt.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw bijdrage, meneer Baumgarten. Dan geef ik graag het woord aan de heer Beukering.