T04086

Toezegging Positie van jongeren, doenvermogen en implementatie van kan-bepalingen meenemen in evaluaties (36.582)



De staatssecretaris Participatie en Integratie zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van het lid Ramsodit (GroenLinks-PvdA), toe dat bij de voorziene invoeringstoets, de inzet van ervaringsdeskundigen, de monitoring en de evaluatie van de Participatiewet in balans de positie van jongeren in de bijstand wordt meegenomen, waarbij aandacht wordt besteed aan rechtsgelijkheid en proportionaliteit. De staatssecretaris zegt daarnaast toe om bij de evaluaties en de invoeringstoets het doenvermogen van burgers en de implementatie van kan-bepalingen mee te nemen.


Kerngegevens

Nummer T04086
Status openstaand
Datum toezegging 23 september 2025
Deadline 1 januari 2026
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris Participatie en Integratie
Kamerleden mr. dr. A. Ramsodit (GroenLinks-PvdA)
Commissie commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie evaluatie
Onderwerpen Doenvermogen
jongeren
Participatiewet
Kamerstukken Participatiewet in balans (36.582)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/2026, nr. 1 item 8, p. 1-2.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

(…)

“Jongeren lijken in dit wetsvoorstel ongelijk behandeld te worden ten opzichte van volwassenen. Ten eerste door de verplichte zoektermijn van vier weken, die niet geldt voor volwassenen met een kan-bepaling. Ten tweede doordat jongeren onder 21 jaar een veel lagere uitkering ontvangen, omdat die is gekoppeld aan het minimumloon, terwijl hun lasten vergelijkbaar zijn met die van andere volwassenen. Dit raakt direct aan de proportionaliteit en aan de vraag of bestaanszekerheid als grondrecht voldoende is geborgd. Kan de staatssecretaris toezeggen dat de invoeringstoets, de inzet van ervaringsonderzoeken, de monitoring en de periodieke evaluatie van de Participatiewet specifiek voor de doelgroep jongeren de rechtsgelijkheid en de proportionaliteit in beeld brengen?”

(…)

“Wat ook speelt, is dat nog niet helemaal duidelijk is wat dit wetsvoorstel vraagt of meer vraagt van het doenvermogen van burgers. Dit vereist aandacht en inzicht. In dat kader de volgende vragen aan de staatssecretaris. Kunt u toezeggen dat in de invoeringstoets en in de evaluaties ten eerste het vereiste doenvermogen van burgers, evenals de implementatie van de kan-bepalingen, waaronder ook de digitale uitvoeringslasten en de kosten voor de professionaliseringsslag, worden gekwantificeerd? Ten tweede: wordt daarbij ook de noodzakelijke dekking van de in kaart gebracht financiële, personele en digitale impact inzichtelijk gemaakt?”

Handelingen I 2025/2026, nr. 1 item 8, p. 22.

Staatssecretaris Nobel:

(…)

“Dan kom ik bij de uitvoering en evaluatie. De eerste vraag is van mevrouw Ramsodit. Zij vraagt of ik kan toezeggen dat bij de voorziene invoeringstoets, de inzet van ervaringsdeskundigen, de monitoring en de evaluatie van de Participatiewet in balans ook voor jongeren worden bekeken. Mevrouw Ramsodit vroeg met name naar de rechtsgelijkheid en proportionaliteit, of die ook van toepassing zijn binnen deze Participatiewet en of we dat verder willen onderzoeken. Ik kan toezeggen dat we op al deze momenten dat we naar de wet gaan kijken ook de positie van jongeren in de bijstand onder de loep zullen nemen.

Mevrouw Ramsodit vroeg ook of er wordt gekeken naar het doenvermogen van burgers en of de kan-bepalingen en de financiële, personele en digitale impact kwantitatief worden meegenomen in de uitvoeringstoets en evaluatie. Het korte antwoord daarop is: ja. We zullen bij het vormgeven van die toetsen en evaluaties ook deze punten meegeven, want uiteindelijk is het doenvermogen natuurlijk ontzettend belangrijk. We hebben die consequenties voor deze maatregelen in het wetsvoorstel al bekeken. Maar ook in spoor 2 en spoor 3 moeten we daar natuurlijk naar blijven kijken. Het is ook niet zo dat we denken dat de voorstellen die nu voorliggen zonder financiële middelen uitgevoerd kunnen worden. Om die reden hebben we de gemeenten structureel 66 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de uitkeringslasten. Daarnaast ontvangen de gemeenten van 2025 tot 2027 incidenteel 55 miljoen euro voor de implementatie van het voorstel.”

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

“Allereerst dank voor de toezegging die u net deed. Ik wil die nog iets concreter maken. U zei net: we hebben al gekeken naar het doenvermogen van burgers in spoor 1. Maar er zijn nog een aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen waarbij dat doenvermogen ook aan de orde is. Het doenvermogen en het kijken naar de gevolgen daarvan is volgens mij dus geen afgerond onderdeel. Kan ik dat zo begrijpen uit uw antwoord?”

Staatssecretaris Nobel:

“Voor spoor 1 hebben we daar natuurlijk goed naar gekeken, maar dat moeten we ook doen bij de verdere uitwerking van spoor 2 en spoor 3. U stelde terecht dat daar nog geen middelen voor beschikbaar zijn. Dat komt doordat wij nog niet precies weten hoe we die sporen uiteindelijk gaan inrichten. Maar daarbij zullen wij ook het doenvermogen meenemen.”

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

“Misschien moet ik mijn vraag nog even herhalen. In spoor 1, de Participatiewet in balans, staan een aantal haakjes voor ministeriële regelingen en algemene maatregelen van bestuur. Ik kan me niet voorstellen dat voor die onderdelen het doenvermogen al in beeld is.”

Staatssecretaris Nobel:

“Bij alles wat eventueel nog vanuit spoor 1 komt, zal ik het doenvermogen meenemen.”

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

“Dank daarvoor. Dan hebben we dat nu verhelderd.”


Brondocumenten


Historie

  • 23 september 2025
    toezegging gedaan