T04099

Toezegging Kamer informeren over ervaringen met provinciale inbesteding (36.569)



De staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van der Goot (OPNL), toe om de Kamer te informeren over ervaringen met provinciale inbesteding op het moment dat het instrument wordt gebruikt en langere tijd is toegepast.


Kerngegevens

Nummer T04099
Status openstaand
Datum toezegging 28 oktober 2025
Deadline 1 juli 2026
Verantwoordelijke(n) Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Kamerleden drs. A.Sj. van der Goot (OPNL)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen inbesteding
vervoerconcessies
Kamerstukken Initiatiefvoorstel-De Hoop en Olger van Dijk Wet provinciale inbesteding vervoerconcessies (36.569)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/2026, nr. 5, item 3, p. 4

De heer Van der Goot (OPNL):

(…) Verder zou onze fractie graag op de hoogte willen blijven van de werking van dit wetsvoorstel in de praktijk, als het eenmaal aangenomen is; niet om de wet zelf te evalueren, maar wel om de effecten van de wet te monitoren. Dat zeg ik tegen de staatssecretaris. De OPNL-fractie stelt daarom voor dat het kabinet de beide Kamers periodiek informeert over de stand van zaken rond het aanbesteden van provinciale vervoerconcessies en op de tweede plaats over de stand van zaken rond eventuele toepassing van de provinciale inbesteding, waarbij het de signalen van het IPO meeneemt. Een eerste bericht hierover voor beide Kamers ziet onze fractie graag zo snel mogelijk tegemoet. We horen ook graag van de staatssecretaris wanneer hij denkt dat de eerste keer zou kunnen zijn. Daarna ontvangen we graag periodiek vervolgberichten, bijvoorbeeld om de vijf jaar. Is de staatssecretaris bereid deze toezegging te doen?

Handelingen I 2025/26, nr. 5, item 11, p. 12

Staatssecretaris Aartsen:

(…) De heer Van der Goot vroeg mij nog hoe dit wetsvoorstel wordt uitgevoerd. De wet kan wat mij betreft op korte termijn in werking treden; dat moet goed te doen zijn. Provincies kunnen er dan gebruik van maken na een aflopende concessie. Dat zal moeten gebeuren op basis van een zorgvuldige afweging van de risico's en de aandachtspunten.

(…)

De heer Van der Goot (OPNL):

Ik ben in elk geval erg blij met uw opmerking dat deze wet, zodra hij is aangenomen in deze Kamer, natuurlijk op korte termijn in werking kan treden. Maar mijn vraag ging nog iets verder, namelijk in hoeverre de uitvoering ook wordt opgevolgd vanuit het ministerie, zodat de beide Kamers goed geïnformeerd worden over de ontwikkelingen. Kunt u daar nog wat verder over uitweiden?

Staatssecretaris Aartsen:

Ja. In reactie op de motie-Grinwis/Stoffer heb ik aangegeven dat ik bereid ben om het in het eerste kwartaal 2026 op de agenda van het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad te zetten. Maar ik ga geen actieve uitvraag doen naar provincies, of hen stimuleren of ondersteunen, dat zullen zij zelf moeten doen. Zij hebben daar ook prima gremia voor via het IPO. Uiteindelijk hebben we niet heel veel provincies in dit land, dus die weten elkaar over het algemeen ook vrij goed te vinden; gelukkig maar. Nogmaals, wij gaan dat niet actief stimuleren, omdat wij ook zien dat er risico's zitten. Ik heb gewezen op de financiële en de juridische risico's. Ik wil er wel voor waken dat wij als ministerie deze optie nu actief gaan supporten, maar als het dreigt mis te gaan vervolgens te horen krijgen van de provincies dat ze ons om hulp hebben gevraagd en dat die hulp ontoereikend bleek, of dat we de verkeerde informatie hebben gegeven. Wij willen daar dus echt wel zeer terughoudend in zijn.

Handelingen I 2025/26, nr. 5, item 11, p. 15

De heer Van der Goot (OPNL):

(…)

Voorzitter. Ik ben het niet met de staatssecretaris eens dat het ministerie geen enkele rol zou hebben bij de follow-up ten aanzien van dit wetsvoorstel. Natuurlijk hoeft het ministerie de provincies niet actief te stimuleren om gebruik te maken van provinciale inbesteding, want dat is de rol van provincies zelf. Maar we hebben tijdens het debat gehoord dat er juist in de Kamer, ook in deze Kamer, de behoefte is om te weten of dit instrument werkt, ja of nee. En als het niet werkt, hoe krijgen we dan het openbaar vervoer in de regio op peil? Daarom wil ik er toch graag op aandringen dat de staatssecretaris ons, beide Kamers dus, erover informeert of dit wetsvoorstel werkt, ja of nee. Dat hoeft niet elk jaar of elke twee, drie of vier jaar, maar wel periodiek; wij dachten zelf aan eens in de vijf jaar. Ik hoop dat u daar nog nader op wilt reflecteren. Kortom, het gaat niet over stimuleren, maar over informeren of die basisvoorziening werkt.

Handelingen I 2025/26, nr. 5, item 11, p. 21

Staatssecretaris Aartsen:

(…) … dan de bushaltes dichtbij. Zo kan ik nog een aantal andere dilemma's opnoemen die niet heel veel anders zijn, maar die wel ideologisch zijn, die wel die balans kennen tussen publieke voorzieningen, brede welvaart, rendement en wat je wel en niet kan vragen. Dat is een ideologische keuze.

Maar ten aanzien van de vraag in welke vorm je dat wil doen, zou ik vooral willen kijken wat het beste voor de reiziger is. Dan heb ik een wat pragmatischere insteek door te zeggen: de marktwerking functioneert op dit moment over het algemeen goed; laten we kijken waar er problemen zijn. En als je dan ideologisch gaat zeggen dat alles wat de overheid aanraakt, ieder bedrijf dat de afgelopen vijftien jaar door de overheid is gestart, een doorslaand succes is geweest, dan heb ik nog wel een lijstje met zaken waar het tegendeel bewezen is. Dus vandaar dat ik zeg: pas nou op met wat je doet, focus nou op de publieke discussie, want die is, denk ik, goed. Mevrouw Van Aelst-den Uijl gaf het net ook aan: als daar te weinig sturingselementen in zitten, of als in de praktijk blijkt dat … We kunnen er niets aan doen dat Statenleden snel wisselen, maar als dat zo ervaren wordt, dan zul je eens moeten kijken hoe je de publieke sturing wat strakker kunt krijgen. Nogmaals, ik heb nu zelf ervaring met een concessieverlening. Niet alles kan tegelijkertijd. Als je een bepaald budget hebt en je kiest voor A, dan kan je B niet kiezen. Of je moet een ruimer budget nemen, maar dat houdt op een gegeven moment ook ergens een keer op natuurlijk. Dus dan zullen we met elkaar moeten zeggen: hoe ga je die publieke regie beter doen? Maar ik waarschuw dan wel dat je ook verantwoordelijk bent voor de andere kant van die keuzes.

Wat dat pragmatisme betreft werd mij nog een vraag gesteld over het echt ondersteunen daarvan. Maar ik ben daar dus terughoudend in. Uiteindelijk is het een risico dat wordt genomen op het moment dat je politiek besluit om bijvoorbeeld als kleinere provincie een eigen bedrijf te gaan starten. Je loopt een exploitatierisico en financiële risico's. Ik wil daar als rijksoverheid voor uitkijken. Mijn rol daarin is dus beperkt, vanwege die risico's. De heer Van der Goot vroeg mij wel nog of ik de Kamer daarover kan informeren. Vanzelfsprekend ben ik bereid om dat te doen. Laten we dat alleen wel doen op het moment dat het instrument wordt gebruikt en op het moment dat het instrument langere tijd is toegepast, anders is het wat weinig relevant. Dan zullen we ook moeten kijken of de doelstellingen van het wetsvoorstel zijn behaald en of het instrument überhaupt werkt, omdat daar natuurlijk ook een onderscheid in te maken is.


Brondocumenten


Historie

  • 28 oktober 2025
    toezegging gedaan