Behandeling Wet invoering tweestatusstelsel, Asielnoodmaatregelenwet en novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf



Verslag van de vergadering van 13 april 2026 (2025/2026 nr. 25)

Aanvang: 15.44 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel) (36703);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (36704);
  • het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf) (36855).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel) (36703) en het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet). Tot slot is aan de orde de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf)

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik open de beraadslaging en geef het woord aan mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Karimi, ik heb het probleem dat ik voor u geen 45 minuten spreektijd kan intikken. Ik ga het even op een andere manier proberen. Ga uw gang.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. De voorliggende wetsvoorstellen, de Asielnoodmaatregelenwet, de Wet invoering tweestatusstelsel en de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf, grijpen diep in op de rechtspositie van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder geldig verblijfsrecht. Zij hebben verstrekkende gevolgen voor de uitvoering, de rechtsstaat en de navolging van internationale en Europese verplichtingen.

Het nieuwe kabinet en deze minister verdedigen deze wetten zonder voorbehoud. Daarmee nemen zij niet alleen de analyse en voorstellen van ex-minister Faber en de PVV over, maar ook de volledige politieke verantwoordelijkheid voor zowel de inhoud als de gebreken ervan. Zoals Lamyae Aharouay in haar afscheidsessay als politieke verslaggever schreef: "De erfenis van het tijdperk met de PVV als grootste regeringspartij leeft niet alleen voort in ideeën en woorden." Dat zien we scherp terug in deze Faber-wetten die vandaag voorliggen. Het betreft de grootste stelselwijziging in de Vreemdelingewet in 30 jaar en met een keuze voor afschrikking als strategie, met wetten waarvan de effectiviteit niet overtuigend is aangetoond, maar waarvan de schadelijke gevolgen steeds duidelijker worden.

Voorzitter. Wie vandaag deze wetten verdedigt, verdedigt meer dan alleen de inhoud, die neemt ook verantwoordelijkheid voor het proces waarmee zij tot stand zijn gekomen. Dat is een proces waarin adviezen en waarschuwingen van een uitzonderlijk brede groep gezaghebbende instituties, zoals de Raad van State, het College voor de Rechten van de Mens, de Ombudsman, de Kinderombudsvrouw, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, burgemeesters en wethouders, overheidsinspecties, DJI en IND, het COA, Nidos, de politie, de rechtbanken, de advocatuur en maatschappelijke organisaties van VluchtelingenWerk en Amnesty International Nederland tot de Raad van Kerken Nederland en de artsenfederatie KNMG aan toe, consequent terzijde zijn geschoven. Dat is een alarmsignaal over de staat van onze rechtsstaat.

Het is uitzonderlijk dat wetgeving zo veel burgers in beweging brengt om ons te benaderen: van petities en georganiseerde werkbezoeken tot brieven, kaarten en indringende persoonlijke verhalen. Het laat zien hoe diep deze wetten ingrijpen en hoe breed de zorgen in de samenleving zijn. Die zorgen zijn niet abstract. Vanochtend nog organiseerde de Raad van Kerken een wake in de Haagse Kloosterkerk, om te waken, om wakker te zijn wanneer de medemenselijkheid onder druk staat. "Veel van onze kerken en diaconale locaties zijn plekken waar naar barmhartigheid en menselijkheid gezocht wordt. Vanuit deze plekken weten we uit ervaring hoezeer mensen nu reeds in angst leven, zorg mijden en aarzelen om hulp of recht te zoeken. Door deze ontmoetingen en ervaringen krijgt onze zorg extra scherpte en diepte." Zo luidt hun boodschap aan ons.

Voorzitter. Net, nog geen uur geleden, werden de laatste berichten van burgers aan ons overhandigd door een indrukwekkende coalitie van maatschappelijke organisaties, kerken en ketenpartners. Ik dank namens mijn fractie eenieder van hen van harte voor deze enorme inzet. In meer dan 33.000 berichten laten mensen van zich horen. Ik wil er een paar voorlezen. Wat schrijven zij? "Geachte senator, wat zou je je naasten wensen als ze in crisis verkeren, in onveiligheid verkeren? Juist, medemenselijkheid en de kans om weer een bestaan op te bouwen. Laat je hart spreken. Door mensen mee te laten doen en hun capaciteiten te benutten, bereik je een mooiere, liefdevolle samenleving. Uitsluiting veroorzaakt alleen maar rottigheid." Marieke Vliet uit Utrecht.

"Geachte senator, als arts bij de kindergeneeskunde zie ik dagelijks in de praktijk hoe zwaar vluchtelingen het hebben. Het is uitgebreid onderzocht dat deze stress een enorm schadelijke invloed heeft op de gezondheid en ontwikkeling van kinderen, en dit werkt een leven lang door. Daarnaast zou niemand strafbaar moeten zijn door enkel te bestaan in dit land. Ik vraag u daarom met klem tegen deze nieuwe wet te stemmen." Victoria Beunders, Amsterdam.

"Geachte senator, ik vraag u nadrukkelijk om de asielwetten zoals die voorliggen, niet alleen inhoudelijk te behandelen maar vooral te toetsen op uitvoerbaarheid en op de gevolgen van invoering voor de samenleving. Deskundigen verwachten ontwrichting van onze maatschappij. Natuurlijk vraag ik u ook om rekening te houden met de gevolgen voor individuele mensen. Ik wens u veel wijsheid en medemenselijkheid toe." Bert Boetes, Epe.

"Geachte senator, maak van mensen zonder papieren geen opgejaagd wild. Luister naar uw geweten en bescherm de beschaving. Mijn kinderen en ik rekenen op u. Vriendelijke groeten, Bregje van Dommelen, Eindhoven."

Voorzitter. U ziet het, de kaarten liggen op mijn bankje. Voordat ik de inhoud van deze wetten bespreek, wil ik eerst stilstaan bij de vraag over wie we het hier hebben. Mensen vluchten niet omdat regels in Nederland soepel of streng zijn. Mensen vluchten omdat zij moeten vluchten, voor oorlog, vervolging en geweld. Volgens de meest recente cijfers van de UNHCR zijn wereldwijd meer dan 120 miljoen mensen op de vlucht, met een piek van 123,2 miljoen in 2024. In 2025 zijn de cijfers nog altijd op een historisch hoog niveau. De grootste groepen komen uit Syrië, Afghanistan, Sudan, Oekraïne en Venezuela.

Belangrijk is om te benadrukken dat ruim 60% ontheemd blijft in eigen land. Van degenen die wel de grens overgaan, wordt meer dan 70% opgevangen in lage- en middeninkomenslanden, vaak buurlanden die zelf al zwaar onder druk staan. Met de vele oorlogen en conflicten van dit moment, zoals de agressieve en illegale oorlog van de VS en Israël tegen Iran, waarvoor onze regering begrip toont, moeten we vrezen dat deze aantallen verder zullen toenemen. En terwijl wij hier spreken over wetten die bescherming beperken, zien we wat vluchten in de praktijk betekent. Sinds begin april 2026 zijn alleen al op de Middellandse Zee in korte tijd meer dan 180 vluchtelingen omgekomen of vermist geraakt, onder meer bij bootrampen bij Lampedusa en de Turkse kust. Dit zijn geen incidenten; dit is een structurele werkelijkheid waarin mensen bij gebrek aan veilige routes hun leven wagen.

Soms wordt de werkelijkheid zichtbaar op een onverwachte manier. Neem het voorbeeld van Iran. Sinds eind februari hebben bombardementen, boven op de repressie door het regime, het leven voor Iraniërs ingrijpend veranderd. Van een massale uittocht van Iraniërs is nog geen sprake. En toch, één beeld van een vlucht uit Iran bleef bij mij hangen. Volgens een bericht van de NOS van 25 maart jongstleden moest het Nederlandse ambassadeteam onder leiding van ambassadeur Emiel de Bont Teheran halsoverkop verlaten. Bommen vielen op Teheran. Het werd niet meer veilig geacht. Na een onzekere reis over land bleek bij Astara de grens met Azerbeidzjan gesloten. Het team moest uren wachten, zonder zekerheid en afhankelijk van politieke besluiten en geopolitieke grilligheid. Op de foto zien we een zichtbaar gespannen ambassadeur. Dat beeld is veelzeggend. Een westerse diplomaat, met steun en bescherming van een rijk westers land, ervaart al grote onzekerheid bij een gesloten grens.

Eenieder kan in een situatie terechtkomen waarin die op zoek naar veiligheid moet vluchten. Dat kan iedereen overkomen, maar de vluchtelingen over wie wij hier spreken, hebben geen machtige staat achter zich. Veelal worden zij door de staat vervolgd. Zij krijgen te maken met drie grenzen. Dat is eerst de bureaucratische grens: het is vrijwel onmogelijk om een visum te verkrijgen voor een legale route. Dan is er de fysieke grens: de steeds strengere buitengrenzen van Europa, met controles en poespas na een vaak gevaarlijke reis door woestijnen en over de Middellandse zee, mede door repressie in doorreislanden, zoals Egypte, Tunesië en Libië, die met geld en steun van de EU vluchtelingen en migranten buiten Europa moeten houden. En ten slotte is er, eenmaal binnen, de juridische en maatschappelijke grens: strenge asielwetten, lange procedures, onzekerheid, en gezinshereniging die onder druk staat, waardoor mensen jarenlang buiten de samenleving blijven. Daarom klinkt de uitspraak dat "wie een echte vluchteling is, in Nederland bescherming krijgt" steeds holler en eerlijk gezegd ook steeds cynischer.

Voorzitter. Het zal u niet verbazen dat mijn fractie de voorliggende wetsvoorstellen heeft beoordeeld aan de hand van de in deze Kamer zeer welbekende maatstaven: nut en noodzaak, en daarnaast de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wetsvoorstellen. Politiek kan men van mening verschillen over nut en noodzaak, maar het bestaansrecht van deze Kamer is dat de kwaliteit van wetgeving op de punten rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid gewaarborgd blijft. Juist daarop schieten deze voorstellen ernstig tekort. Ik zal aan het einde van mijn betoog uitvoerig ingaan op de strafbaarstelling van illegaliteit.

Wanneer we deze wetsvoorstellen inhoudelijk bekijken, zien we dat die zijn gebaseerd op een ogenschijnlijk helder narratief. De asielketen is overbelast en die overbelasting moet worden bestreden door de instroom te beperken. Daarvoor moet Nederland onaantrekkelijk worden gemaakt, moeten procedures worden versneld en moet terugkeer worden versterkt. Dat vormt de kern van de memories van toelichting, maar juist daar begint de twijfel. Onze fractie heeft steeds gevraagd of het probleem wel juist wordt gedefinieerd. Is er werkelijk sprake van een instroomprobleem of vooral van een opvang-, doorstroom- en capaciteitsprobleem, een probleem dat voortkomt uit jarenlange onderschatting en onderfinanciering, het inkrimpen van de IND en het COA, het sluiten van opvanglocaties, het eindeloze getreuzel rond de Spreidingswet en het vervolgens niet-handhaven daarvan, en het aanwakkeren van verzet tegen opvang vanuit het Binnenhof?

De regering stelt dat de maatregelen naar verwachting invloed hebben op migratiestromen, maar onderbouwt die verwachting niet. Dat raakt de kern van de redenering. De Adviesraad Migratie heeft hierop gewezen. Migratie en vluchtelingenbewegingen worden primair bepaald door oorlogen, conflicten, onderdrukking, bestaande netwerken, regionale instabiliteit en economische dynamiek. Ook de Raad van State stelt dat nut en noodzaak onvoldoende zijn onderbouwd en dat in het debat selectief gebruik wordt gemaakt van internationale voorbeelden. De VNG benadrukt bovendien dat veel problemen juist het gevolg zijn van jarenlang crisisbeleid, kortetermijndenken en onvoldoende financiering van de keten. Met andere woorden, deze wetten worden gepresenteerd als oplossing voor een zelfgemaakte crisis. Een verkeerde diagnose dus, en de voorgestelde behandeling werkt niet. De onderliggende gedachte dat een afschrikwekkend imago van Nederland mensen ervan zou weerhouden om naar Nederland te komen, is niet nieuw. Al decennialang wordt gesproken over een vermeende aanzuigende werking, maar de realiteit is dat wie op de vlucht is voor oorlog, geweld, gevangenschap en marteling, veiligheid zoekt waar die te vinden is.

Voorzitter. Nu de rechtmatigheid van de voorgestelde wetten. Juist hier heeft de Eerste Kamer een bijzondere verantwoordelijkheid. Deze Kamer moet toetsen of wetgeving verenigbaar is met hogere rechtsnormen, of keuzes voldoende zijn gemotiveerd en proportioneel zijn, of grondrechten zorgvuldig zijn gewogen en of de rechtszekerheid is gewaarborgd. Op al deze punten roepen deze wetsvoorstellen ernstige vragen op.

Allereerst de beperking van gezinshereniging. Die is juridisch gezien hoogst kwetsbaar. De voorstellen raken direct aan fundamentele rechten, met name waar het gaat om subsidiair beschermden. Voor hen, net als voor erkende verdragsvluchtelingen, vervalt het recht op gezinshereniging voor ongehuwde partners, meerderjarige kinderen en pleegkinderen. Daarnaast worden cumulatieve voorwaarden ingevoerd: een wachttijd van twee jaar, een inkomenseis en een huisvestingseis. Zelfs alleenstaande minderjarigen moeten aan de inkomens- en huisvestingseis voldoen voordat zij zich met hun ouders kunnen herenigen. Deze maken een gezinshereniging praktisch onmogelijk. Wat resteert, is in veel gevallen slechts een beperkte route via artikel 8 EVRM.

Daarmee rijst de kernvraag hoe deze maatregelen zich verhouden tot het recht op gezinsleven, het non-discriminatiebeginsel en de rechten van het kind. De regering stelt dat dit binnen het EVRM en binnen het Unierecht past, maar de waarschuwingen stapelen zich op. Het College voor de Rechten van de Mens wijst op reële risico's en veel beroep op rechters. VluchtelingenWerk benadrukt de negatieve gevolgen van langdurige gezinshereniging voor integratie en maatschappelijke stabiliteit. De Raad van State stelt dat zulke beperkingen alleen houdbaar zijn als zij proportioneel zijn, goed gemotiveerd en voorzien van een daadwerkelijke individuele belangenafweging. Die overtuigende motivering ontbreekt. Sterker nog, de juridische twijfel neemt toe. Het Belgische Grondwettelijk Hof heeft op 26 februari jongstleden vergelijkbare beperkingen in de Belgische wetgeving geschorst en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Belgische Grondwettelijk Hof wijst op mogelijke strijdigheid met het EU-recht, onder meer vanwege langdurige gezinsscheiding, de rechten van het kind en het onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden. Het Belgische Grondwettelijke Hof vraagt het Europese Hof nu letterlijk of dit soort maatregelen, namelijk wachttijden, inkomenseisen en onderscheid tussen groepen vluchtelingen, nog wel verenigbaar zijn met het recht op gezinsleven en de rechten van het kind.

De Commissie Meijers heeft terecht benadrukt dat deze procedure direct relevant is voor de Nederlandse wetgeving. De vragen die in Luxemburg voorliggen, raken de kern van het ingrijpende onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden, het verbod op discriminatie, het recht op gezinsleven en de plicht tot het prioriteren van het belang van het kind, zoals deze zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de EU. Daarom adviseert de Commissie Meijers de Kamer dat deze onderdelen niet eerder in werking moeten treden dan enige tijd nadat het Hof van Justitie in een arrest heeft geoordeeld of deze wet wel in overeenstemming is met het Unierecht. Het opschorten van deze maatregelen in afwachting van de beantwoording van het Hof van Justitie is niet zozeer een kwestie van fatsoen, als wel een naleving van het Unierechtelijke loyaliteitsbeginsel. Is de minister bereid om dit toe te zeggen?

Dat zelfs de minister twijfels heeft, blijkt uit het voornemen om de nieuwe regels slechts beperkt toe te passen en eerst juridische procedures af te wachten. Vindt de minister dat dit getuigt van deugdelijke wetgeving? Wat betekent dit concreet voor de praktijk? Moeten andere aanvragers jarenlang blijven wachten tot de rechter een uitspraak heeft gedaan?

Tot slot ga ik ervan uit dat de minister de prejudiciële vragen uit België niet bagatelliseert, zoals eerder in de Tweede Kamer is gebeurd. Het is immers het Hof van Justitie dat uiteindelijk de uitleg van het Unierecht bepaalt. Graag een reactie. Ik overweeg hierover in de tweede termijn een motie in te dienen.

Voorzitter. In de schriftelijke beantwoording wekt de regering geregeld de indruk dat de gevolgen van het beperken of afschaffen van gezinsherenigingsrechten beperkt blijven, omdat er altijd nog een beroep kan worden gedaan op artikel 8 EVRM. Wat betekent dat in de praktijk? Het gaat om een individuele en onzekere afweging waarin het staatsbelang zwaar weegt, zonder geborgde bescherming en met een terughoudende toets, een zwaardere procedure, leges en een aanzienlijk zwakkere verblijfsrechtelijke positie. Afhankelijk zijn van een individuele belangenafweging betekent dus jarenlange onzekerheid voor de asielaanvrager. Bovendien zal een individuele toets veel meer capaciteit vragen van de IND, de advocatuur en de rechterlijke macht. Is de minister het met mijn fractie eens dat een beroep op artikel 8 EVRM geen volwaardig alternatief vormt voor een wettelijk recht op gezinshereniging? Voor ongehuwde partners, die in de Nederlandse rechtsorde op veel terreinen juist gelijk worden behandeld aan gehuwde, betekent dit een forse en moeilijk te rechtvaardigen achteruitgang.

Dat geldt in het bijzonder voor mensen uit de lhbtq+-gemeenschap, die vaak al vervolging hebben meegemaakt in hun landen van herkomst en in Nederland opnieuw in onzekerheid belanden. Voor meerderjarige afhankelijke kinderen en pleegkinderen kan dit ertoe leiden dat gezinnen feitelijk blijvend gescheiden raken. Wie stelt dat artikel 8 EVRM dit opvangt, reduceert een recht tot een noodvoorziening. Graag een reactie van de minister.

Daarnaast is de positie van kinderen onvoldoende gewaarborgd. In vrijwel alle adviezen die wij hebben ontvangen, wordt gewezen op de schadelijke gevolgen van langdurige gezinsscheiding. Nidos benadrukt de impact op de ontwikkeling van kinderen en VluchtelingenWerk Nederland wijst erop dat juist jonge kinderen, afhankelijke meerderjarige kinderen en pleegkinderen buiten beeld raken of in onveilige situaties achterblijven. Ook het Belgische Grondwettelijk Hof heeft gewezen op het belang van artikel 24 van het EU-Handvest en het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin is vastgelegd dat het belang van het kind een eerste overweging moet zijn. De vraag is dan ook eenvoudig. Is dat hier daadwerkelijk het geval? Mijn fractie meent van niet. Waarom denkt de minister dat deze wetgeving bij de rechter stand zal houden?

Ook bij wijzigingen in de procedure zijn er ernstige rechtmatigheidsvragen. De afschaffing van de rechterlijke dwangsom is daarvan een voorbeeld. De Raad van State heeft eerder geoordeeld dat dit in strijd is met het Unierecht wanneer er geen adequaat alternatief bestaat om tijdige besluitvorming af te dwingen. Is de minister het met ons eens dat een alternatief op dit moment ontbreekt? Daarnaast tast het ontbreken van overgangsrecht de rechtszekerheid aan. De nieuwe regels krijgen onmiddellijke werking, ook voor lopende aanvragen. Dat is ongebruikelijk bij ingrijpende wijzigingen in de Vreemdelingenwet. Hierdoor kunnen tienduizenden mensen die al lange tijd in procedure zitten, ineens onder zwaardere regels gaan vallen. Mensen die al maanden of jaren wachten door vastgelopen procedures, zien hoe hun rechtspositie plotseling verslechtert. Dat raakt de rechtszekerheid direct. Het argument dat onmiddellijke werking noodzakelijk is vanwege de druk op het systeem overtuigt niet. Integendeel, het vergroot de kans op vertraging en juridische onzekerheid. Het risico op verdere procedurele chaos is daarmee reëel.

Voorzitter. Zelfs wie de rechtmatigheid wil laten afhangen van toekomstige rechterlijke uitspraken, kan niet om de uitvoeringsrealiteit heen. Vrijwel alle betrokken organisaties in de asielketen, bij gemeenten en in de maatschappelijke ondersteuning zijn eensgezind: deze wetten vergroten de problemen in plaats van ze op te lossen.

Allereerst ontlast de wetgeving de keten niet, maar verzwaart zij de keten. Waar de regering spreekt van verlichting, leiden de voorstellen in de praktijk tot meer beoordelingen, meer procedurele stappen, meer bezwaar en meer beroep en dus tot meer druk op een al overbelaste uitvoering. De IND heeft duidelijk gemaakt dat verkorting van de verblijfsduur en het afschaffen van een permanente status juist tot structureel meer herbeoordelingen en rechtszaken leidt. Tegelijk vergen de nieuwe regels, met name die rond gezinshereniging, grote aantallen extra fte's, zonder dat duidelijk is of die capaciteit überhaupt beschikbaar komt. Dit is uitvoering op krediet, zonder dekking. Graag een reactie van de minister.

Ook de procedurele wijzigingen dreigen averechts te werken. Het schrappen van de voornemenprocedure, een belangrijk instrument voor zorgvuldige besluitvorming, kan ertoe leiden dat fouten niet vooraf maar pas bij de rechter worden gecorrigeerd. Volgens VluchtelingenWerk wordt circa 10% van de voorgenomen afwijzingen alsnog ingewikkeld. Door deze stap weg te nemen, neemt het risico op onterechte afwijzingen en langere procedures toe, evenals de druk op de rechtspraak en op de IND, die in de rechterlijke procedures moet investeren en eventueel een nieuw besluit moet nemen. De IND verwacht dit deels op te vangen met kwaliteitsverbeteringen: filters, de inzet van geautomatiseerde systemen en artificial intelligence. Maar dat roept nieuwe vragen op. Systemen moeten uitlegbaar en controleerbaar zijn en mogen menselijke beoordeling niet vervangen. De vraag is dus niet alleen of dit tijd oplevert, maar ook of de zorgvuldigheid niet verder onder druk komt te staan. Daarnaast belemmert de onzekere verblijfspositie integratie. Het verkorten van de verblijfsduur en het afschaffen van de permanente status worden gepresenteerd als stimulans, maar dit miskent de realiteit. Taalverwerving kost tijd. Veel vluchtelingen kampen met trauma's, verhuizen vaak, ervaren discriminatie op de arbeidsmarkt en hebben te maken met een stroef integratie- en inburgeringsstelsel. Gemeenten bevestigen dat onzekerheid integratie en arbeidsparticipatie belemmert. Waarom zou een werkgever trouwens investeren in iemand die mogelijk binnen enkele jaren moet vertrekken? Onzekerheid werkt in de praktijk ontwrichtend. Bovendien zijn beide maatregelen op geen enkele manier een noodzakelijk gevolg van het EU-Asiel- en Migratiepact of andere EU-regels. Het gaat dus om vrijwillige besluiten die zowel meer toetsingscapaciteit kosten als een zware wissel trekken op de integratie en participatie van asielstatushouders.

Verder worden de gevolgen afgewenteld op gemeenten. Een hogere druk op de IND betekent vollere opvanglocaties en meer noodopvang. Het beperken van gezinshereniging belemmert doorstroom op een toch al krappe woningmarkt. Langdurige scheiding vergroot de druk op maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en welzijnswerk. Een onzeker verblijfsrecht maakt gemeenten terughoudender in huisvesting en zonder perspectief op vertrek neemt dakloosheid toe. Gemeenten zijn duidelijk: deze wetten helpen niet, maar verergeren de problemen. Dat blijkt ook uit recente oproepen van de VNG, een gezamenlijke brief van wethouders uit Amsterdam, Utrecht, Groningen, Den Haag en Eindhoven en, nogmaals, de oproep van het G40-stedennetwerk aan ons in aanloop naar vandaag. Hoe kan de minister zo onverschillig blijven ten opzichte van de oproepen vanuit het lokaal bestuur, terwijl hij het zo dringend nodig heeft voor de opvang en integratie van vluchtelingen in onze samenleving? Ook het ontbreken van overgangsrecht leidt tot uitvoeringsproblemen. Lopende zaken moeten opnieuw worden beoordeeld met nieuwe eisen en afwegingen. Dat veroorzaakt extra druk bij de IND en de rechtspraak en vergroot voor betrokkenen de onzekerheid en wachttijden. We horen van de minister geen gedegen reactie op deze bezwaren.

Voorzitter. Dan de handhaafbaarheid. Die gaat niet alleen over de vraag of regels formeel kunnen worden gehandhaafd, maar over de vraag of zij in de praktijk bijdragen aan hun doel, uitvoerbaar zijn en geen willekeur of schadelijke neveneffecten veroorzaken. Juist op dat punt schiet met name de strafbaarstelling van illegaliteit, illegaal verblijf, tekort. Zo kom ik bij het onvoorstelbaar onbarmhartige plan van strafbaarstelling van onrechtmatig verblijf, een voorstel dat grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt. Deze maatregel raakt mensen die al in kwetsbare omstandigheden leven en proberen te overleven aan de randen van de samenleving. Strafbaarstelling drijft hen verder in het nauw. Wie strafbaar is, zoekt geen hulp meer. Angst voor vervolging leidt ertoe dat mensen geen medische zorg zoeken, geen aangifte doen wanneer hun onrecht wordt aangedaan en uit beeld verdwijnen. Het maakt het bovendien moeilijker om hen te begeleiden naar terugkeer of naar een verblijfsrecht waarmee de situatie van illegaliteit zou worden opgeheven.

De signalen uit de praktijk zijn indringend. Tijdens het werkbezoek van een aantal fracties aan het Wereldhuis in Den Haag hoorden wij van hulpverleners aan ongedocumenteerden dat mensen nu al bang zijn om hulp te zoeken. Er werden schrijnende verhalen gedeeld van mensen die te lang met ziektes rondlopen, slachtoffers die zwijgen en vrouwen die in situaties van geweld en uitbuiting blijven en geen hulp vragen of aangifte doen. Strafbaarstelling vergroot hun kwetsbaarheid en maakt hen onzichtbaarder, terwijl juist zicht nodig is om problemen aan te pakken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hulpverleners en kerken spreken over een aantasting van de medemenselijkheid. Gemeenten en hulporganisaties waarschuwen dat mensen zonder verblijfsrecht minder contact zullen zoeken met autoriteiten en instellingen, met meer dakloosheid, gezondheidsproblemen en mogelijke overlast tot gevolg.

Zoals ook de Raad van State heeft opgemerkt, is dit voorstel onzorgvuldig tot stand gekomen en ontbreekt een overtuigende onderbouwing van nut en noodzaak. De minister stelt dat strafbaarstelling een norm stelt en grip op migratie versterkt, maar die redenering wordt niet onderbouwd en niet gedeeld door de praktijk. Het Openbaar Ministerie, de politie, gemeenten en maatschappelijke organisaties zien hierin geen oplossing. Integendeel, zij zien juist problemen. Ook de effectiviteit is niet aangetoond. Het is niet aannemelijk gemaakt dat deze maatregel bijdraagt aan terugkeer, terwijl bestaande bestuursrechtelijke instrumenten al beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is het vervolgingsbeleid nog onduidelijk en afhankelijk van het Openbaar Ministerie. En de minister blijft maar roepen dat we geen jacht gaan maken op illegalen. Dat roept de vraag op wat hiermee daadwerkelijk wordt bereikt.

In de uitvoering stapelen de problemen zich op. Handhaving vraagt capaciteit die er niet is en leidt tot verdringing van andere taken, zoals ook door de politie is benadrukt. Prioritering wordt daardoor problematisch en het risico op herhaalde detentie zonder perspectief op terugkeer is reëel. Dat geldt in het bijzonder voor mensen die niet kunnen terugkeren of geen land hebben om naar terug te keren, zoals staatlozen, die daarmee feitelijk permanent in angst voor vervolging moeten leven. Ook de Dienst Terugkeer en Vertrek en andere ketenpartners worden hierdoor afgeleid van hun kerntaken.

Daarnaast is er fundamentele juridische kritiek. Naast vele praktijkorganisaties, kerken en lokale bestuurders hebben ook juristen zich uitgesproken. Zo wees Ybo Buruma, voormalig raadsheer van de Hoge Raad, er recentelijk op dat deze strafbaarstelling botst met de basisprincipes van het strafrecht. Hij benadrukt dat een strafbaar feit een menselijke gedraging vereist en dat je niet strafbaar kunt zijn om wie je bent. Bij het voorgestelde artikel 108a wordt dat uitgangspunt losgelaten. Mensen worden strafbaar gesteld omdat zij hier zijn en blijven, zonder dat er sprake is van een schadelijke handeling. In zijn woorden: strafbaarstelling omdat je een sans-papiers bent, betekent dat we jou zonder meer straffen omdat we jou hier niet moeten. Vervolgens vraagt hij zich terecht af: wat is de volgende groep die we hier zonder nadere reden niet moeten en die we strafbaar stellen omdat de leden ervan niet vertrekken? Wil de minister deze vraag beantwoorden?

Pas na aanneming van het amendement van de PVV werd bovendien duidelijk hoe verstrekkend de gevolgen zijn: ook hulpverleners zouden strafbaar kunnen zijn als medepleger of medeplichtige. De voorliggende novelle probeert dit te ondervangen, maar laat belangrijke onduidelijkheden bestaan, met name in relatie tot hulp aan mensen met een ongewenstverklaring of inreisverbod. Door de verruiming daarvan neemt ook het risico voor hulpverleners toe.

Zelfs een kerkbestuur of vrijwilligersorganisatie die onderdak biedt, kan onder omstandigheden strafrechtelijk worden vervolgd, omdat de bestaande strafbepalingen, zoals artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht over mensensmokkel en artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht over criminele organisaties onverkort van kracht zijn. Hoewel de novelle beoogt hulpverleners uit te zonderen, blijft de onzekerheid dus bestaan. De grenzen zijn onduidelijk en de risico's blijven aanwezig. Dat schaadt de rechtszekerheid en belemmert de praktische uitvoerbaarheid van basale hulp en opvang. Bovendien, zo vertelden hulpverleners mij vanochtend tijdens de wake in de Kloosterkerk, doet het psychisch iets met je als je voortdurend moet bedenken dat je mogelijk iemand helpt bij het plegen van een strafbaar feit, bij een misdrijf. Kan ik straks nog wel op een verjaardag vertellen wat ik doe, was de vraag van een van hen. Kan de minister die vraag beantwoorden? Een breed netwerk van lokale voorzieningen, kerken en maatschappelijke organisaties wordt daarmee in een juridisch grijs gebied geplaatst. Ik vraag de minister om helder uiteen te zetten wat de reikwijdte is van de strafbaarheid van hulpverlening, mede in het licht van de verruiming van de ongewenstverklaring, de strafbaarstelling van illegaal verblijf en het inreisverbod.

Voorzitter, ik kom tot een afronding. De structurele oorzaken van de problemen in de asielketen blijven grotendeels onaangeroerd. Het gebrek aan stabiele opvangcapaciteit, capaciteitsproblemen bij de IND, vastlopende huisvesting, gebrekkige doorstroom en een voortdurende miskenning van het lokaal bestuur: deze wetten lossen die systeemproblemen niet op, maar verplaatsen, verergeren en verharden die. Daarom herhaal ik de oproep van de VNG aan de collega's: stem alleen in met wetgeving die aantoonbaar uitvoerbaar is voor de asielketen en gemeenten, financieel en juridisch consistent is ingericht en is ingebed in een stelsel dat doorstroom en integratie bevordert. Deze wetten zijn dat duidelijk niet. Deze wetten dienen een politiek doel, dat ver af staat van hoe mijn fractie vindt dat wij met kwetsbare mensen moeten omgaan. Wij staan voor deugdelijk bestuur, dat echte oplossingen biedt voor echte problemen. Wij lopen niet met open ogen een fuik in van onrechtmatige, onuitvoerbare en onbarmhartige wetgeving. Met deze wetten wordt het gedachtegoed van radicaal rechts verder genormaliseerd en verankerd in wetgeving. In de woorden van Lamyae Aharouay: "Een verschuiving in de geschiedenis hoeft niet groots en abrupt te zijn, het zijn de kleine stapjes waar we op moeten letten."

Voorzitter. We zijn uiteraard heel geïnteresseerd in de beantwoording van de minister.

De heer Lievense i (BBB):

Het is inderdaad een heel betoog. Het is een hele voorbereiding geweest, uiteraard ook voor mijn fractie. Het is zelfs een voorbereiding die ver teruggaat in jaartallen, bewindspersonen, regeringen en noem het maar op. Ik heb bewust gewacht tot het einde van het betoog. Ik dacht: ik wacht eerst het hele betoog af om te horen of de vraag dan nog blijft staan. Ik hoorde mevrouw Karimi in het betoog spreken over "een zelfgemaakte crisis". Daar sla ik eigenlijk wel op aan, die "zelfgemaakte crisis". Het is een crisis die eigenlijk al sinds 2015 bestaat en waardoor er uiteindelijk ook op Europees niveau de aanloop is geweest naar het Migratiepact, dat in 2020 is gaan lopen. Nu liggen bij deze Kamer de uitvoeringswetten daarvan. Overigens is dat Migratiepact jaren geleden al aangenomen. Ik kom tot mijn vraag, voorzitter. Heel veel collega's hier zitten natuurlijk ook in andere functies, in andere parlementaire functies. Ik zag natuurlijk in mijn voorbereiding ook veel GroenLinks-Partij van de Arbeid voorbijkomen. Ik zag ook een inbreng van mevrouw Karimi voorbijkomen, vooral op het Migratiepact. Toen dacht ik bij mijzelf: als ik deze asielwetten naast het Migratiepact leg, dan zit zo'n 60% tot 80% daarvan, of in ieder geval iets wat erop lijkt, ook in dat Migratiepact. Kan mevrouw Karimi dan eens namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid een reflectie geven op de bijdrage van haar fractie in de afgelopen zes jaar aan de totstandkoming van dat pact, dat in juni in werking gaat treden?

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik probeer de vraag te begrijpen, maar dat is een beetje moeilijk. Is de vraag wat mijn fractie de afgelopen zes jaar met het pact gedaan heeft? Ja? Het pact is een pact van tien wetgevingselementen, dus negen verordeningen en één richtlijn, die in Europa zijn afgesproken. Daar heeft het Europees Parlement natuurlijk, met ook de fracties van GroenLinks en Partij van de Arbeid, eerst afzonderlijk en later gezamenlijk, posities over ingenomen. Daar hebben de facties over gestemd, soms voor en soms tegen bepaalde onderdelen van het pact. Het pact is nu eigenlijk zover dat het door nationale staten met invoeringswetten, implementatiewetten, geïmplementeerd moet worden, en 12 juni gaat het in werking treden. De implementatiewet is in de Tweede Kamer geweest en wij hebben 'm nu in behandeling genomen. Nederland heeft een aantal nationale koppen op dat Migratiepact gezet, onder andere betreffende onderwerpen waar wij vandaag over spreken, bijvoorbeeld gezinsherenigingsmaatregelen rondom niet-statushouders subsidiair niet-beschermden. Ik heb nu geprobeerd duidelijk te maken hoe we daarin staan. Dan weet u het dus. Dat is ook een van de redenen waarom in de Tweede Kamer de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid tegen heeft gestemd. Als dat de vraag was, denk ik dat …

De heer Schalk i (SGP):

Mevrouw Karimi heeft in haar betoog een heleboel zorgen geuit, ook een aantal zorgen die ik herken of die ik gehoord heb. Ik was ook onder anderen in het Wereldhuis. Ik wou echter zomaar een paar onderwerpen benoemen waarvan ik denk dat daarover in de schriftelijke rondes vrij stevig doorgevraagd is. Heeft dat dan niet de zorgen enigszins weggenomen? Denk bijvoorbeeld aan ongehuwde partners. Daar zijn in de schriftelijke ronde vragen over gesteld. De regering geeft aan dat datgene wat in andere landen geldend recht is meegewogen wordt, dus als mensen inderdaad in bijzondere situaties zijn. Denk aan de zorgen van mensen in de zin van "kunnen wij zo meteen nog wel gebruikmaken van het zorgsysteem hier in Nederland?" en dergelijke. Denk ook aan de vraag: hoe zit het nou zo meteen met de hulpverleners? Daar zijn zulke heldere antwoorden op gegeven. Zou je niet op een gegeven moment kunnen zeggen: laten we dit debat nou gebruiken om het nog een keer goed te laten bevestigen door de minister? Dan hebben we namelijk de wetsgeschiedenis eigenlijk rondgemaakt. Dat is een vraag aan mevrouw Karimi.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Dat is inderdaad zo; we hebben echt honderden vragen gesteld. Ik moet zeggen dat ik niet altijd overtuigd ben door de antwoorden die wij gekregen hebben. Er zijn heel vaak concrete vragen gesteld en in plaats van concrete antwoorden kwamen er meningen van de regering en een heleboel verwachtingen, hoop en wensen. Dat heeft ons dus in heel veel gevallen niet overtuigd. Dat is het eerste punt dat ik wil maken. Het tweede punt is het volgende. U heeft het over het voorbeeld van de ongehuwde partners. Daarover zegt de regering dat daar bijvoorbeeld artikel 8 EVRM gebruikt kan worden. Daar ben ik juist heel uitgebreid op ingegaan. Artikel 8 van het EVRM kan niet een recht vervangen. Je kunt er een beroep op doen, maar de regering kan dan een afweging maken van de belangen van de Staat ten opzichte van bijvoorbeeld het belang van één individu. Dat is dus geen recht. Dat is een noodsituatie. Het is dus niet vergelijkbaar.

En dan over het gebruikmaken van bijvoorbeeld zorg. Inderdaad heeft in Nederland iedereen recht op zorg. Maar u was met mij in het Wereldhuis. U heeft ook mensen gehoord die directe hulp verlenen. Zij hebben verteld dat de mensen nu al bang zijn en er geen gebruik van maken. Mensen hebben niet altijd de juiste informatie. Gezien het gesprek dat wij in het Wereldhuis hadden, denk ik dat een van uw punten gaat zijn hoe er beter geïnformeerd kan worden. Betere informatie is prima, maar dat neemt de zorg van mensen niet weg, omdat het juist mensen zijn die niet zo makkelijk te bereiken zijn, die niet zo makkelijk informatie kunnen krijgen. Op het moment dat er tegen jou gezegd wordt dat jij, om wie je bent, namelijk iemand hier in Nederland, eigenlijk geen recht hebt om hier te zijn en dat je daardoor per definitie strafbaar bent, dan word je echt heel voorzichtig en ben je bang om een beroep te doen op zorg of andere hulp. Dat is de kern van de zorg van hulpverleners.

Dan het laatste punt, over hulpverleners. Ik heb inderdaad heel veel vragen gesteld om dat scherp te krijgen, maar de regering blijft maar zeggen: ja, nee, dat kan. Maar als je weet of er weet van kan hebben dat iemand bijvoorbeeld een inreisverbod heeft of ongewenst verklaard is, kun je vervolgd worden.

De heer Schalk (SGP):

Ik denk dat we niet alle punten heen en weer moeten uitpellen. Ik snap de zorgen van mevrouw Karimi en ik snap ook dat die er in de samenleving zijn. Ik denk dat we dit debat moeten gebruiken om die in ieder geval op het juiste level te krijgen, zodat we hopelijk klip-en-klaar van de minister te horen krijgen hoe het er echt voor staat. Maar misschien kan hij ook toezeggen te kijken op welke manier je de informatievoorziening veel beter kunt krijgen, zodat mensen weten dat, als ze uitgebuit worden of gechanteerd of wat dan ook, ze gewoon naar de politie kunnen, en dat ze geholpen kunnen worden als ze ziek zijn. Ik was onder de indruk van dat prachtige werk in het Wereldhuis. We kunnen hen volgens mij veel beter helpen door goede informatie te geven dan door hen nog bezorgder te maken. Dat zou mijn oproep zijn: laten we gezamenlijk aan de minister vragen om met heldere teksten te komen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega deze vragen aan de minister gaat stellen. Het zijn zeker goede vragen om te stellen. Maar het is natuurlijk gek om te zeggen: eerst gaan we hier een wet aannemen — ik hoop dat we dat niet gaan doen, maar stel je voor dat die onverhoopt wordt aangenomen — waar heel duidelijk in de wettekst staat dat iemand strafbaar is omdat hij hier is zonder verblijfsrecht, en eromheen gaan we mensen die heel moeilijk bereikbaar zijn informeren dat zij naar de dokter mogen als ze ziek zijn. Ik denk dat dat niet de manier is waarop wij de wetgeving hier moeten behandelen.

Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):

Mevrouw Karimi heeft een heel bevlogen relaas gehouden. Zo kennen we haar ook. Ik wil het even concreet maken op één punt. Heel veel zorgen die mevrouw Karimi heeft, hebben wij ook. Die zullen wij straks ook adresseren. Aan het eind zegt mevrouw Karimi: stel dat deze wet onverhoopt wordt aangenomen, dan kan dat wat ons betreft nooit zijn zonder invoeringstoets. Als ik straks een motie maak om een invoeringstoets te doen indien deze wet wordt aangenomen, staat de handtekening van mevrouw Karimi dan ook onder die motie?

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik wil er echt alles aan doen om ervoor te zorgen dat deze wet niet aangenomen wordt. Echt. Ik zie wat het totale pakket alles bij elkaar in de samenleving teweeg heeft gebracht. Ik ken mevrouw Van Toorenburg als iemand die hier altijd als eerste over de uitvoering staat te praten. Als we kijken wat wij van de uitvoeringsorganisaties te horen krijgen, dan kan ik me niet voorstellen dat een invoeringstoets een antwoord zou zijn op de zorgen die zij nu al hebben. Zij maken heel duidelijk dat ze deze wetten eigenlijk niet zien zitten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik had een heel concrete vraag. Dit is geen antwoord op mijn vraag. Ik begrijp de zorgen van mevrouw Karimi. Die heeft ze gedeeld. Die heb ik ook. De vraag is: als deze wet wordt aangenomen, vereist Partij van de Arbeid-GroenLinks dan ook een invoeringstoets? Of is het dan oké?

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb volgens mij als antwoord gegeven, namens GroenLinks-PvdA — eigenlijk Progressief Nederland — dat we er op dit moment alles aan willen doen om leden van deze Kamer ervan te overtuigen dat deze wetten niet aangenomen moeten worden. U weet net als ik dat wij geen als-danvragen beantwoorden. Wij zien uw motie verschijnen. Daarna gaan we in de fractie bekijken of we die kunnen steunen of niet.

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Dank voor uw bevlogen betoog, via de voorzitter aan mevrouw Karimi. Feit één: slechts 20% van de uitgeprocedeerde asielzoekers keert terug. Feit twee: 50% tot 75% van de asielzoekers in Nederland krijgt een verblijfsvergunning. Feit drie: het is een aanname dat tussen de 30% en 37% economische vluchteling is. Erkent mevrouw Karimi en erkent Partij van de Arbeid-GroenLinks deze feiten? Dat is de eerste vraag. Twee. Vindt u werkelijk dat we al die mensen volledige bescherming en zorg moeten blijven geven? Zo niet, waar legt u dan de grens? Zo ja, hoe gaat u dat betalen en uitvoerbaar houden?

De voorzitter:

Twee vragen. En: het is "GroenLinks-PvdA".

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

De cijfers zijn de cijfers. Daar ga ik geen discussie over voeren. We zeggen niet dat iedereen die hier komt recht heeft op asiel. Dat hebben we nooit gezegd. Daar hebben we een procedure voor. Daar kijken we naar. Wie mag blijven, blijft. Voor wie niet mag blijven, wordt aan vertrek gewerkt. Dat is eigenlijk het verhaal. Deze wetten maken het veel moelijker en zwaarder voor de asielzoekers, voor de uitvoerende organisaties en voor de gemeenten, met de bedoeling om de instroom te beperken. Dat is eigenlijk wat de memorie van toelichting zegt. Ons punt is: met deze wetten maak je het heel erg moeilijk voor de vluchtelingen, voor de uitvoerende organisaties en voor de hulpverleners. Eigenlijk kun je de instroom niet beperken. Stel je voor: morgen vluchten miljoenen mensen uit Iran. Gaan zij kijken of hun in Nederland een permanente vergunning wordt gegeven of niet? Denkt u werkelijk dat mensen zo denken als op de vlucht zijn? Nee, zo denken zij niet.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

Zeer kort, als u me toestaat, mevrouw de voorzitter. Er blijft dus toch wel een probleem qua uitvoering. Als mevrouw Karimi deze feiten erkent, als zij de echte, echte, echte vluchtelingen wil blijven opvangen en als zij ook de illegalen tijdelijk wil opvangen zodat ze snel terugkeren naar het land van herkomst, dan daag ik haar uit om tot oplossingen te komen; betaalbare en uitvoerbare oplossingen alstublieft.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Weet u, meneer Walenkamp, ik ben al heel lang met dit dossier bezig. We hebben de afgelopen tijd van alles gedaan. Bijvoorbeeld bezuinigingen op opvang, terwijl het COA zei: doet dat niet. Bezuinigingen op de IND, terwijl men zei: doe dat niet. Men deed het. En achteraf gaan we hotels inhuren en gaan we boten inhuren. Hartstikke duur! Die voorzieningen kosten veel geld, terwijl structurele opvang veel goedkoper is. Dat is de zelfgemaakte crisis waar ik het over heb.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Vandaag behandelen we drie wetten die op dit moment eigenlijk al achterhaald zijn. Enkele jaren geleden was het de bedoeling van minister Faber om deze wetten met een kunstgreep met grote snelheid buiten het parlement om in te voeren. Ze riep een crisis uit. Het noodrecht zou van toepassing zijn. Gelukkig wist de Eerste Kamer dat te voorkomen.

Deze drie wetten lopen deels vooruit op de invoering van het Europees Asiel- en Migratiepact. De vorige minister had zo'n haast dat ze daar niet op kon wachten. In 2024 konden we ons daar misschien nog iets bij vooropstellen, maar nu, in april 2026, zien wij de noodzaak van het invoeren van deze wetten niet meer. Over nog geen twee maanden moet het Europees Asiel- en Migratiepact geïmplementeerd zijn. Kan de minister uitleggen waarom deze wetten nu moeten worden behandeld, terwijl we over een paar weken de implementatiewet bij het pact gaan bespreken? Waarom heeft de minister deze wetten niet ingetrokken wegens overbodigheid?

Voorzitter. Wat daarvan zij, mijn fractie houdt deze wetsvoorstellen vandaag tegen het licht van de proportionaliteit, de doelmatigheid en de uitvoerbaarheid. Anders gezegd: gaan deze wetten doen wat ze beloven, namelijk de rust in de asielketen terugbrengen, en zijn ze uitvoerbaar?

In de memories van toelichting bij beide wetten leest mijn fractie dat deze wetsvoorstellen maatregelen bevatten die als doel hebben de instroom te verlagen. Als eerste merk ik op dat de enorme instroom, waarover in de memorie van toelichting bij de Wet invoering tweestatusstelsel wordt gesproken, door de feiten wordt genuanceerd. Vanaf 2023 was het aantal eerste asielaanvragen per hoofd van de bevolking in Nederland lager dan het EU-gemiddelde, en lager dan de aantallen in onze buurlanden België en Duitsland. Het is dus niet zo dat Nederland een hogere instroom heeft dan onze buurlanden of de landen van de Europese Unie als geheel, zoals vaak wordt gesuggereerd. Kan de minister daarop reageren?

Voorzitter. Mijn fractie betwijfelt of de maatregelen die in deze wetsvoorstellen worden voorgenomen inderdaad zullen bijdragen aan een lagere instroom. De leidende gedachte achter veel van deze maatregelen is dat Nederland minder aantrekkelijk moet worden voor asielzoekers. Maar onderzoek laat zien dat asielzoekers het liefst kiezen voor een land waar familie of landgenoten wonen. Dat maakt een land aantrekkelijk, en niet direct de geldende regels.

Daarbij komt dat de minister in de schriftelijke voorbereiding van dit debat erkende dat de asielinstroom in belangrijke mate afhankelijk is van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. Zweden, dat door de minister meerdere keren als voorbeeld wordt gebruikt, heeft de instroom weliswaar kunnen verlagen, maar de regering kan niet onderbouwen welke maatregelen daaraan hebben bijdragen. Waarop baseert de minister de overtuiging dat deze wetsvoorstellen de instroom van asielzoekers zullen verlagen?

In het coalitieakkoord van het kabinet is afgesproken dat het de ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Deze wetsvoorstellen — dat geldt ook voor de implementatiewet bij het Asiel- en Migratiepact — bevatten echter nieuwe koppen op Europees beleid. Daarbij denkt mijn fractie in dit bestek vooral aan het tweestatusstelsel. Hier voegt het kabinet immers een stevige kop toe aan de Europese regelgeving. De regering heeft bij herhaling gezegd dat het Migratiepact vereist dat er een tweestatusstelsel wordt ingevoerd waarin vluchtelingen anders worden behandeld dan subsidiair beschermden. Na schriftelijke vragen van mijn fractie bleek dit een halve waarheid te zijn. Het is immers niet verplicht om beide statussen verschillend te behandelen. De situatie zoals die nu in Nederland bestaat, komt daarmee al dicht bij de situatie die het pact voorschrijft.

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om een tweestatenstelsel te introduceren volgens de minimumnormen van het pact met inhoudelijk geen of zo min mogelijk onderscheid? Het is immers de verwachting dat veel vreemdelingen die een status als subsidiair beschermde krijgen, in beroep zullen gaan om de vluchtelingenstatus te krijgen. Begrijpelijk, want deze subsidiaire status betekent voor hen in vergelijking met de vluchtelingenstatus een schrijnende extra beperking van de mogelijkheid tot gezinshereniging. Deze beroepszaken zullen een grote druk op de uitvoering leggen. De IND gaat er zelfs bij een laag scenario al van uit dat 75% van de subsidiair beschermden in beroep gaat, zo blijkt uit de uitvoeringstoets. Kan de minister hierop reageren?

Mevrouw Karimi had het er al over, maar ik vraag er ook aandacht voor: het Belgische Grondwettelijk Hof heeft recent prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Belgische hof vraagt zich af of grote verschillen in de voorwaarden voor gezinshereniging tussen vluchtelingen en mensen met subsidiaire bescherming verenigbaar zijn met het unierecht. Kan de regering toezeggen om, zoals de Commissie Meijers de Eerste Kamer heeft geadviseerd, de bepalingen over het tweestatusstelsel in elk geval niet eerder in werking te laten treden dan drie maanden na de beantwoording van deze vragen door het Hof van Justitie.

Voorzitter. Of je nu een A-status of een B-status krijgt, gezinshereniging wordt met deze wetsvoorstellen alleen mogelijk voor het zogenaamde kerngezin. Mijn fractie vindt dat moeilijk te begrijpen. Een statushouder die een relatie heeft die in het land van herkomst niet wordt erkend, bijvoorbeeld omdat daar op homoseksualiteit strenge straffen staan, en daardoor simpelweg nooit heeft kunnen trouwen, moet volgens het kabinet dan maar op grond van artikel 8 EVRM om gezinshereniging vragen.

Gezinsherenigingsaanvragen op grond van artikel 8 EVRM, zo antwoordde de minister op schriftelijke vragen van mijn fractie, zijn in de regel complexe en tijdsintensieve aanvragen, ook omdat de beslissing op dit soort aanvragen een individuele belangenafweging vergt waarvoor geen vast omlijnd toetsingskader geldt. Met andere woorden, mensen die in hun thuisland gediscrimineerd en mogelijk vervolgd worden vanwege hun seksuele voorkeur, worden geconfronteerd met een procedure die zwaarder is dan die voor heteroseksuele personen. Hoe kan dit mogelijk zijn? Dat het kerngezin de vereiste internationaalrechtelijke minimumnorm is, kan toch geen argument zijn, gezien de samenlevingsvormen die in Nederland gebruikelijk zijn? Waarom heeft het kabinet voor de beperking tot gehuwde partners gekozen, nu het gevolg is dat mensen die vanwege wetgeving of sociale stigma's nooit een huwelijk konden aangaan, in een ingewikkeldere en tijdrovendere procedure voor gezinshereniging terechtkomen?

Bij de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet is het amendement-Diederik van Dijk c.s. aangenomen, waarmee de rechterlijke dwangsommen worden afgeschaft. Naar het oordeel van mijn fractie wordt met dit amendement de oplossing op de verkeerde plaats gezocht. Het zou veel beter zijn om in te zetten op snellere behandeling in plaats van de gevolgen van termijnoverschrijding weg te nemen. Tijdens de behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer heeft de ambtsvoorganger van deze minister opgemerkt dat er enige twijfels zijn over de juridische haalbaarheid van dit amendement. Ook sprak hij over risico's. Kan de minister toelichten welke juridische risico's aan dit amendement kleven en hoe hij deze risico's weegt?

Voor mijn fractie is het de vraag op welke manier een vreemdeling straks nog toegang heeft tot een doeltreffende voorziening in rechte, zoals bedoeld in artikel 47 van het EU-Handvest, nu met dit amendement de rechter geen mogelijkheid meer heeft om een uitspraak te doen naleven. De prikkel van de dwangsom is immers afgeschaft. De Raad van State was in een eerdere uitspraak van oordeel dat het ontbreken van deze mogelijkheid in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Kan de minister hierop reageren?

Voorzitter. De mogelijkheid van het aanbieden van een kopje soep heeft de discussie over de strafbaarstelling van illegaliteit gedomineerd en heeft geleid tot een novelle. Met de novelle is voor mijn fractie de kou niet uit de lucht. In de uitvoeringstoets bij de novelle lezen we: "Het is maar zeer de vraag of vreemdelingen die echt niet mee willen werken aan vertrek, door deze maatregel alsnog zullen meewerken aan vertrek. Het lijkt daarmee twijfelachtig of strafbaarstelling een manier is om onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen te bewegen om ons land te verlaten." Daarnaast heeft de VNG bijvoorbeeld opgemerkt dat de huidige regelgeving wat haar betreft al voldoende is. Mijn fractie ziet in het licht hiervan geen enkele reden om onrechtmatig verblijf strafbaar te stellen. De minister ziet die reden klaarblijkelijk wel. Kan hij toelichten welke positieve effecten hij verwacht van het strafbaar stellen van onrechtmatig verblijf?

Voorzitter. De maatschappelijke gevolgen van dit wetsvoorstel zijn groot. Vele kerkelijke leiders noemen dit wetsvoorstel "onbarmhartig". Vanmorgen nog werd hier vlakbij in de Kloosterkerk een wake gehouden door de Raad van Kerken. De bisschop van Den Bosch en de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland schreven onlangs in een open brief het volgende. "De simpele criminalisering van illegaal verblijf berokkent onnoemelijke en onherstelbare schade aan de levens van heel veel mensen, die in kwetsbare omstandigheden al zo veel leed en tegenslag hebben moeten doorstaan."

Voorzitter. Niet iedereen die onrechtmatig in Nederland verblijft, heeft daar zelf schuld aan. Slachtoffers van mensenhandel, arbeidsmigranten die op straat terechtkomen, mensen die op een of andere manier tussen wal en schip raken: het is een diverse groep. Kan de minister toelichten waarom het nodig is om hun enkele aanwezigheid strafbaar te stellen? Uit de memorie van toelichting bij de novelle blijkt dat illegaal verblijf alleen tot een veroordeling kan leiden bij vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen vertrekken en hun vertrek effectief frustreren. Maar deze beperking staat niet in de wet zelf. De brede formulering die nu onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel zal, zo is de vrees bij betrokken organisaties, waaronder de politie, leiden tot terughoudendheid bij ongedocumenteerden om aangifte te doen en tot zorgmijding.

Kortom, de strafbaarstelling van illegaliteit zal bij een grote groep — die, nogmaals, niet alleen bestaat uit uitgeprocedeerde asielzoekers — leiden tot grote onzekerheid en tot verdwijnen onder de radar, waardoor er helemaal geen zicht meer is op deze mensen. Het zal er ook toe leiden dat zij nog meer dan nu worden gemarginaliseerd. Waarom doet de minister zorgmijding, terughoudendheid om aangifte te doen van strafbare feiten en angst om kinderen naar school te sturen, af als "denkbeeldige gevolgen", terwijl betrokken organisaties daar bij herhaling voor hebben gewaarschuwd?

Vanmiddag bij de aanbieding van de petitie hoorde ik nog twee voorbeelden. Een betrof een school die kinderen niet wilde opnemen, want dat was toch strafbaar? Het tweede ging over een vrouw in verwachting, die door de GGD niet werd geholpen, want zij was illegaal en dat was toch strafbaar? Graag een reactie daarop van de minister. Dit wetsvoorstel loopt daarnaast de kans te leiden tot draaideurbeleid, waarbij mensen steeds opnieuw veroordeeld worden voor illegaal verblijf, zonder dat zij uiteindelijk Nederland verlaten of uitzetting mogelijk is. Hoe wil de minister dat voorkomen?

Mijn fractie is daarbij van mening dat de regering duidelijkheid moet verschaffen over de mogelijkheid van burgerarresten. In antwoord op schriftelijke vragen uit deze Kamer heeft de regering welswaar opgemerkt burgerarresten onwenselijk te vinden, maar zij kan de mogelijkheid ervan vanwege de reikwijdte van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering niet uitsluiten. Mijn fractie zou willen dat daders van een ongeoorloofd burgerarrest in dit kader streng worden aangepakt en bestraft. Kan de minister dit toezeggen? Kan de minister ook toezeggen dat hij hierover op niet mis te verstane wijze zal communiceren, bijvoorbeeld via een voorlichtingscampagne?

Voorzitter. Zo goed als alle organisaties die deze wetsvoorstellen moeten gaan uitvoeren, hebben de noodklok geluid over de uitvoerbaarheid van deze wetten, of het nu gaat om de politie, de rechtspraak of de Dienst Terugkeer en Vertrek. Al deze organisaties waarschuwen voor de uitvoeringsgevolgen. De minister berekende in antwoord op een vraag van mijn fractie dat de IND mogelijk 462 fte of zelfs nog meer extra personeel zou moeten werven om deze wetswijzigingen uit te voeren.

De heer Van Hattem i (PVV):

Mevrouw Huizinga van de ChristenUnie heeft namens haar partij altijd de mond vol van de rechtsstaat en de scheiding der machten, maar ik hoor haar nu zeggen dat een bepaalde groep streng moet worden aangepakt en streng moet worden bestraft. Gaat de ChristenUnie hiermee niet op de stoel van de rechter zitten en ondertussen ten aanzien van de strafbaarstelling van illegaliteit precies het omgekeerde doen?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

"De mond vol"; dat laat ik aan u. Ik wil van de minister weten op welke manier hij ervoor kan zorgen dat deze burgerarresten niet voor zullen komen. Ik wil van hem graag de garantie dat wanneer deze burgerarresten voorkomen, deze mensen streng zullen worden bestraft. Op welke manier de minister dat voor elkaar wil brengen, is aan hem. Mijn fractie vindt dit een groot risico van deze wet. Wij wijzen daarop. Wij zouden willen dat daarop zodanig gereageerd wordt dat de mensen die dit burgerarrest doen, streng worden bestraft.

De heer Van Hattem (PVV):

"Streng worden bestraft"; daar zou normaal gesproken niet de minister over gaan, maar de rechter. Is mevrouw Huizinga het dan met mij eens dat wie hier als illegaal in dit land is en hier bijvoorbeeld misdrijven pleegt, ook heel streng moet worden bestraft, keihard moet worden aangepakt en het land moet worden uitgezet?

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

De rechter spreekt recht op basis van wetten. Als wij dus vragen om strenge bestraffing, moet daar een basis voor komen in de wet, zodat de rechter streng kan bestraffen, want de rechter gaat natuurlijk niet zomaar zelf bedenken welke straf hij zal geven. Als het gaat om bestraffing van illegaal verblijf, zeg ik: mijn hele bijdrage gaat over waarom wij dat nu juist geen goed idee vinden en waarom wij denken dat het veel mensen die buiten hun schuld in die situatie terechtkomen, alleen nog maar verder in de narigheid zal helpen. Wij denken dat het geen enkel effect zal hebben op het voorkomen van ongedocumenteerdheid.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dan moet ik toch duidelijk concluderen dat wat de ChristenUnie betreft de wetten niet gelden voor illegalen en dat die gewoon lak kunnen hebben aan de rechtsstaat. Er wordt hier dus door mevrouw Huizinga van ChristenUnie met twee maten gemeten ten aanzien van de rechtsstaat.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Ik moet dat toch echt tegenspreken. Deze behandeling gaat over de vraag of wij ongedocumenteerd verblijf strafbaar willen stellen. Mijn fractie is daartegen. Het lijkt erop dat meneer Van Hattem denkt dat dit al het geval is, maar wij hebben het er juist vanmiddag met elkaar over dat wij dat niet strafbaar willen stellen.

Voorzitter. Ik had het over de uitvoerbaarheid en het aantal fte dat nodig is om deze wetten uit te voeren en dat terwijl de regering ook nog eens aangeeft — ik ga maar verder — dat de uitvoering de IND niet op tijd gaat lukken. Het gevolg? De doorlooptijden zullen in elk geval voorlopig nog verder oplopen en dat terwijl het nu al heel lang duurt voordat er een beslissing wordt genomen. Daar komt bij dat de IND in de zeer nabije toekomst met een andere grote wetswijziging wordt geconfronteerd, namelijk de invoering van het Europese Migratiepact. Alleen dat al is voor de IND uiterst uitdagend, begrijpt mijn fractie uit brieven van de IND. Zo heeft de organisatie in een brief gewaarschuwd dat het niet mogelijk is om de wetten die wij vandaag behandelen eerder in werking te laten treden dan het Asiel- en Migratiepact. Hoe kijkt de minister naar de mogelijkheid voor de uitvoeringsorganisaties om in korte tijd de twee wetswijzigingen, nu deze wet en straks de implementatiewet, te verwerken? Hoe weegt de minister in dit verband de brief van de IND?

Voorzitter. Dan nog een opmerking over het ontbreken van overgangsrecht. Deze wetten zullen wanneer ze in werking treden, direct gevolgen hebben, ook in al lopende procedures. Dat betekent dat vluchtelingen of subsidiair beschermden zich van de ene op de andere dag geconfronteerd zien met zwaardere eisen om hun gezin naar ons land te kunnen halen. Is dat niet strijdig met de rechtszekerheid en is dat niet een aanslag op het vertrouwensbeginsel? Waarom heeft de minister niet gekozen voor het toekennen van eerbiedigende werking?

Voorzitter, ik rond af. Vorig jaar heeft mijn fractie bij de begrotingsbehandelingen gepleit voor solide en meerjarige financiering van de IND en het COA. Het is onbegrijpelijk dat er zoveel geld gaat naar dure, tijdelijke huisvesting, terwijl stabiele financiering zoveel goedkoper is en veel meer duidelijkheid biedt. Het is de taak van dit kabinet om de woorden van het coalitieakkoord om te zetten in beleid dat gericht is op rust en duidelijkheid in de asielketen. Daaraan heeft het de afgelopen jaren immers voortdurend ontbroken. Het kabinet zet met deze wetten in op het verminderen van de instroom van asielzoekers, maar pakt de grote uitdagingen in de opvang en doorstroming in de asielketen maar mondjesmaat aan. Naar het oordeel van mijn fractie zijn vier dingen nodig om de problemen in de asielketen op te lossen: een stabiele financiering van het COA, die een vaste opvangvoorraad mogelijk en een noodopvang overbodig maakt, voldoende middelen voor de IND, zodat procedures sneller kunnen worden afgerond, een evenwichtige verdeling van asielzoekers en asielzoekerscentra over Nederland en een streng beleid tegen overlastgevende vreemdelingen. Helaas ziet mijn fractie in deze wetsvoorstellen maar weinig wat bijdraagt aan een van deze vier oplossingsrichtingen.

Voorzitter. Mijn fractie is niet overtuigd van de effectiviteit van de voorliggende wetsvoorstellen. Wij betwijfelen of ze uiteindelijk zullen leiden tot een vermindering van de instroom en tot rust in de asielketen. Daarnaast hebben wij grote moeite met een aantal elementen in deze wetten. Niet alleen de strafbaarstelling van illegaliteit, maar ook de sterke beperking van mogelijkheden van gezinshereniging stuit mijn fractie tegen de borst. Vanuit de christelijke overtuiging van mijn fractie hebben alle mensen naar Gods beeld geschapen recht op onze compassie, ook als ze ongedocumenteerd zijn.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Perin van de fractie van Volt. Zij spreekt mede namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik hou van Nederland. Dit is het land waarin ik geboren en getogen ben en het land dat mij gevormd heeft tot het mens dat ik nu ben. Nederland is een land waarin vrijheid geen abstract begrip is, maar de dagelijkse realiteit: vrijheid om te zijn wie je bent en de vrijheid om te houden van wie je wilt. Nederland was het eerste land ter wereld dat het huwelijk openstelde voor partners van hetzelfde geslacht, mede dankzij collega Dittrich. Een land waarin mensen uit de lhbtiq-community senator kunnen worden, minister en zelfs minister-president. Dat is niet vanzelfsprekend, maar dat is wel iets wat wij moeten koesteren.

Voorzitter. Voor wie deze vrijheid elders ontbreekt, ziet Nederland er vaak heel anders uit. Mensen die vluchten omdat ze niet mogen zijn wie ze zijn, komen hier met hoop, met de verwachting dat ze eindelijk veilig zijn. Maar die hoop botst nu al met de werkelijkheid. Zij worden behandeld als gelukszoekers. Hun verhaal wordt gewogen langs stereotype beelden, hun identiteit wordt betwijfeld, juist omdat zij in hun land van herkomst niet konden zijn wie zij zijn, omdat dat daar levensgevaarlijk is. Ondertussen wachten die mensen hier in overvolle opvanglocaties en in kleine kamers, vaak gedeeld met mensen voor wie acceptatie van de lhbtiq-community niet vanzelfsprekend is. Stelt u uzelf de vraag, voorzitter: zou u zich dan veilig voelen?

Voorzitter. Soms stel ik mezelf de vraag: wat zou ik doen als ik niet meer veilig was in Nederland? Wat als ik en mijn gezin zouden moeten vluchten? Waar zou ik dan heen gaan? En ik kan het mij niet voorstellen. Ik hou van Nederland. Ik wil hier zijn. Ik wil hier zijn in Europa. Maar voor miljoenen mensen is dit geen hypothetische vraag, maar de dagelijkse realiteit. Zij kiezen er niet voor om te vluchten. Zij worden gedwongen door oorlog, door vervolging of simpelweg om wie zij zijn.

Voorzitter. Nederland was een baken van hoop, maar met deze wetten dreigt dat baken te vervagen. Neem de Wet tweestatusstelsel. In plaats van bescherming centraal te stellen, introduceren we een onduidelijk, beperkend begrip van het kerngezin. Maar wat is dat? Hoe toon je een relatie aan als je niet kan trouwen in jouw land van herkomst, als je liefde daar strafbaar is? Vallen twee mensen die van elkaar houden, maar geen papieren hebben, buiten deze definitie? Wordt hun relatie dan minder waard geacht? Kan de minister dit verduidelijken? Als je relatie dan eindelijk erkend wordt, waarom kun je in Nederland dan alsnog teruggestuurd worden naar Uganda omdat je relatie niet gay genoeg zou zijn? Dit creëert ruimte voor willekeur, onzekerheid en uiteindelijk onrecht. Dan stel ik de vraag welk probleem we hier eigenlijk oplossen. Waarom maken we het moeilijker voor mensen om samen te zijn terwijl hun veiligheid al niet gegarandeerd is? Waarom maken we het in de uitvoering zo ingewikkeld om twee geliefden samen op te vangen?

Dat is niet de enige gezinsvorm waarvoor onduidelijkheid is ontstaan door het begrip "kerngezin". Ook gezinsvormen bestaande uit adoptiekinderen, stiefkinderen of kinderen die net 19 jaar zijn geworden, vallen buiten de boot. Realiseert de regering zich wel dat het voor vluchtende families, wanneer ze huis en haard verlaten, onmogelijk is om de papieren bij zich te hebben die de IND van hen nodig heeft?

De kern van de Wet invoering tweestatusstelsel is het creëren van ongelijkheid tussen groepen die internationale bescherming genieten. In de beantwoording stelt de regering dat dit binnen de Europese kaders mogelijk is, maar een daadwerkelijke toets aan het Unierecht, met name aan het EU-Handvest, blijft uit. De regering volstaat in haar beantwoording met de stelling dat het binnen de minimumnormen past, maar zoals ook in de literatuur en in de jurisprudentie wordt benadrukt: minimumnormen zijn geen vrijbrief om rechten maximaal te beperken. Het is aan de regering zelf om te beslissen hoe ver grond- en verdragsrechtelijke bescherming in Nederland reiken, dus dat maakt de regering verantwoordelijk.

In het coalitieakkoord staat over de wetten die we vandaag bespreken het volgende: indien de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel zijn aangenomen door de Eerste Kamer, worden ze uitgevoerd. Dat wekt toch een beetje de indruk dat deze regering op een of andere magische wijze geconfronteerd zal worden met deze wetten, maar zo is het natuurlijk niet. Het is een politieke keuze geweest van het kabinet van D66, het CDA en de VVD om de behandeling van deze wetten voort te zetten. Het stelt mij teleur dat een kabinet dat bestaat uit drie democratische partijen ervoor heeft gekozen om het wetsvoorstel van oud-minister Faber door te zetten. Dat wetsvoorstel is er met grote politieke druk doorheen geduwd, maar is destijds door vele partijen, waaronder D66, bekritiseerd op zowel de inhoud als op de totstandkoming. Wat ons betreft kan geen van de leden van de drie coalitiepartijen de handen in onschuld wassen bij eventuele acceptatie van deze wetten. Juist van dit kabinet, dat zegt op zoek te zijn naar brede consensus, had ik verwacht dat het afstand zou nemen van deze wetgevingsstijl, niet alleen politiek maar ook juridisch, en naast juridisch ook op basis van morele en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Voorzitter. Laten we eerlijk zijn: dat mensen op de vlucht zijn, komt grotendeels door oorlogen, autocratische regimes en onvrijheden. Als we die zouden kunnen bestrijden en wereldvrede zouden nastreven, zouden veel mensen gelukkig kunnen leven op vele plekken op de wereld, maar dat is niet hoe de wereld er vandaag uitziet.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik heb een vraag aan mevrouw Perin-Gopie van Volt. U heeft natuurlijk een Europees standpunt. U vindt het belangrijk dat de EU harmoniseert en dat we in Europa veel dezelfde wetgeving hebben. Nederland is op dit moment het enige land in de EU dat eenstatusstelsel heeft. Alle andere EU-landen hebben een tweestatusstelsel. Kunt u daarop reflecteren?

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik zal maar even het misverstand weer uit de wereld helpen: Volt staat niet voor Europa zoals het nu is. Volt wil de Europese Unie juist hervormen, zodat die democratischer wordt en zodat de Europese belangen vooropstaan.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik ga weer verder. Ik ga nog even door op de Wet invoering tweestatusstelsel en de beperkingen die deze oplegt voor gezinshereniging. De enige reden die de regering in de memorie van toelichting geeft om ongehuwde partners uit te sluiten, is dat zij de ruimte in de Europese richtlijn maximaal wil benutten. Dit is de paradox van de eeuw. Afgelopen 1 april vierden onze premier en velen onder ons nog het 25-jarig jubileum van het allereerste homohuwelijk ter wereld met drie nieuwe huwelijken. Vandaag, nog geen twee weken later, bespreken we in deze Kamer of we gebruik kunnen maken van alle maximale ruimte die we maar kunnen vinden om mensen buiten het land te houden, ook als dat betekent dat stellen van gelijk geslacht uit een land waar het huwelijk nog niet gelegaliseerd is, niet bij elkaar kunnen zijn. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? De regering verwijst vervolgens steevast naar artikel 8 van het EVRM als vangnet om weer een lijn met het Unierecht te maken, maar dat betekent in de praktijk dat bescherming afhankelijk wordt van een onvoorspelbare individuele belangenafweging van rechterlijke correctie achteraf in plaats van wat de wetgever zou moeten doen, namelijk het bieden van heldere, onomwonden bescherming vooraf, die niet discrimineert op grond van seksuele oriëntatie.

Voorzitter. Dit is niet hoe de wetgever hoort te werken. Het kabinet moet maatregelen willen aannemen waarin geen inherente discriminatie zit. Mijn vraag aan de minister is dan ook of hij van oordeel is dat er discriminatie zit in de regel dat ongehuwde partners niet mogen nareizen. Raakt die regel stellen van gelijk geslacht vaker dan andere stellen? Zijn er plannen om deze discriminatie aan te pakken?

Dezelfde vraag stel ik over stiefkinderen, geadopteerde kinderen en kinderen die net 19 zijn geworden. Ook voor hen pakt deze maatregel discriminatoir uit, omdat het niet altijd mogelijk of toegestaan is om adoptie of de relatie tot pleegkinderen te formaliseren op zo'n manier dat de juiste papieren beschikbaar zijn voor de IND. Ook hierbij vraag ik de minister wat zijn plannen zijn om dit recht te zetten.

Dan wil ik het hebben over de wachttermijn van twee jaar die met de Wet invoering tweestatusstelsel wordt ingevoerd voor nareis bij subsidiaire bescherming. Om dit even praktisch te maken: subsidiaire bescherming betekent dat iemand in Nederland bescherming komt vragen omdat hij in zijn eigen land het risico loopt te worden blootgesteld aan de doodstraf, aan foltering of aan willekeurig geweld wegens een conflict. Ook dat risico is groter voor bepaalde mensen uit bepaalde groepen. Denk aan mensen uit de lhbtiq-community of mensen met een bepaalde religie of huidskleur. Dan zegt de Wet invoering tweestatusstelsel: wij kunnen jou wel beschermen, maar je mag twee jaar lang niet herenigd worden met je gezinsleden. De minister zegt: we willen gebruikmaken van alle ruimte die de richtlijnen bieden. Als dit al overeenstemt met de minimumnorm, is het de vraag of dit ook menselijk is. Geeft het een beschermingsniveau van gelijkheid waar wij als Nederland achter mogen staan? Ook hierop hoor ik graag de reflectie van de minister.

Daarnaast is de uitvoeringskant van de Wet invoering tweestatusstelsel onvoldoende doordacht. De regering erkent zelf dat deze wet leidt tot meer procedures en meer werk voor het IND. Dat roept de vraag op welk probleem hier eigenlijk wordt opgelost. Bij mij komt ook de volgende vraag op. Als nareis zoveel moeilijker wordt gemaakt maar mensen wél bij hun gezin of partner willen zijn, heeft deze wet dan niet gewoon tot gevolg dat er meer mensen meereizen naar Nederland of dat meer mensen een zelfstandige aanvraag indienen? Hoe kunnen wij vandaag in deze Kamer de doelmatigheid en de effectiviteit beoordelen? Hoe kunnen wij de grote toename van kosten en werklast die op structurele basis wordt verwacht, afwegen tegen de vermeende daling van de instroom, die overigens nergens kon worden geraamd en die vanuit alle windrichtingen door organisaties wordt betwist?

Het is belangrijk dat aan mensen met een verblijfsvergunning rechtszekerheid wordt geboden over welk recht op hen van toepassing is en dat het niet mogelijk wordt om met deze wet achteraf statussen te wijzigen. Daarom vraag ik de minister ten eerste naar het overgangsrecht. Waarom wordt het moment van beslissing op aanvraag tot nareis bepalend voor de vraag welk recht er geldt? Geeft dat met de lange wachttijden geen ongelijke behandeling van gelijksoortige aanvragen die nu in behandeling zijn? Ten tweede vraag ik de minister om te verduidelijken wat er in de memorie van toelichting is gezegd over de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning. Daarover zegt de memorie van toelichting dat de grond voor verblijf in principe niet opnieuw hoeft te worden beoordeeld bij verlenging, tenzij er concrete aanwijzingen zijn voor een andere uitkomst. Maar wat betekent dat? Kan de minister bevestigen dat de Wet invoering tweestatusstelsel niet kán en niet zál worden gebruikt om achteraf verblijfsstatussen te veranderen die eerder, toen we nog één status kenden, rechtsgeldig verleend zijn?

Voorzitter. Dan de Asielnoodmaatregelenwet. Hierbij gebeurt er iets fundamenteels. Waar ons asielrecht altijd uitging van bescherming van mensen die niet veilig zijn, verschuift deze wet het uitgangspunt naar beperking en afschrikking. De regering zegt dat dit nodig is om meer grip te krijgen en de instroom te beperken, maar uit de beantwoording blijkt dat dit doel niet overtuigend onderbouwd kan worden. Wat we wel zeker weten, is wat de gevolgen zijn: meer procedures; meer druk op de IND, de politie, gemeenten en het COA en meer onzekerheid voor de mensen.

Voorzitter. De Commissie Meijers heeft hiervoor indringend gewaarschuwd. Hun punt is eigenlijk heel simpel en ook heel makkelijk te begrijpen: als je verblijf strafbaar maakt, worden mensen bang. En wat doen mensen die bang zijn? Die trekken zich terug. Dat betekent dat ouders hun kinderen niet meer naar school durven te sturen, mensen geen gebruik meer maken van de gezondheidszorg, ze contact met de overheid mijden en dat we eigenlijk mensenhandelaren een gunst verlenen. Daardoor verdwijnen mensen uit beeld, maar nog niet uit ons land. Dat is niet alleen slecht voor die mensen zelf. Het is ook slecht voor onze samenleving, want je verliest juist het zicht en de controle die je zegt te willen vergroten. Het College voor de Rechten van de Mens wijst op een fundamenteel probleem: als mensen onderwijs en zorg gaan mijden, komen hun basisrechten onder druk te staan, zoals het recht op toegang tot de gezondheidszorg, op onderwijs en op een menswaardig bestaan. Dat zijn geen luxerechten, maar kernwaarden van de rechtsstaat. En ze gelden voor iedereen die zich in Nederland bevindt, niet exclusief voor mensen met de Nederlandse nationaliteit. Deze zorgen zijn bovendien niet theoretisch. Tijdens de deskundigenbijeenkomst hebben uitvoeringsorganisaties zoals IND, COA, politie en VNG gewezen op grote problemen bij de uitvoering. Ook organisaties in het veld signaleren meer onzekerheid, wantrouwen en juridische procedures. Het gevolg is duidelijk: geen verlichting, maar juist extra druk op het systeem.

De regering lijkt sommige van onze zorgen en die van de instanties wel te erkennen, maar weerlegt ze niet overtuigend. In de beantwoording wordt vooral gezegd: wij maken een andere afweging. Maar wat is die afweging dan precies? Daarom vraag ik de minister of hij concreet kan toelichten welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Hoe zijn de risico's voor toegang tot zorg, onderwijs en veiligheid erin meegenomen? Hoe verhoudt deze afweging zich tot internationale verdragen, mensenrechten en onze Grondwet? En specifiek voor kinderrechten: Nederland heeft zich verbonden aan het VN-Kinderrechtenverdrag, waardoor bij wetgeving de belangen van het kind de eerste overweging moeten zijn. Kan de minister aangeven hoe de belangen van kinderen zijn meegewogen? Hoe blijkt uit de wetsvoorstellen dat de belangen van kinderen de eerste overweging waren?

Ook in het Europees Migratiepact en specifiek in de Terugkeerverordening zien we een duidelijke lijn: na afwijzing van een asielverzoek volgt terugkeer via één samenhangend stapsgewijs systeem; dwang en detentie zijn daarbij het laatste middel. Deze nationale wetten die we vandaag bespreken, voegen daar een laag aan toe, namelijk het strafrecht. Daarmee ontstaat niet één systeem, maar twee sporen naast elkaar: terugkeer en bestraffing. Waar Europa inzet op een duidelijke volgorde, eerst veroordelen en dan terugkeren, introduceert deze wet een parallel traject waarin verblijf op zichzelf strafbaar wordt. Daarmee verschuift het uitgangspunt van organiseren naar bestraffen. Daarom vraag ik de minister: waarom voegt Nederland met deze wetten elementen toe aan de Europese regelgeving die binnenkort toch al van kracht wordt, en waarom acht de regering het in dit geval wel wenselijk om een nationale kop op Europees beleid te zetten? En dan is deze vraag onvermijdelijk: hoe verhoudt de strafmaat zich tot de Europese keuze voor één geïntegreerde terugkeerprocedure? Hoe voorkomt de regering dat deze wet de Europese systematiek ondergraaft in plaats van versterkt? En waarom kiest Nederland ervoor om een eigen, zwaarder systeem te introduceren, terwijl Europese harmonisatie juist het doel is van het Migratiepact?

En het probleem stopt daar niet, want als mensen bang worden voor straf, gaan ze zich verstoppen, verdwijnen ze uit beeld, vermijden hulp, mijden de overheid, en dan gebeurt precies het tegenovergestelde van wat je wilt. Wat je dan krijgt, is minder grip, minder zekerheid en minder oplossingen. Daarom de volgende vragen. Hoe voorkomt de regering dat deze wet in strijd komt met de systematiek van de Terugkeerverordening? Op welk moment in de procedure acht de regering strafrechtelijke handhaving toegestaan? Hoe wordt voorkomen dat deze maatregel juist leidt tot een minder effectieve terugkeer? Welke garantie kan de minister geven dat barmhartigheid vanuit de maatschappij niet door de rechter wordt afgeschaft? Hulp bij strafbare feiten is immers volgens algemene wetgevingsprincipes verboden.

Voorzitter. Dan blijft één vraag over: als een maatregel niet werkt, de asielketen en de uitvoering juist meer worden belast en mensen juist verder in de problemen worden gebracht, en als het botst met de afspraken die we in Europa hebben gemaakt, waarom zouden we deze wetten dan nog invoeren?

Voorzitter. In het debat van vorige week over de regeringsverklaring zei de minister-president over het EVRM dat dat de normaalste zaak van de wereld is. Daar zijn mijn fractie en de fractie van de Partij voor de Dieren het volledig mee eens, maar dat betekent ook dat wetgeving daaraan moet voldoen — en niet pas na toetsing door de rechter, maar bij de totstandkoming zelf. Dan kunnen we niet anders dan de bezwaren van het College voor de Rechten van de Mens heel serieus nemen. Ja, soms moet je als politiek over je eigen gelijk heen stappen, zoals premier Jetten hier vorige week zei. Maar hij zei dat als reden waarom het kabinet of D66 toch de wetsbehandeling van deze wet heeft voortgezet. Maar het mag natuurlijk nooit betekenen dat je dan over de rechtsstaat heen stapt, of over kinderrechten, of over de kwaliteit van wetgeving, of over de uitvoerbaarheid van de wetten.

Voorzitter. Alles afwegende zien wij wetten die juridisch onvoldoende zijn onderbouwd, praktisch moeilijk uitvoerbaar zijn, de beoogde doelen niet zullen realiseren en reële schade veroorzaken aan mens en samenleving. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

Voorzitter. Het gaat al langer rond dat we een hoofdelijke stemming over deze wetten zouden hebben, maar volgens mij is die nog niet aangevraagd.

De voorzitter:

Dat klopt. Dat zullen we morgen in het College van Senioren gaan bespreken.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Oké. Dan wil ik alvast aangeven dat Volt de wens heeft voor een hoofdelijke stemming over alle drie de wetsvoorstellen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan wil ik nu graag het woord geven aan de heer Van de Sanden, want dat gaat dan nog lukken voor de dinerpauze. De heer Van de Sanden van de Fractie-Van de Sanden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van de Sanden i (Fractie-Van de Sanden):

Dank, voorzitter. Dank ook aan de collega's voor de getoonde flexibiliteit met de sprekersindeling.

Mijn fractie zal vandaag niet betogen dat migratie geen probleem is of dat de politiek niets hoeft te doen. Ik zal wel betogen dat deze wetten en bijbehorende novelle het probleem niet oplossen, dat zij de uitvoering verzwaren in plaats van verlichten, dat zij juridisch niet deugen en dat wij, als wij dit weten en er desondanks mee zouden instemmen, naar het oordeel van mijn fractie niet doen wat wij als Kamer zouden moeten doen, namelijk wetsvoorstellen zuiver en niet-politiek toetsen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

De Raad van State heeft geadviseerd om deze wetten niet op deze manier in te dienen. De IND heeft gezegd ze niet te kunnen uitvoeren. De Adviesraad Migratie heeft ze "onnodig" verklaard. Drie onafhankelijke organen, drie negatieve adviezen, alle drie genegeerd. Ik ben hier om dat te benoemen, niet als politiek verwijt maar als constitutionele constatering. Want een wetgever die willens en wetens waarschuwingen negeert van de organen die zijn gecreëerd om hem te waarschuwen, ondermijnt het systeem van checks-and-balances waar de rechtsstaat op berust. Dat is geen bijzaak in dit debat; dat is naar het oordeel van mijn fractie de kern ervan.

Voorzitter. Het door mij gehanteerde liberale kompas rust op drie beginselen die al eeuwenoud zijn. Het eerste is dat de vrijheid van de persoon onaantastbaar is, tenzij er een aantoonbaar ernstig en persoonlijk toe te rekenen handelen tegenover staat; niet een toestand, niet een administratieve categorie, maar een handelen. Het tweede is het legaliteitsbeginsel in z'n volle omvang, dus niet slechts dát er een wet moet zijn, maar dat die wet noodzakelijk is, proportioneel is en z'n doel aantoonbaar bereikt. Een wet die dat niet kan aantonen, is geen wet in de liberale zin; het is hooguit een politiek machtsinstrument met een wettelijk jasje. Het derde is: de rechtsstaat beschermt de minderheid tegen de meerderheid — niet de populaire minderheid, want die redt zichzelf wel, maar de onpopulaire, de stemlozen. Dat is de lakmoesproef, altijd, zonder uitzondering.

Voorzitter. Aan deze drie beginselen toets ik de voorliggende wetsvoorstellen. Alle drie doorstaan zij die toets niet.

Voorzitter. Ik begin bij de Wet invoering tweestatusstelsel en de centrale bewering van de regering dat deze wet noodzakelijk zou zijn als voorschot op het EU-Migratiepact. Die bewering is onjuist, niet naar mijn mening, maar naar het oordeel van de Raad van State, de Adviesraad Migratie en de Kwalificatieverordening zelf, die onomwonden stelt dat het lidstaten vrijstaat dezelfde rechten aan beide statussen toe te kennen. Het klopt dat het Migratiepact lidstaten verplicht de twee statussen procedureel te onderscheiden, maar de rechtsgevolgen van dat onderscheid zijn facultatief. Het verschil in rechten is een nationale beleidskeuze, geen Europese verplichting. De regering heeft deze keuze gepresenteerd als onvermijdelijk. Dat is onjuist. Dat is een onjuistheid die de hele rechtvaardiging van dit wetsvoorstel wegneemt, want wat blijft er over als de rechtvaardiging wegvalt? Dat is een wet die inbreuk maakt op het nareisrecht van subsidiair beschermden, op hun gezinsleven, dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM, zonder aantoonbare noodzaak, impactassessment of enige kwantificering van het beoogde effect. In het liberalisme is de bescherming van het individu het uitgangspunt. De overheid moet de inbreuk rechtvaardigen, niet de burger de bescherming. Deze wet heeft die rechtvaardiging niet geleverd. Dat is geen gebrek in de memorie van toelichting, maar een constitutioneel tekort.

Dan over de novelle. Ybo Buruma, oud-raadsheer van de Hoge Raad, schrijft deze week in het Nederlands Juristenblad dat strafbare illegaliteit — ik citeer — "fundamenteel onjuist" is. Zijn redenering is eenvoudig en onweerlegbaar. Eerstejaars rechtenstudenten leren dat een strafbaar feit een menselijke gedraging vereist, een handeling, en niet een toestand. Illegaal verblijf is op zichzelf geen handeling. Het is een toestand, de toestand van hier aanwezig zijn zonder te beschikken over het juiste papier. Het strafrecht is niet ingericht om toestanden te bestraffen; het is ingericht om gedragingen te vergelden. Dit is geen opinieverschil; dit is de dogmatische kern van het strafrecht, die in Nederland al meer dan een eeuw geldt. Een oud-raadsheer van de Hoge Raad zegt dat dit wetsvoorstel die kern schendt. De Grote kamer van het Hof van Justitie heeft in dezelfde richting gewezen. Maatregelen die tot gevolg hebben dat een derdelander wordt ontmoedigd om bescherming te verzoeken, zijn in strijd met artikel 18 van het EU-Handvest. De regering presenteert de novelle als reparatie van het hulpverlenersprobleem, maar ook na de novelle kunnen mensen en organisaties bij hulp aan mensen zonder papieren nog steeds strafrechtelijk worden geraakt. De reparatie is op haar best onvolledig. Een wet die een oud-raadsheer van de Hoge Raad "fundamenteel onjuist" noemt, dient door deze Kamer zeer kritisch tegen het licht te worden gehouden.

Voorzitter. Stel dat ik de rechtmatigheidsvragen terzijde zou leggen en uitsluitend zou kijken of deze wetten werken. Dan stuit ik op een uitvoeringsprobleem dat minstens even vernietigend is. De IND heeft vastgesteld het tweestatusstelsel niet uit te kunnen voeren voor de inwerkingtreding van het Migratiepact op 12 juni. Dat is niet omdat de IND dat niet wil, maar dat naar eigen zeggen feitelijk niet kan. De Raad van State heeft geoordeeld dat de kans groot is dat de maatregelen juist zullen leiden tot extra belasting voor de IND en de rechtspraak, in plaats van de beoogde ontlasting. Dat is niet een randopmerking; dat is het centrale oordeel over de uitvoerbaarheid van deze wet.

Er is bovendien een uitvoeringsprobleem dat onvoldoende aandacht heeft gekregen. Het tweestatusstelsel creëert een procesbelang dat nu niet bestaat. Dat verandert fundamenteel zodra de twee statussen verschillende rechten met zich gaan meebrengen. De IND heeft een significante toename van zijinstroomzaken voorzien. Dat zijn tienduizenden extra procedures boven op de al bestaande achterstanden, op het moment dat het Migratiepact zelf al een enorme implementatielast zal gaan opleggen. Een wet die beoogt de asielketen te ontlasten maar die aantoonbaar verzwaart, is geen beleid, maar een vergissing. Het is een vergissing waarvoor alle adviezen hebben gewaarschuwd. Wanneer een wetgever willens en wetens die waarschuwingen negeert, is wetgeving geen instrument van het recht meer; dan is zij hooguit een instrument van de politiek. Dat is precies de willekeur waartegen de liberale rechtsstaat in het leven is geroepen. Ik vraag de minister op welke grond de regering de adviezen naast zich neergelegd heeft. Ik vraag niet om de politieke grond, want die ken ik, maar om de juridische grond. Ik vraag om de inhoudelijke weerlegging van de argumenten.

Voorzitter. Een wet die niet gehandhaafd kan worden, is geen wet maar een verklaring van intentie met strafrechtelijke taal. Nederland telt tienduizenden onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. Structurele handhaving vereist opsporing, aanhouding, vervolging en berechting door politie, OM en een rechterlijke macht, die nu al opereren op de grens van hun capaciteit. Wat overblijft is een wet die wordt ingezet wanneer het politiek zo uitkomt tegen de mensen die het minst weerstand bieden, mensen zonder stem, mensen zonder advocaat, mensen zonder lobby. In het liberalisme heet dat "willekeur". Willekeur, de selectieve toepassing van de wet op grond van opportuniteit in plaats van principe, is het exacte tegendeel van de rechtsstaat. Het is datgene waartegen Montesquieu schreef, waartegen Locke argumenteerde, waartegen de liberale traditie zich in twee eeuwen heeft gedefinieerd.

Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):

Ik zit te luisteren en iets begint me toch een beetje te ergeren, moet ik u heel eerlijk zeggen. De heer Van de Sanden was lid van de VVD. Sinds 2002 roept de VVD niets anders dan dat illegaliteit strafbaar moet worden gesteld. Als CDA'er in de Tweede Kamer ben ik daar altijd tegen in het geweer gekomen, want ik vond dat alleen het niet meewerken aan uitzetting strafbaar zou moeten worden gesteld. De VVD bleef echter hameren op strafbaarstelling van illegaliteit. Op die slippen is de heer Van de Sanden toch gewoon de politiek in gekomen? Wat is dit nou voor mooipraterij?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dat is een interessante interruptie en ook een interessante vraag. Ik kan me niet vinden in uw schets dat ik op de slippen van wie dan ook zou zijn binnengekomen. Geen lid zijnde van de VVD en geen lid meer van de VVD-fractie sta ik hier om aan te geven wat ik op grond van mijn liberale kernwaarden, op grond van mijn liberale kompas van deze wetgeving vind. Dat is waarvoor ik hier ben ingehuurd.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik denk toch dat het goed is dat ik het even heb aangegeven. Sinds 2002 wil de VVD niets anders dan strafbaarstelling van illegaliteit. Wat het CDA betreft moest dat worden beperkt. Ik denk dat die beperking voorligt, maar daar komen we vanzelf nog over te spreken. Maar dat is de partij waardoor de heer Van de Sanden hier de politiek in is gekomen, enthousiast vóór en nooit afstand genomen hebbende van die bepaling. Ik denk dus dat het toch goed is om dat even te markeren. Dit was te superieur.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik vind het ook goed om dit even vast te stellen, en dat zeg ik ook als jurist en als iemand die de ethiek hoog in zijn vaandel draagt. Ik vond het een voortreffelijke analyse, die de heer Van de Sanden naar voren heeft gebracht. Ik heb daar heel veel waardering voor en wij hebben daar als senatoren allemaal goed naar moeten luisteren. Dat is denk ik ook de reden waarom het CDA naar voren komt om het eigenlijk weer eventjes weg te poetsen. Maar het CDA staat, als ik het goed begrepen heb, achter deze willekeurwet.

De voorzitter:

Is dat een vraag aan mevrouw Van Toorenburg voor straks, of is dat een vraag aan de heer Van de Sanden? Ik vermoed: aan mevrouw Van Toorenburg. Ik nodig de heer Van de Sanden dus uit om zijn betoog te vervolgen.

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dank voorzitter. De Raad van State heeft het zelf vastgesteld: de strafbaarstelling is ondoelmatig omdat vreemdelingen die verwijderd kunnen worden, al in bewaring gesteld kunnen worden, terwijl anderen door een gevangenisstraf niet opeens verwijderbaar worden. Het terugkeerdoel wordt door deze maatregel niet bereikt. Wat wel werkt, is strafbaarstelling van het niet meewerken aan terugkeer. Dat raakt de gedraging, niet een toestand. Dat is proportioneel en dat had met precisie in deze wetgeving kunnen worden opgenomen, maar dat is nagelaten. Dat kan ook niet meer met een toezegging of motie worden gerepareerd.

Voorzitter. Het liberalisme is niet groot geworden door mee te bewegen met de wind.

De heer Schalk i (SGP):

Nog even een vraag over de toepassing van de strafbaarstelling. In alle uitingen van de regering heb ik gelezen dat die niet gericht is op zomaar in het wilde weg zoeken naar mensen die misschien illegaal verblijven, maar dat die gericht is op mensen die crimineel gedrag vertonen of zorgen voor overlast. De regering heeft dus toch al ingeperkt op welke wijze ze hiermee wil omgaan? Wil de heer Van de Sanden daar ook nog op reflecteren?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dank voor de vraag. De uitlatingen waar u aan refereert, zijn geen uitlatingen in de memorie van toelichting. Alleen dan zou het rechtskracht kunnen hebben, zij het in minimale mate, bij eventuele procedures, procedures die ongetwijfeld gevoerd zullen worden. Met andere woorden: het zou gepast zijn als de uitlatingen waar u naar verwijst, een weerslag zouden hebben gevonden in de wetteksten zelf. Maar die zie ik niet.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb tot nu toe, zo lang als ik in deze Kamer mag functioneren, altijd begrepen dat datgene wat in de schriftelijke behandeling wordt meegenomen of zelfs hier mondeling wordt toegelicht, onderdeel is van de wetsgeschiedenis. Daar kan de rechter zich op beroepen. Daar kan elke burger zich op beroepen. Het is toch werkelijk niet te geloven als je zegt: het moet in de memorie van toelichting gestaan hebben, want anders hoort het er niet bij?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dank ook voor deze vraag. Ik weet zelf ook na twintig jaar als advocaat rond te hebben gelopen dat de wetsgeschiedenis als zodanig een interpretatiefactor kan zijn bij het beoordelen van wetgeving. Het is echter geen verplichting voor de rechter om datgene wat niet in de wettekst vastligt, als zodanig toe te passen.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Een van de interessante aspecten van het werken in deze Kamer is dat je af en toe op bezoek mag bij de Hoge Raad. Daar wordt ons juist uit en te na verteld: het is belangrijk wat u met de minister deelt in de Eerste Kamer, want dat is onderdeel van de wetsgeschiedenis. Daar mag iedereen zich op beroepen. Daar hoort de rechter zich zelfs op te beroepen. Laten we dat niet wegwuiven, want dan doen we hier geen deugdelijk werk.

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dank ook weer voor deze vraag. Ik vrees dat ik toch bij mijn standpunt blijf dat datgene wat niet in de memorie van toelichting staat, geen bindende factor is voor een rechter bij het doen van uitspraken.

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Is de heer Van Santen het met mij eens dat de wettekst luidt "De meerderjarige vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf niet rechtmatig is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de tweede categorie"?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Zeker.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Herinnert de heer Van Santen zich ook dat in de toelichting van het amendement dat dit in de wet geïntegreerd heeft, staat — en dat is eigenlijk in absolute termen: "Wie geen recht heeft om in Nederland te verblijven, moet het land verlaten"?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Ik hoor dat u zegt dat dat in de memorie van toelichting staat.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Dus is de heer Van Santen het met mij eens …

De voorzitter:

Het is: de heer Van de Sanden.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Is de heer Van de Sanden het met mij eens dat ook dit een onderdeel is van de wetsgeschiedenis? Dat is exact wat in de wet staat.

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Zeker, dat is onderdeel van de wetsgeschiedenis. Maar ook daarbij geldt dat dat maar in beperkte mate een rol speelt bij het doen van een uitspraak door een rechter.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Het liberalisme is niet groot geworden door mee te bewegen met de wind. Het is groot geworden door de rechtsstaat te verdedigen wanneer dat niet gemakkelijk was, maar juist wanneer het iets kostte. Asielzoekers zonder papieren zijn de minst populaire minderheid in de Nederlandse politiek van dit moment. Dat maakt hen in de ogen van de wet niet tot tweederangs burgers. Juist de minst populaire minderheid is de werkelijke lakmoesproef voor de rechtsstaat, niet de populaire minderheid. Die redt zichzelf wel.

Ik noteer voor het verslag en voor de geschiedenis van dit dossier dat deze traditie vandaag niet door allen die haar claimen, ook wordt beleden. Wetten die de toets van de rechtsstaat niet doorstaan, komen vroeg of laat voor de rechter. Op dat moment geldt wat er wordt gezegd, wat er werd geweten en wat er desondanks mogelijk toch werd goedgekeurd. Ik heb in een eerder betoog al gezegd dat de rechtsstaat geen handrem maar het stuur is. Deze wetten zetten dat stuur opzij en zij doen dat met medeweten van allen die straks voorstemmen.

Voorzitter. Ik sluit af. Drie vragen aan de minister. Mijn eerste vraag: kan de minister aantonen, niet beweren maar aantonen, met een impactassessment dat de voorliggende wetten een instroomreducerend effect hebben boven op het Migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking treedt? Als dat antwoord er niet is, stemt deze Kamer dan mogelijk in met wetgeving waarvan de effectiviteit niet is aangetoond?

Mijn tweede vraag. Heeft de IND op de beoogde inwerkingtredingsdatum de capaciteit om het tweestatusstelsel correct uit te voeren, gegeven zijn eigen uitvoeringstoets die het tegendeel stelt? Als dat antwoord er niet is, stemt deze Kamer dan mogelijk in met wetgeving waarvan de eigen uitvoeringsorganisatie heeft gezegd dat zij haar niet kan uitvoeren?

Mijn derde vraag. Op welke strafrechtsdogmatische grond is strafbaarstelling van illegaal verblijf gebaseerd, gegeven het feit dat illegaal verblijf een toestand is en geen handeling, en gegeven het oordeel van Ybo Buruma, oud-raadsheer van de Hoge Raad, dat deze strafbaarstelling fundamenteel onjuist is? Als dat antwoord er niet is, dan stemt deze Kamer later mogelijk in met een wet die een van de meest gezaghebbende strafrechtsjuristen van Nederland fundamenteel onjuist noemt.

Voorzitter. Ik heb de afgelopen weken de parlementaire stukken bestudeerd. Ik heb gezocht naar de onderbouwing die deze wetten legitimeert, naar het impactassessment, naar de weerlegging van de Raad van State en naar het antwoord op de IND. Ik heb het niet gevonden. Het bestaat niet. Wat wel bestaat, is politieke urgentie die is en wordt omgezet in wettelijke taal; de behoefte om iets te doen, ook al werkt het niet, ook al deugt het niet en ook al heeft niemand die er verstand van heeft er ooit iets goeds over geschreven. Dat is geen wetgeving. Dat is een gebaar. En een gebaar kost niets, behalve de mensen op wie het wordt toegepast.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik hoor de heer Van de Sanden al de hele tijd een voor zichzelf interessant betoog houden over hoe hij illegalen een te beschermen factor vindt. Hij heeft het over willekeur. Maar hoe zit het met de willekeur voor de gewone Nederlander die ineens een azc naast zich krijgt, die daar helemaal niks over te zeggen heeft? Of de gewone Nederlander die zijn winkel beroofd ziet worden door asielzoekers, door illegalen, die daar niks over te zeggen heeft? Is dat niet een veel grotere en veel ernstigere willekeur dan die illegalen, die er zelf voor kiezen om hier als vreemdeling in het land te verblijven terwijl ze hadden moeten vertrekken?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Dank voor uw vraag, collega. Ik deel uw zorg en vind ook dat heel goed gekeken moet worden hoe het past bij mensen die hier al langere tijd wonen en die hier geboren en getogen zijn. Maar dat is niet waar het hier vandaag over gaat. Wij hebben het hier vandaag over de beoordeling van de voorliggende wetsvoorstellen. Ik hoor uw zorg. Die deel ik voor een belangrijk deel. Maar dat is volgens mij niet waar wij hier vandaag voor staan.

De heer Van Hattem (PVV):

Dan vraag ik me af waar de heer Van de Sanden wel voor staat. Staat hij hier dan om illegalen te beschermen, die eigenlijk al moeten vertrekken, die al te horen hebben gekregen dat ze het land hadden moeten verlaten en die daarmee een handeling plegen die in strijd is met de wet? Ze hadden gewoon moeten vertrekken. Vaak gaat het dan ook nog om criminele illegalen, die onze samenleving verruïneren. Is dat de groep waar hij hier vandaag voor staat?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Waar meneer Van de Sanden voor staat, is deugdelijke wetgeving die op een effectieve manier bijdraagt aan het beperken en beheersen van de instroom van migranten. Dat is waar ik voor sta: deugdelijke wetgeving.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Deugdelijke wetgeving is niet het nog meer beschermen van illegalen. Dat is juist ondeugdelijk. Dat is ondeugdelijk naar de Nederlandse samenleving, naar de gewone burgers, naar gewone hardwerkende ondernemers die hun winkels leeggeroofd zien worden en die in hun huizen ingebroken zien worden door criminele asielzoekers. Is het niet veel belangrijker om dat aan te pakken dan hier nu een obligaat verhaal te houden over wat wel of niet liberaal is?

De heer Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden):

Ik hoor u en ik laat uw woorden graag voor uw rekening. Waar wij vandaag voor staan en waar wij ook volgende week voor staan als we moeten gaan stemmen, is het beoordelen van de wetgeving die voorligt. Het andere laat ik graag aan u.

Voorzitter, tot slot. Mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording van de vragen. Kritisch, niet uit onverschilligheid voor het migratievraagstuk, maar vanuit de overtuiging dat de rechtsstaat zijn eigenlijk beginselen niet opgeeft als dat politiek uitkomt. Dat is geen handrem. Dat is de enige reden waarom hij bestaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik kijk naar de klok. Ik wil schorsen voor de dinerpauze tot 18.45 uur. Ik verzoek iedereen om de woordvoerders even eerst te laten eten. Dank u wel. Ik schors tot 18.45 uur.

De vergadering wordt van 17.44 uur tot 18.45 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik verzoek de leden hun plaatsen in te nemen en ik verzoek ook de geachte cameramensen hun plaatsen in te nemen. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de gezamenlijke behandeling van het wetsvoorstel Invoering tweestatusstelsel (36703), de Asielnoodmaatregelenwet (36704) en de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf (36885)

Wij gaan verder met de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik geef graag het woord aan de heer Dittrich, die al klaarstaat namens de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Mijn vader vluchtte uit het toenmalige Tsjecho-Slowakije voor het communisme. Hij zocht en vond asiel in Nederland. Als kind van een vluchteling heb ik er mijn hele leven voor gekozen om mij met het thema migratie in brede zin bezig te houden. Als advocaat deed ik bijvoorbeeld vreemdelingenpiket in Amsterdam, en als rechter maakte ik deel uit van de Vreemdelingenkamer. Als Tweede Kamerlid voor D66 werd ik in 1994 woordvoerder asiel en migratie.

In die periode kwamen er overigens meer asielzoekers naar Nederland dan vandaag de dag. In 1998, de tijd van Paars II, heb ik mij samen met staatssecretaris Cohen en de collega's van de VVD en de PvdA maandenlang beziggehouden met het uitdenken van voorstellen voor de Vreemdelingenwet 2000, wat wij toen "de grootste operatie van wijziging van asielregels" noemden, tot uiteraard de onderhavige wijzigingen van 2026. In al die jaren merkte ik dat gesprekken en debatten over asiel al heel gauw gingen over cijfers, grafieken en stromen mensen. Maar voor mij en voor D66 staat de mens centraal. Het gaat om mensen die zijn geboren en getogen in Nederland, maar ook om mensen die we hier een fatsoenlijk toevluchtsoord willen bieden. D66 wil grip op migratie, grip op hoeveel mensen en welke mensen ons land binnenkomen, grip op hoe en waar zij worden opgevangen en verblijven, en ook grip op de terugkeer van mensen die terug moeten of terug willen.

Deze asielwetten zijn, samen met het Europees Asiel- en Migratiepact, een heel grote verandering in ons asielbeleid, de grootste van de afgelopen 25 jaar. De belangrijkste vraag voor mijn fractie is: zorgen deze wetten ervoor dat we meer grip op migratie krijgen, op een manier die uitvoerbaar, effectief en rechtvaardig is? Om die vraag te beantwoorden, begin ik met het onderdeel dat D66 als een steen op de maag ligt, namelijk de strafbaarstelling van illegaliteit.

De criminalisering van mensen die om welke reden dan ook geen juiste papieren hebben, draagt voor mijn fractie niet bij aan grip op migratie. Er zijn namelijk tal van vormen van illegaliteit. Je hebt de afgewezen asielzoeker die niet is weggegaan, maar je hebt ook de verliefde werknemer die langer in Nederland blijft om bij zijn geliefde te zijn, langer dan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toelaat. Of je hebt de kleermaker die hier al tientallen jaren werkt en in Nederland kinderen heeft gekregen, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse kleermaker Gümüs; een zaak die de samenleving in 1997 enorm beroerde. Of je hebt de buitenlandse student die na zijn studie blijft hangen, of de in Nederland geboren jongere die tot zijn 18de jaar onderwijs geniet, maar daarna niet verder kan leren als gevolg van de Koppelingswet, die sociale voorzieningen koppelt aan de juiste documenten. De strafrechtelijke vervolging van al deze mensen zonder de juiste documenten, is wat mijn fractie betreft niet noodzakelijk, niet rechtmatig, niet uitvoerbaar, niet effectief en bovenal niet echt menselijk. Ik wil die argumenten een voor een langslopen. Uiteraard mag verblijf zonder de vereiste toestemming niet, maar dat kan op verschillende manieren worden hersteld, bijvoorbeeld door wel een vergunning te verlenen. Dat gebeurt ook met een zekere regelmaat. Waarom zou je die mensen een misdrijf moeten aanwrijven en zes maanden lang moeten kunnen opsluiten daar waar we bestuursrechtelijk uit de voeten kunnen? Dat vond de regering ook en daarom werd het amendement van de PVV ontraden.

Deze constatering raakt direct aan de noodzakelijkheid van de maatregel. Indien voor de beperkte groep waarop de minister zich beroept, reeds effectieve bestuursrechtelijke en ook strafrechtelijke instrumenten beschikbaar zijn, heeft de wetgever in onze ogen niet inzichtelijk gemaakt waarom een aanvullende en generieke strafbaarstelling noodzakelijk is. De wetgever heeft niet gemotiveerd welk concreet handhavingsprobleem met artikel 108a Vreemdelingenwet wordt opgelost, een probleem dat niet reeds binnen het bestaande juridische kader kan worden aangepakt. Daarom ontbreekt naar onze mening dragende onderbouwing voor de inzet van het strafrecht.

Het beslissende moment waarop alle bestuursrechtelijke maatregelen zijn uitgeput en strafrechtelijke handhaving zou mogen aanvangen, wordt niet in de tekst van de wet vastgelegd, want artikel 108a Vreemdelingenwet bevat geen bepaling die dit moment definieert of procedureel afbakent. Dat is een essentieel begrenzend criterium voor strafbaarheid en dat wordt dus niet meer door de wetgever zelf vastgesteld, maar overgelaten aan de uitvoeringspraktijk en aan rechterlijke interpretatie.

Daar komt bij dat de uitvoeringspraktijk zelf dit beslissende moment als feitelijk onbepaalbaar beschouwt. We hebben bijvoorbeeld berichten van de Dienst Terugkeer en Vertrek, de DTenV, die in de quickscan expliciet heeft aangegeven dat zolang een persoon niet is teruggekeerd en nog onrechtmatig in Nederland verblijft, het terugkeerproces in de praktijk niet ophoudt. Het terugkeerproces is eigenlijk pas afgerond wanneer terugkeer feitelijk heeft plaatsgevonden. En ook uitvoeringsorganisaties als de politie, de vreemdelingendienst AVIM, de Dienst Terugkeer en Vertrek, het Openbaar Ministerie en zelfs de Inspectie Justitie en Veiligheid van het ministerie van Justitie wijzen deze strafbaarstelling af.

Voorzitter. De veronderstelde begrenzing is daarmee niet enkel juridisch onvoldoende verankerd, maar ook praktisch onuitvoerbaar. De minister zegt een en andermaal dat er voorwaarden zullen worden verbonden aan vervolging van dit misdrijf in het kader van de Terugkeerverordening: men moet een terugkeerbesluit hebben, men moet terug kunnen keren, maar die terugkeer tegenwerken. Maar helaas staan die beperkende voorwaarden niet in de wettekst zelf en het beginsel "lex certa est" is niet nagekomen. Daar hebben we vragen over gesteld in de schriftelijke voorbereiding en de minister zegt dan: maar er komt vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. Maar dat vervolgingsbeleid is nu nog niet bekend. Dus dat stelt ons niet gerust. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft expliciet aangegeven dat deze verwijzing naar toekomstig vervolgingsbeleid onvoldoende waarborgen biedt nu dit beleid niet vaststaat, niet bindend is voor de rechter en geen rechten schept voor betrokkenen.

Daarmee ontbreekt een wettelijk verankerde en voorzienbare afbakening van de strafbaarstelling. Dat zegt ook de Raad voor de rechtspraak. Van deze raad hebben we ook een brief gekregen waarin staat dat een nadere afbakening door de wetgever zelf had moeten worden geboden. Want een volgend College van procureurs-generaal of een volgende minister kan denken: weet je wat, ik gooi het roer om en we gaan ongedocumenteerden actief opsporen. Daarom hebben we juist verankering in de wettekst nodig. Die wettekst moet zo duidelijk mogelijk zijn en dat is ie niet. Om dit stukje af te ronden: we krijgen de Terugkeerverordening nog ter behandeling in deze Kamer en ook in de Tweede Kamer, en die gaat gepaard met een invoeringswet, een aanpassingswet om 'm in de Nederlandse wetgeving te incorporeren. Is het dan niet veel handiger, vraag ik aan de minister, om te wachten tot we de Terugkeerverordening hier bespreken om dan te kijken hoe we wellicht aanpassingen in die wettekst kunnen doen, zodat artikel 108a van de Vreemdelingenwet niet geldt? Ik vraag aan de minister of hij bereid is om, stel dat de wetten worden aangenomen, artikel 108a niet in werking te laten treden totdat wij in de Tweede en in de Eerste Kamer over de Terugkeerverordening hebben gesproken en die hebben goedgekeurd.

De heer Schalk i (SGP):

Een vraag aan de heer Dittrich: er is toch ook in de schriftelijke ronde en dergelijke al uitvoerig uitgelegd hoe dat vervolgingsbeleid vorm zal krijgen en dat het dus niet de bedoeling is dat er zomaar vervolging wordt ingesteld, maar dat vervolging alleen wordt toegepast op mensen die crimineel gedrag vertonen of overlast geven? Dan moeten we nu toch ongedocumenteerden niet bang maken door continu te blijven roepen: ja, maar in de toekomst kan dat toch anders gaan? Daarom moeten we het toch juist hier, in dit wetgevingsoverleg, zo helder mogelijk formuleren?

De heer Dittrich (D66):

Daar is het gezegde lex certa est heel belangrijk. Burgers in Nederland worden geacht de wet te kennen, maar ze moeten, als ze de wet lezen, wel weten wat er van hen wordt verwacht. We zien — ik geloof dat het mevrouw Karimi was die de wettekst hier heeft geciteerd — dat dit een heel generieke bepaling is, waar niet in staat welke beperkende voorwaarden er zijn. Ik ben het met u eens dat de minister onder andere ook op onze vragen antwoord heeft gegeven, maar zoals de Raad voor de rechtspraak zelf ook zegt: het is aan de wetgever om in de wettekst afbakeningen te geven die werkbaar zijn.

De heer Schalk (SGP):

Wat de heer Dittrich zegt, is absoluut begrijpelijk, maar datgene wat hier en in de schriftelijke rondes afgesproken is, verandert niet in de toekomst. Dan lijkt mij in ieder geval niet dat er gebeurt wat hij zojuist zei, namelijk dat een volgend kabinet of een andere minister het weer anders zou kunnen interpreteren. Ik zou het nog zomaar eens zijn met de heer Dittrich dat je tegen de minister zegt: u moet zorgen voor heel goede informatievoorziening. Maar om nu te blijven redeneren dat een ander kabinet op een andere manier met deze wetgeving omgaat ... Daarom voeren we toch juist dit debat?

De heer Dittrich (D66):

Ik heb het gevoel dat u het interruptiedebatje van voor de pauze een beetje overdoet. Daar is niets op tegen, overigens. Maar het gaat natuurlijk niet alleen over wat burgers in de wettekst kunnen lezen. Het gaat ook over uitvoeringsdiensten. Stel je voor dat de politie op basis van dit artikel mensen gaat oppakken, omdat er bij de politie in het politiekorps misschien ook mensen zijn die zeggen "we moeten tough zijn op ongedocumenteerden en we moeten die eens eventjes flink gaan aanpakken". Dan biedt de wettekst helemaal geen helderheid en we kunnen niet van de mensen in de samenleving verwachten dat zij de antwoorden nog eens gaan doornemen die zijn gegeven op schriftelijke vragen die in de Eerste Kamer in de tweede of derde ronde zijn gesteld. De wetsgeschiedenis is van belang voor rechters en voor de interpretatie, maar het is onze taak als medewetgevers om die afbakeningen zo helder mogelijk met elkaar vorm te geven.

De voorzitter:

Tot slot de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Toch heeft D66 via een regeringsverklaring aangegeven dat het, als deze wet wordt aangenomen, die wel zou gaan uitvoeren. Dan ga ik er toch van uit dat D66 de wet uitvoerbaar acht. Ik zou toch denken dat juist de politie niet als voorbeeld gebruikt moet worden, want …

De heer Dittrich (D66):

Politici of politie? Wat zei u? Sorry.

De heer Schalk (SGP):

U had het zojuist over de politie en dat die misschien ineens zomaar ongeclausuleerd zou gaan oppakken. Ik merk juist dat de politie heel goed beziet wat hier wordt afgesproken en ik kan me niet voorstellen dat die ineens zomaar een eigen route zou kiezen. Dan is er altijd nog het Openbaar Ministerie dat ook terug zal grijpen op de huidige wetgeving.

De heer Dittrich (D66):

Wat u nu zegt, verbaast mij hogelijk, want we hebben juist van de politie en het Openbaar Ministerie gehoord dat ze deze wetsvoorstellen niet zien zitten, onder andere omdat ze een afbakening missen. Dan gaat de heer Schalk zeggen dat de politie dat wel kan. Dat is echt niet wat ons gebleken is toen we de hoorzitting hier in de Eerste Kamer organiseerden.

De heer Van Hattem i (PVV):

De heer Dittrich van D66 heeft het over het rechtszekerheidsbeginsel, lex certa, en dat mensen moeten weten wat er in de wet staat, maar volgens mij is de wet heel duidelijk: als je hier niet mag verblijven, ben je hier illegaal of, zoals de heer Dittrich het misschien wil noemen, "ongedocumenteerd", maar het is illegaal. Je bent dan hier de wet aan het overtreden door in dit land te verblijven, terwijl je al meerdere malen te horen hebt gekregen dat je hier moet vertrekken. De wet is dus gewoon duidelijk. Als je dan vervolgens zegt "ik blijf hier toch" en je komt hier ook nog eens een keer een petitie aanbieden — de heer Dittrich gaat dan ook nog vrolijk met je op de foto — dan weet je toch dat je hier illegaal bent en dat je wet overtreedt? Dan is de wet toch gewoon duidelijk?

De heer Dittrich (D66):

Laat ik hier als eerste het volgende op antwoorden. Ik had graag gezien dat u als voorzitter van de commissie voor Immigratie & Asiel in de Eerste Kamer zelf naar buiten was gegaan en met mensen was gaan spreken die hier ongedocumenteerd zijn. Maar nee, we konden u nergens vinden en toen heeft u de ondervoorzitter de petitie laten aanvaarden. Dat dus ten eerste. Dat mensen dan graag op de foto willen … Nou, graag. Ik vind het beneden alle peil dat u dat naar voren brengt. Als voorzitter van die commissie had u ervoor moeten staan en moeten uitleggen waarom u zo voor deze wetgeving bent.

De heer Van Hattem (PVV):

Als voorzitter ben ik neutraal, dus ik ga dan ook niet met een groep illegalen op de foto. Als de voorzitter van de commissie voor Justitie en Veiligheid, de heer Dittrich, hier de volgende keer staat en er staat een groep relschoppers die de ruiten van het D66-kantoor heeft ingegooid — zij weten dat dat niet mag; het is ook wettelijk verboden om een pand moedwillig te vernielen — en die komt hier bij de Eerste Kamer een petitie aanbieden, gaat hij dan ook met die groep op de foto?

De heer Dittrich (D66):

Dit zijn van die als-danvragen waarop ik niet inga.

De voorzitter:

Terug naar het onderwerp, de wetten.

De heer Van Hattem (PVV):

Er zijn grenzen aan wat je doet en daar kun je ook afwegingen in maken. Een van die grenzen is toch wel het overtreden van de wet. Daarom was mijn vraag aan de heer Dittrich: als iemand ervoor kiest om willens en wetens de wetten van dit land te overtreden en te horen heeft gekregen, vaak meermaals, dit land te moeten verlaten maar hier toch blijft, dan is de wet toch gewoon duidelijk? Dan is de wet toch zo dat je het land moet verlaten? Dan is er toch geen rechtsonzekerheid? Dan ben je hier toch gewoon illegaal? Dan moet je toch gewoon vertrekken? Hoe duidelijk kan de wet zijn?

De heer Dittrich (D66):

Mijn betoog is er juist op gericht dat de wet helemaal niet duidelijk is. Daar heb ik net al een aantal voorbeelden van gegeven. De wet is totaal niet duidelijk. Daarom is de politie tegen. Daarom is het OM tegen. De AVIM is tegen. Justitie en Veiligheid is tegen. Alle uitvoeringsorganisaties — COA, IND en noem maar op — zijn tegen. Wij, hier in de Eerste Kamer, moeten als medewetgever bekijken: is een wet uitvoerbaar, is die helder genoeg en kan die in praktijk goed toegepast worden? Wij krijgen alleen maar adviezen waaruit blijkt dat dit niet zo is. Ik ontkracht uw stelling dat de wet duidelijk is. Dat is die juist niet.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Als iemand hier meermaals te horen heeft gekregen, juist van die uitvoeringsorganisaties, dat hij hier niet meer mag verblijven en dat zijn verblijf in dit land illegaal is, is het toch duidelijk dat hij moet vertrekken? Wij maken hier de wetten, niet de politie, niet de IND en niet de uitvoeringsorganisaties. Maar als een uitvoeringsorganisatie iemand laat weten dat die in dit land niet-legaal is, dan is het toch duidelijk dat iemand moet vertrekken? Wat is daar dan onduidelijk aan?

De heer Dittrich (D66):

Ik ben midden in mijn betoog om duidelijk te maken waarom deze wet niet deugt en waarom die wat D66 betreft niet aanvaard moet worden.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ben heel blij met de interpellatie van de heer Van Hattem, want die geeft in zijn betoog aan waar de heer Dittrich gelijk in heeft. Als je van de overheid een beschikking hebt gekregen dat je moet opdonderen of je hebt te horen gekregen dat je ongewenst verklaard bent of er is een andere beschikking waar een verplichting uit voortvloeit dat je het land moet verlaten, waarbij die verplichting dan al drie keer is opgelegd, dan is er duidelijk een verplichting die je moet nakomen. Maar als ik het goed begrijp, zegt u: als ik lees wat er in die wet staat, staat er niet dat er een verplichting is opgelegd om het land te verlaten, maar iets vaags over dat de betrokkene zelf moet vermoeden dat hij onrechtmatig verblijft. Zie ik dat goed?

Mijn tweede vraag. De voorbeelden die u noemde, komen er toch eigenlijk op neer dat de bakker of een ander van wie de termijn om te verblijven verstreken is, al een dag daarna onrechtmatig verblijft? Als hij zegt "ja, maar ik ga een vergunning aanvragen" of "ik ga praten met mijn werkgever of we kunnen regelen dat ik langer kan blijven", kan diegene in de ogen van deze wet en in de ogen van de PVV op dat moment al worden opgepakt. Is dat nou precies wat u bedoelt?

De voorzitter:

Meneer Nicolaï, u had het net over een interpellatie, maar het was een interruptie, zeg ik even voor de helderheid.

De heer Dittrich (D66):

Ik vind dat de heer Nicolaï wel gelijk heeft in zijn analyse, want die wettekst is volstrekt niet helder. Wanneer je één dag nadat je arbeidscontract voor bepaalde tijd is afgelopen nog in Nederland bent, ben je hier volgens de tekst van de wet en volgens de toelichting van het amendement waardoor die tekst in de wettekst terecht is gekomen, ongedocumenteerd, pleeg je een misdrijf en kan je maximaal zes maanden gevangenisstraf krijgen. Zo zit de wettekst nu in elkaar.

De heer Nicolaï (PvdD):

Zie ik het dan ook goed dat dit, als het gaat om iemand die ongewenst verklaard is of die een inreisverbod gekregen heeft, op dit moment gewoon al strafbaar is?

De heer Dittrich (D66):

Ja, dat hebt u goed gezien. Dat klopt. Dat hebben we natuurlijk uit-en-te-na met de minister in de schriftelijke voorbereiding besproken. Daar zijn al artikelen voor. Onder bepaalde omstandigheden ben je al strafbaar. Neem het geval dat je strafbare feiten pleegt, een gevangenisstraf hebt gehad en ongewenst wordt verklaard; dan moet je het land uit. Als je dat niet doet, ben je strafbaar. Dat hebben we al. Dus daarvoor is deze wettekst helemaal niet nodig.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Maar ik kan me toch voorstellen — die vraag wil ik dan nog tot slot stellen — dat wij wel kunnen leven met een wetsbepaling waarin staat dat je strafbaar bent wanneer de overheid jou bevoegdelijk een bevel heeft gegeven om het land te verlaten.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar dat staat dus niet in de wettekst die wij hier bespreken. Wij hebben geen recht van amendement, dus we moeten het doen met het PVV-amendement dat op een achterna-avond in de wettekst terecht is gekomen. Vervolgens is er een novelle gekomen waarin een deel daarvan eruit werd gehaald, maar een deel ook niet. Wij hebben grote bezwaren — dat mag inmiddels wel duidelijk zijn — tegen dat gronddelict, dat nog steeds in de wettekst staat.

De heer Lievense i (BBB):

Ik zal mijn mening achterwege laten, maar ik heb even een technische vraag. Wij hebben zoveel technische briefings gehad en stukken gehad. Mijn fractie heeft het zo begrepen — er is nog meer dan alleen deze wetgeving; we hebben ook gewoon EU-regels — dat het altijd terugkeer vóór straf is.

De heer Dittrich (D66):

Sorry? Terugkeer …

De heer Lievense (BBB):

Terugkeer vóór straf. Dus eerst, ook met deze wet, ga je het hele proces in voor terugkeer op een ordentelijke wijze, is ons daar bij die technische briefing verteld. Pas als je daar niet aan meewerkt, komt straf aan de orde. Ik hoor u deze wettekst nu heel eng uitleggen. Daar heeft u een reden voor. Maar hoe ziet u dat dan in het licht van de technische briefing, waar duidelijk is uitgelegd dat zoals u het nu uitlegt, sowieso op basis van EU-regels niet kan?

De heer Dittrich (D66):

Hoe zal ik dit nou eens vertellen? Je hebt mensen die Nederland niet willen verlaten. Dan is het de vraag of ze dat tegenwerken of niet, maar dat is een ander verhaal. Maar mensen willen het land niet uit. Op een gegeven moment kan je volgens de wettekst strafbaar worden gesteld. Dan word je in de gevangenis opgesloten, als er überhaupt al plaats is. We weten namelijk ook dat er een plaatsgebrek is en dat zelfs de diensten zeggen dat ze deze mensen niet willen opsluiten omdat andere mensen die van de rechter een straf hebben gekregen eerder in de gevangenis zouden moeten zitten, maar dat even daargelaten. Als je een strafbaar feit pleegt en je wordt opgesloten, kom je daarna vrij. Dat wordt de "carrouselvreemdeling" genoemd. Die is dan namelijk nog steeds in Nederland. We hopen dan natuurlijk dat iemand terug wil keren naar het land van herkomst, maar als dat niet gebeurt, kan je bij het verlaten van de gevangenispoort opnieuw aangewreven worden dat je je niet houdt aan de wettekst. Dan kan je opnieuw strafbaar worden gesteld. In mijn optiek zou het op een gegeven moment misbruik van procesrecht door de overheid betekenen als iemand keer op keer op keer gevangengezet wordt omdat diegene het land niet uitgaat.

De heer Lievense (BBB):

Volgens mij was dat geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was de volgende. U legt deze wettekst uit. Dat kan ik volgen. Ik ga het nog één keer proberen. In de technische briefing, waar ook gewoon de vragen leven die we met elkaar hebben gesteld, is duidelijk het volgende aangegeven. Hoe je het ook wendt of keert en wat er ook staat: het is binnen Europese regels altijd zo dat terugkeer voor straf gaat. Even los van de vraag of gevangenissen wel of niet vol zitten — het is echt een technische vraag en ik probeer u te volgen — ga je als je uitgeprocedeerd bent eerst in de terugkeercyclus. Pas als je daarin nergens meer aan meewerkt, kom je bij strafbaarstelling en pas dan kun je daarvoor opgepakt worden. Zo heb ik het begrepen in alle stukken en technische briefings.

De heer Dittrich (D66):

Dat is wat ik eerder al naar voren heb gebracht. Dat zegt de minister ook in antwoord op vragen van dezen en genen uit de Kamer, ook van D66. Natuurlijk probeer je vrijwillige terugkeer mogelijk te maken. Je probeert daar een zetje aan te geven en je probeert het sterker te maken. Op een gegeven moment lukt het niet meer. Ik heb naar voren gebracht dat dat niet in de wettekst zelf staat. Meneer Schalk heeft mij geïnterrumpeerd en gezegd dat dat deel uitmaakt van de wetsgeschiedenis. Dat kunnen wij begrijpen. Mijn stelling is dat het in de wettekst moet. Dat is niet alleen mijn stelling, maar ook die van de Raad voor de rechtspraak en andere organisaties.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Lievense.

De heer Lievense (BBB):

Dan zijn we er nu uit. Mijn stelling daarbovenop is dan: er is meer dan alleen deze wetstekst. We komen daar later nog wel op terug.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben heel benieuwd hoe u dat dan gaat doen.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Ik wil toch even reageren op wat collega Nicolaï heeft gezegd. Hij doet namelijk niet mee aan het debat. Of doet hij wel mee aan het debat? Ik twijfel even.

De voorzitter:

De woordvoering in de eerste termijn werd gedaan door mevrouw Perin van Volt, maar de heer Nicolaï kan wel interrupties plegen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik hecht eraan om toch even het volgende aan te geven. Net werd gesteld dat als iemand werkt, diegene een dag na het verloop van zijn verblijfstitel direct strafbaar is vanwege illegaliteit. Dat is niet zo. Voordat je aan strafbaarstelling toekomt, moeten eerst de bestuurlijke maatregelen allemaal zijn doorlopen. Wat er gezegd wordt, is dus gewoon niet waar. Voor de Handelingen wil ik dat toch graag op laten nemen. Collega Dittrich gaf aan dat hij het correct acht, maar dat acht ik dus niet zo.

De heer Dittrich (D66):

Ik zie dat hier een verschil van inzicht is. Ik stel voor dat de minister daar in zijn beantwoording helderheid over gaat verschaffen.

Voorzitter, ik ga mijn betoog vervolgen. Ik heb het al over het cellentekort en dergelijke gehad. Maatschappelijke organisaties geven echt aan dat er een chilling effect kan ontstaan of zal ontstaan doordat — het is door vorige sprekers ook al gezegd, dus ik zal het kort houden — ongedocumenteerden niet naar de dokter of het ziekenhuis durven te gaan, of geen aangifte durven te doen als ze slachtoffer zijn van een misdrijf, want je weet maar nooit. Kinderen op school zijn bang dat hun ouders opgepakt kunnen worden als die de school bezoeken terwijl ze ongedocumenteerd zijn. Daar hebben we allerlei vragen over gesteld. Daarover heeft de minister gezegd: nou, dan gaan we extra voorlichting geven. Dat siert de minister, maar ik denk dat de praktijk van alledag anders is en dat mensen die bang zijn en die toch al een beetje in de verdomhoek zitten, niet door overheidsvoorlichting bereikt zullen worden en daardoor dus ook niet gerustgesteld zullen kunnen worden. Kortom, illegaliteit strafbaar stellen klinkt stevig, alsof je daardoor meer grip op migratie krijgt, maar de minister heeft zelf ook al aangegeven dat daar geen bewijs voor is. Kijk maar naar andere landen, bijvoorbeeld België en Duitsland, waar illegaliteit wel een misdrijf is. In die landen zijn hele discussies gaande, omdat het leidt tot polarisatie en niet tot minder migratie. Dus nogmaals, wat D66 betreft is strafbaarstelling van illegaliteit niet noodzakelijk, niet rechtmatig, niet uitvoerbaar, niet effectief en niet rechtvaardig. Om al deze redenen zijn wij tegen de strafbaarstelling van illegaliteit.

Daarover heb ik wel een vraag aan de minister. Is de minister bereid om bij de inwerkingtreding van de Asielnoodmaatregelenwet, als die wordt aangenomen natuurlijk, het artikel 108a Vreemdelingenwet niet in werking te laten treden? Zou hij willen toezeggen dat dit onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet niet van kracht zal worden? Zou hij bijvoorbeeld allereerst een nieuw wetsvoorstel willen indienen, dat 108a Vreemdelingenwet formeel schrapt, zodat er in de toekomst geen onduidelijkheid over kan bestaan? Ten tweede. Als de wet wordt aangenomen, is de minister dan bereid om het artikel niet in werking te laten treden totdat we hier besluitvorming hebben gehad over de wetgeving rond de Terugkeerverordening, zodat duidelijk blijft dat illegaal verblijf niet strafbaar is?

De heer Lievense (BBB):

Ik heb een korte vraag. Mijn fractie begrijpt dat de strafbaarstelling voor D66 een brug te ver is; daarover mag je van mening verschillen. Ik hoor u nu een vraag stellen aan de minister. Ik denk daaruit te kunnen opmaken dat als de minister dit toe zou zeggen, D66 instemt met de wetgeving. Dan krijgen we deze discussie weer bij de Terugkeerverordening. Dat heeft de heer Dittrich volgens mij ook aangegeven: dan gaan we het er op dat moment verder met elkaar over hebben. Begrijp ik goed dat D66 instemt met de wetgeving als de minister dit toezegt?

De heer Dittrich (D66):

Het is jammer dat u die vraag nu stelt, want ik ga nu beginnen met allerlei andere bezwaren tegen alle drie de wetsvoorstellen.

De heer Van Hattem (PVV):

D66 had al aangegeven tegen de wetsvoorstellen te zullen gaan stemmen, dus dat de heer Dittrich nu met bezwaren komt, is best voor de hand liggend. Alleen is het natuurlijk wel gek. We zitten met een regeringscoalitie waarin D66 de grootste partij is en waarin belangrijke afspraken zijn gemaakt over migratie, en D66 stemt dus gewoon tegen een van de belangrijkste onderliggende wetten in deze regeringscoalitie. CDA en VVD laten dit als coalitiepartners gebeuren. Mijn vraag aan de heer Dittrich van D66 is dus: is dit niet gewoon regeren à la carte? En nu vraagt u ook nog eens om uitstel van een artikel om de strafbaarstelling van illegaliteit uit de weg te ruimen. Wat blijft er nou nog over van een stevig migratiebeleid met een D66 dat op deze manier de zaak aan het uitspelen is?

De heer Dittrich (D66):

Ik vind dat de heer Van Hattem zo krampachtig doet over coalitiepartners die elkaar ruimte geven om vanuit hun eigen maatschappijvisie gevolg te geven aan een van de belangrijkste debatten in dit huis. Niet zo krampachtig doen. Wij hebben een bepaalde maatschappijvisie, het CDA heeft een bepaalde maatschappijvisie en de VVD heeft een bepaalde maatschappijvisie. Wij zijn coalitiepartners, maar dat betekent niet dat je zomaar je eigenheid overboord zou moeten gooien. Het is mijn taak als Eerste Kamerlid om wetgeving te beoordelen. Is die zorgvuldig, rechtmatig, uitvoerbaar en handhaafbaar? Is die in strijd met Europese verdragen? Daar kom ik straks nog op. Ik wil mijn taak als Eerste Kamerlid serieus nemen. Als ik vind dat zo'n wet de toets der kritiek niet kan doorstaan, wil ik de vrijheid hebben — die neem ik ook gewoon — om dat luid en duidelijk naar voren te brengen.

De heer Van Hattem (PVV):

Die vrijheid heeft de heer Dittrich zeker, maar dan is het wel de vraag of jullie überhaupt een coalitie hebben. Want dit lijkt toch nergens op? Een coalitie, een zogenaamde "coalitie", die gewoon zegt dat je tegen een van de belangrijkste wetten kan stemmen, tegen de belangrijkste maatregelen die er liggen om asielmigratie naar dit land te beperken ... En een coalitie die ondertussen roept "we willen grip op migratie krijgen", met de grootste coalitiepartij die daar vervolgens tegen stemt. Er wordt dan wel gezegd dat ze het wel gaan uitvoeren als het wordt aangenomen, maar wat is dit voor nepcoalitie? Kan de heer Dittrich uitleggen wat dit nog voor coalitie is als er gewoon maar à la carte maatregelen kunnen worden weggestemd of niet?

De voorzitter:

Ik vind dat "à la carte" netter dan die "nepcoalitie". De heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Ik wil inderdaad afstand nemen van die woorden, van "nepcoalitie" en weet ik veel wat de heer Van Hattem allemaal naar voren heeft gebracht. Het gaat erom dat wij ons werk serieus willen doen en dat betekent dat je soms andere afwegingen maakt. Er staat in het coalitieakkoord van deze drie partijen: indien de asielwetten worden aangenomen, zullen ze onverkort worden uitgevoerd. Dat is precies de fase waarin we hier nu zijn. We zijn bezig om met elkaar te discussiëren. Als de wetten worden aangenomen, tja, dan krijgen ze kracht van wet en zou het wel heel raar zijn als de regering zou zeggen: ondanks dat het parlement ja heeft gezegd, doen wij het niet. Zo zit de democratie niet in elkaar; dat zou u moeten weten. Maar we zijn nu in de fase dat we proberen om met kracht van argumenten elkaar te overtuigen. Misschien blijkt volgende week bij de hoofdelijke stemming wel dat de meerderheid van de Kamer zegt: die wetten zijn kwalitatief onvoldoende, dus die stemmen we af. Dan kan deze minister heel snel met nieuwe wetsvoorstellen komen om — laten we zeggen — de schade die het PVV-amendement heeft aangericht, ongedaan te maken.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat is geen schade, maar een verrijking van de wet, want het is iets wat keihard nodig is om illegaliteit in dit land aan te pakken en te zorgen dat degenen die hier niet moeten zijn — en dan hebben we het over tienduizenden mensen — dit land eens een keer gaan verlaten; dat we eens een keer gaan inzetten op remigratie in plaats van hier alleen maar meer mensen binnen te laten. En dan vraag ik dit nog aan de heer Dittrich. Hij zegt "je weet hoe een democratie werkt", maar een democratie werkt ook nog eens zo dat als een partij als D66 het ten principale niet eens is met bepaalde wetgeving en die toch wordt aangenomen, ze ook kan zeggen dat ze geen deel meer wil uitmaken van een kabinet dat zulk soort wetten moet gaan uitvoeren, sterker nog, wil gaan uitvoeren. Dus: waarin zit dan het verschil tussen hiertegen stemmen en het vervolgens wel gaan uitvoeren als het wordt aangenomen? Waar zijn dan de principes van D66? Is dat dan niet gewoon pure hypocrisie?

De heer Dittrich (D66):

Wij zijn geen weglopers, zoals de PVV in het vorige kabinet. Wij nemen onze verantwoordelijkheid. Maar in deze Kamer nemen wij ook onze verantwoordelijkheid door te kijken of wetten goed in elkaar zitten, of ze zorgvuldig zijn, handhaafbaar, uitvoerbaar, niet in strijd met Europese regels. In die fase van de bespreking zijn we nu. Ik geef met kracht van argumenten aan waarom wij onze opvatting hebben. Anderen hebben hun opvatting. Uiteindelijk wordt er gestemd en gaan we zien hoe het loopt.

Voorzitter. Ik zou graag door willen gaan met mijn verhaal. Dat gaat over een ander heikel punt in deze wetsvoorstellen: de keuze om nareis bij subsidiair beschermde vreemdelingen te beperken. We kunnen er niet omheen: er komen veel asielzoekers naar Nederland, en er zijn ook veel nareismogelijkheden. Dus op zichzelf vindt D66 het logisch dat er wordt gekeken naar hoe we daar beperkingen kunnen aanbrengen. We weten dat dat ook in andere landen is gebeurd; dat heeft de minister ons zelf gezegd in de schriftelijke beantwoording. Het kabinet zegt: wij kiezen ervoor om ons te houden aan de minimale variant van het Asiel- en Migratiepact. Dus alleen mensen die tot het kerngezin behoren, bijvoorbeeld getrouwd zijn met de oorspronkelijke asielzoeker, krijgen nog het recht op nareis. De vraag is dan natuurlijk: is dat wel een faire keuze? Mevrouw Huizinga van de ChristenUnie bracht dat ook naar voren en ik was het heel erg met haar eens. Er zijn namelijk mensen in landen van herkomst die niet kunnen trouwen met de asielzoeker. Denk bijvoorbeeld aan christenen in Nigeria die geen gemengd huwelijk mogen aangaan met iemand van het islamitische geloof. Ik heb die mensen hier op straat zelf gesproken. Denk ook aan homo's en lesbiennes die niet mogen trouwen in hun land van herkomst. De inperking waar het kabinet voor gekozen heeft, leidt in onze ogen indirect tot discriminatie op basis van seksuele geaardheid dan wel religie en dat is volgens artikel 1 van de Grondwet niet toegestaan.

Nederland had de beperkingen op nareis voor deze groep kunnen opheffen en hen met het kerngezin gelijk kunnen trekken, maar nu moeten deze mensen een beroep gaan doen op artikel 8 van het mensenrechtenverdrag, het recht op familieleven, om hetzelfde nareisrecht te krijgen. Voor hen is dat omslachtig. In dat verband wordt dan telkens gezegd: "Er vindt dan een belangenafweging plaats. Individuele feiten en omstandigheden staan centraal, maar de afweging ziet ook op het belang van de Nederlandse Staat en het belang van gezinshereniging daartegenover." Maar de omstandigheid dat een vreemdeling een ongehuwde partner is, wordt weliswaar in die afweging betrokken maar wij denken dat het beter is om wat dat betreft nog een versoepeling aan te brengen. Daarom zou ik de minister willen voorstellen om de IND een werkinstructie te geven om deze groepen, die dus niet in hun land van herkomst mogen trouwen, tegemoet te komen en hen een lastige rechtsgang te besparen door de IND ambtshalve een toets te laten doen en vervolgens positief te beslissen, zodat zij daarvoor in aanmerking kunnen komen. Ik krijg graag een toezegging van de minister op dit punt. Ik kan vast melden dat ik een motie hierover heb voorbereid om in te dienen, afhankelijk van het antwoord van de minister.

Bij de nareisbeperkingen valt trouwens nog iets op — daar heeft mevrouw Karimi het ook al over gehad — bij de subsidiair beschermden, want mensen moeten cumulatief voldoen aan bijvoorbeeld een huisvestingseis en een inkomenseis, terwijl we al weten dat er een gigantisch tekort aan woningen is. Doorstroomwoningen komen ook niet voldoende van de grond. Ongeveer een derde van de mensen die in COA-woningen, asielopvang, zitten, is statushouder, dus dit huisvestingsvereiste betekent de facto dat nareizigers van subsidiair beschermden eigenlijk niet naar Nederland kunnen komen ten tijde van zo'n woningtekort. De vraag aan de minister is dus: zien wij dat goed en wat is daarop de reflectie van de minister? Mevrouw Huizinga stelde deze vraag daarbij geloof ik ook al, maar stel dat zo'n nareiziger denkt: "Maar die eisen vind ik zo streng. Weet je wat? Ik ga gewoon zelf asiel aanvragen en dat doe ik dan helemaal niet via de nareisroute." Wordt het systeem dat in dit wetsvoorstel wordt opgetuigd daarmee dan niet weer ondergraven? Graag een reactie van de minister.

Dan de ingevoerde wachttijd van twee jaar. De allereerste vraag is natuurlijk: gaat die wachttijd nou gelden vanaf de datum van de asielaanvraag van de oorspronkelijke asielzoeker? Dat wordt door professor Lawson van het College voor de Rechten van de Mens bepleit. Of gaat die wachttermijn van twee jaar in op het moment van de statusverlening? Want als dat laatste het geval is, dan wacht men de facto twee, drie, vier jaar voordat de nareiziger zich bij de oorspronkelijke asielzoeker kan voegen en daarvan heeft de Commissie Meijers gezegd dat dat de toets van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet zal gaan halen. Graag een reactie van de minister daarop.

Dit betekent overigens ook dat ouders en alleenstaande kinderen die een subsidiaire status krijgen, ook twee jaar moeten wachten voor ze om gezinshereniging kunnen vragen, terwijl artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind voorschrijft dat kinderen zo spoedig mogelijk met hun ouders herenigd moeten worden. Kortom, wat een menselijke drama's spelen hier achter al deze bepalingen. Je zal maar zo lang van je geliefde of van je ouders gescheiden zijn. Is dit niet vragen om mentale problemen en om andere problemen, waar uiteindelijk de Nederlandse samenleving ook weer bij betrokken zal raken? Graag een reflectie daarop van de minister. Nog één zin. De rechtszaak van België is al eerder aangehaald door voorgaande sprekers. Daar sluit ik me graag bij aan. We zouden even moeten wachten met deze bepalingen totdat we horen wat het Hof van Justitie daarover tegen België te melden heeft.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

De heer Dittrich begon zijn betoog met het verhaal dat het belangrijk is dat de instroom in Nederland naar beneden gaat. Vervolgens gaat zijn betoog toch vooral weer over het versoepelen van regels en het maken van uitzonderingen op regels. Van welke maatregelen vindt D66 wel dat die van kracht kunnen zijn om de instroom te beperken, aangezien dat is wat we met z'n allen willen?

De heer Dittrich (D66):

Dat wilde ik zeker gaan bespreken, want wij willen ook grip op migratie, via wetgeving die goed in elkaar zit. Nogmaals, wij vinden niet dat dat voor deze wetgeving geldt, maar we hebben wel degelijk allerlei voorstellen. Een aantal daarvan zal ik hier gaan bespreken.

Mevrouw de voorzitter, gelet op de tijd ga ik verder. Over het tweestatusstelsel moet ik toch echt het volgende zeggen. In het jaar 2000 hadden wij een tweestatusstelsel. Allerlei mensen met de B-status gingen procederen om de A-status te krijgen. Dat liep helemaal vast. Toen hebben we in Paars gezegd: "Weet je wat? We moeten daarvan af. We trekken dat gelijk, zodat niemand meer een belang heeft om van de ene naar de andere status te procederen." Daardoor heeft de IND een enorme inhaalslag kunnen maken. Allerlei zaken die lang liepen, werden opgelost. En nu gaan we weer een tweestatusstelsel invoeren met verschillende rechtsgevolgen. Je kan natuurlijk een tweestatusstelsel hebben — daar is op zich weinig op tegen — maar als je de verschillen in de rechtsgevolgen te groot maakt, dan lok je toch weer procedures uit. Dat is niet alleen onze visie, maar ook die van de IND en die van de rechters. Die zeggen: niet doen, want dit krijgt enorme gevolgen in de hele asielketen; de vertragingen worden groter en mensen blijven dan langer in de opvang. Het COA zegt dan weer: als mensen langer in de opvang blijven, hebben we weer een grote opvangcrisis.

De heer Van Hattem (PVV):

Het doel is uiteindelijk om de instroom te verminderen. We zien nu dat de andere Europese landen Nederland in de afgelopen 25 jaar allemaal hebben ingehaald. Nederland is het enige land dat geen tweestatusstelsel heeft. Dan is mijn vraag aan de heer Dittrich dus: waarom zouden wij hier de enige uitzondering willen zijn? Daardoor zijn we extra aanlokkelijk voor asielzoekers om naartoe te komen, waardoor de instroom juist groter wordt en de druk op de keten juist in stand blijft.

De heer Dittrich (D66):

Dat vind ik een goede vraag. Je kan inderdaad een tweestatusstelsel in het asielrecht hebben, maar dan moet je op een slimme manier kijken naar de voorwaarden die je daaraan verbindt. Als je de voorwaarden tussen de B-status en de A-status te groot maakt, lok je uit dat mensen en masse gaan procederen om die A-status te krijgen. Ik vind het heel logisch dat die mensen dat willen, maar daardoor krijgen we weer allerlei andere problemen. Daarom hebben we in het jaar 2000, met overgrote steun van partijen die hier ook vertegenwoordigd zijn, gedacht: we willen daarvan af; we trekken dat gelijk en dan hebben we veel minder procedures. Nu gaan we dat weer invoeren, dus het lijkt erop dat we niet geleerd hebben van het verleden.

De heer Van Hattem (PVV):

Het punt is nou juist dat er in het wetsvoorstel vier verschillende scenario's zijn uitgewerkt voor die verschillen, dus daar is al rekening mee gehouden. Maar we leven nu niet meer in het jaar 2000. We zijn dik 25 jaar verder en andere Europese landen hebben ons ingehaald. Sterker nog, het Asiel- en Migratiepact gaat straks volgens mij standaard uit van het tweestatusstelsel. Aangezien die andere Europese landen ons hebben ingehaald, is het dus niet meer relevant om te redeneren vanuit de gedachte dat er 25 jaar geleden meer doorgeprocedeerd werd. Nu moeten we toch juist gaan kijken hoe wij ons verhouden tot het hele Europese asielsysteem?

De heer Dittrich (D66):

Ik vind het wel grappig om de heer Van Hattem hier af en toe te zien staan als een soort Europeaan. Hij verwijst naar andere landen, zegt dat we ons daarbij aan moeten sluiten en dat we nu de enige uitzondering zijn. Mijn stelling is dat je moet kijken naar de rechtsgevolgen die je aan beide statussen verbindt en dat je daar op een slimme manier mee om moet gaan. Mijn standpunt is dat we dat in dit wetsvoorstel niet op een slimme manier hebben gedaan en dat het anders zou moeten zijn.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik kijk inderdaad specifiek naar de Europese context, want ik wil niet dat Nederland het afvoerputje van Europa is op het gebied van asiel en migratie. Dan is het dus juist belangrijk om te kijken wat er in de ons omringende landen gebeurt. We hebben niet voor niks gezegd dat we het strengste asiel- en migratiebeleid van Europa willen hebben, dus dan is het ook juist van belang dat je daarin vooroploopt. Het punt is nu het volgende. Als straks het Asiel- en Migratiepact er komt, wordt het tweestatusstelsel de standaard. Dan vraag ik dus aan de heer Dittrich waarom hij hier dan nu nog zo'n punt van maakt.

De heer Dittrich (D66):

Ik denk dat ik een misverstand uit de wereld moet helpen. Europa zegt niet dat je per se een tweestatusstelsel moet invoeren en dat het er zo en zo uit moet zien. Europa zegt dat er een tweestatusstelsel moet zijn en dat je zelf een zekere vrijheid hebt in hoe je dat inricht. Ik pleit er juist voor dat we dat op een slimme manier doen en niet op de manier zoals het nu is vormgegeven.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Dittrich (D66):

Mevrouw de voorzitter, ik sla een deel van mijn tekst over. Ik wil wel zeggen dat ik denk dat het ook een verkeerde gang van zaken is om verblijfsvergunningen nog maar voor drie jaar te geven aan asielzoekers, omdat mensen dan niet meer actief participeren in de Nederlandse samenleving. Dat kan zijn omdat ze bijvoorbeeld door de werkgever niet meer aantrekkelijk worden gevonden omdat ze na drie jaar misschien ontslagen worden of het land uit moeten. Er zijn dus allerlei redenen om dat niet te willen doen.

Ik constateer — dat is mijn volgende punt — dat in deze Vreemdelingenwet geen hardheidsclausule is ingebouwd, bijvoorbeeld als het gaat over subsidiair beschermden. Die moeten dus cumulatief aan al die vereisten voldoen. Het rare is dat wij ook in deze zaal — het was, denk ik, een jaar of drie geleden — met z'n allen zeiden: hardheidsclausules zijn zo belangrijk! We hadden de nasleep van het toeslagenschandaal en toen zeiden we met z'n allen: "We moeten hardvochtige wetgeving voorkomen. We moeten een hardheidsclausule hebben en ambtenaren moeten daarmee uit de voeten kunnen." Dan is het toch heel vreemd dat als het over vreemdelingen en de Vreemdelingenwet gaat, er opeens helemaal geen hardheidsclausule is. Komt dat nu doordat het over vreemdelingen gaat, vraag ik aan de minister. Dat zou heel raar zijn, want artikel 1 van onze Grondwet zegt dat iedereen die zich in Nederland bevindt, ongeacht onder andere de nationaliteit, op een gelijke manier moet worden behandeld. Je zou dus denken dat er ook in de Vreemdelingenwet een hardheidsclausule zou moeten.

Dan kom ik meteen bij de afschaffing van de voornemenprocedure. Indertijd kon je in bezwaar gaan en daarna in beroep. Toen hebben we in 2000 de bezwaarfase afgeschaald. Toen zeiden we dat we om de rechtsbescherming vorm te geven wel een voornemenprocedure moesten invoeren zodat een vreemdeling of zijn advocaat zou kunnen zeggen: dat voornemen van de IND deugt om deze en deze reden niet. Dat zou dan de kwaliteit van de besluitvorming ten goede komen. Nu schaffen we de voornemenprocedure af. De rechtsbescherming wordt dus steeds minder. Daarom zeggen de rechters tegen ons: "Doe dat nou niet, want je krijgt een waterbedeffect. Alles gaat nu op het bordje van de rechter komen. Er komen veel meer procedures die kwalitatief niet goed zijn. Doe dat dus niet." De vraag aan de minister is dus of hij daarop wil reflecteren.

Dan iets over het overgangsrecht en over het gegeven dat dat voor rechtsonzekerheid en ongelijkheid zorgt. Daar hebben andere sprekers het al over gehad en daar sluit ik me bij aan.

Dan wil ik nog het volgende naar voren brengen. De minister beschikt nog steeds over de discretionaire bevoegdheid, want de minister van Asiel en Migratie heeft nog de bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen op humanitaire gronden. Dat betekent dat hij nog altijd in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning mag verlenen. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 27 augustus 2025 geoordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft ook gezegd dat je de discretionaire bevoegdheid die in de wettekst staat, niet via een besluit mag afschalen. Daar heb je een wettelijke maatregel voor nodig, want een hogere maatregel mag niet door een lagere maatregel worden afgeschaft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zegt: minister, u moet gemotiveerd gebruikmaken van die discretionaire bevoegdheid. Dus is mijn vraag aan de minister: is hij bereid weer een concrete en redelijke invulling te geven aan de discretionaire bevoegdheid? Dat lijkt mij belangrijk omdat de rechtsbescherming met het afschalen van de voornemenprocedure in het gedrang komt. Ik kan me zo voorstellen dat dat tot allerlei onrechtvaardige beslissingen zou kunnen leiden. De vraag aan de minister is: hoe gaat hij de uitspraak van de Raad van State honoreren? Op dit punt heb ik, als dat noodzakelijk is, een motie voorbereid.

Mevrouw de voorzitter. Ik sla een heleboel over, ook over de samenloop met het Migratiepact, dat op 12 juni 2026 in werking treedt. Deze wetgeving treedt dan hooguit een paar weken van tevoren in werking. Daar hebben anderen ook al over gesproken. Ik sluit me bij hun vragen aan. Het is wel zo dat de wetgeving gefaseerd in werking kan treden. Dat kan ook per artikel. De minister hoeft niet alles in één keer in te voeren.

Dan wil ik eindigen waar ik mee begon, met het mensenwerk. We hebben net een petitie mogen aanvaarden. Heel veel Kamerleden waren daarbij aanwezig. Heel veel mensen vertelden hun verhaal. Ik heb vorige week nog ouders gesproken die ongedocumenteerd in Nederland wonen met drie kinderen, waarvan twee in Nederland zijn geboren, en een meisje van 2 jaar dat inmiddels 16 is en in de vierde klas van het gymnasium zit. Zij is bang om op schoolreisje mee te gaan met de andere kinderen en de ouders durven niet naar school te komen omdat ze bang zijn dat ze opgepakt worden. De angst waarover het eigenlijk ook in dit debat zou moeten gaan, is dus wel degelijk aanwezig bij mensen die ongedocumenteerd zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Lievense.

De heer Lievense (BBB):

Ja, een vraagje. Ik begrijp dat de heer Dittrich een aantal stukken heeft overgeslagen. Dat zal omwille van de tijd zijn. Maar ik hoorde wel het onderwerp waar het over ging. Ik wil daar nog een vraag over stellen. Het gaat over de samenloop met het Migratiepact. Kan de heer Dittrich nog toelichten hoe hij daarover denkt? Ook mijn fractie had in de technische briefing die vraag: waarom gaan we deze wetten nu nog doen als we straks in juni het Migratiepact krijgen? Die vraag is daar gesteld en wij kregen heel duidelijk als antwoord: er zit zoveel overlap, behandel ze nu maar zo snel mogelijk, want dan hebben wij, maar ook de uitvoeringsinstanties duidelijkheid. Zo heb ik het begrepen op dat moment. Misschien heeft de heer Dittrich daar een andere visie op.

De voorzitter:

De heer Dittrich nog.

De heer Dittrich (D66):

Ik weet niet of die zo anders is, want we hebben dezelfde hoorzitting gehad. 12 juni is de datum waarop het Migratiepact in werking moet treden. We leven nu al half april, op 21 april stemmen we erover en dan treden deze wetten ergens in mei in werking, dus laten we zeggen, vier, vijf of maximaal zes weken van tevoren. Het is natuurlijk heel raar. De IND heeft in de hoorzitting die we georganiseerd hebben, zelf aan ons gevraagd: alsjeblieft, als je die wetten wilt aannemen, laat dan alles gelijktijdig in werking treden, zodat we niet de systemen keer op keer moeten veranderen. Mevrouw Karimi had het al over de tientallen, misschien wel honderden medewerkers die de IND moet aannemen om alles in gang te kunnen zetten. Wij willen niet dat er een chaos ontstaat. Daarom de vraag: hoe gaat de minister dat doen rond de inwerkingtreding van deze drie wetten en het Asiel- en Migratiepact?

De heer Schalk (SGP):

Ik heb een hele korte vraag, die zojuist bij mijn vorige vraag is blijven hangen. Er is al gezegd dat in het regeerakkoord staat: als deze wetten worden aangenomen, gaan we ze onverkort uitvoeren. Ik heb gehoord dat de heer Dittrich grote bezwaren heeft tegen deze wetgeving en dergelijke. Dat respecteer ik uiteraard. Maar acht hij, mede namens zijn fractie, deze wetten wel uitvoerbaar?

De heer Dittrich (D66):

Dat is inderdaad een heel goede vraag, want mijn betoog gaat erover dat de uitvoeringsinstanties zeggen dat ze niet uitvoerbaar zijn. Als degenen die ermee moeten werken zeggen dat ze niet uitvoerbaar zijn, wie zijn wij dan, u en ik, om in deze zaal te zeggen dat ze wél uitvoerbaar zijn? Terugkerend naar het coalitieakkoord: de heer Schalk weet net zo goed als ik dat, als we het staatsrechtelijk bekijken, de Eerste Kamerfracties geen coalitieakkoord hebben gesloten. Dat zijn de Tweede Kamerfracties. Zij zijn daaraan gebonden. Uiteraard zijn wij lid van D66, de partij die bij de verkiezingen het grootst is geworden en die het coalitieakkoord mede tot stand heeft gebracht. Maar we hebben ook een verkiezingsprogramma. In het verkiezingsprogramma van D66 staat dat illegaliteit niet strafbaar zou moeten worden gesteld. Onder andere op basis van dat verkiezingsprogramma zijn wij gekozen.

De heer Schalk (SGP):

Dank voor dit uitgebreide antwoord. Ik constateer echter dat al die uitvoeringsinstanties al gereageerd hadden vóórdat het coalitieakkoord werd gesloten. Dat is ongetwijfeld meegenomen door de formerende partijen. Ik ben het met de heer Dittrich eens dat de Eerste Kamerfractie het regeerakkoord niet gesloten heeft.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Tot slot. In de rebound, na de hoorzitting en na het sluiten van het regeerakkoord, heb ik contact gehad met uitvoeringsinstanties. Zij zijn niet op hun schreden teruggekeerd. Als de heer Schalk denkt dat dat wel zo is, zou ik hem willen vragen om mij een brief te laten zien van de IND, van het COA, van de politie, van het OM, van de Inspectie Justitie en Veiligheid of van welke organisatie dan ook waarin staat dat zij dit na het regeerakkoord opeens goede wetgeving vinden. Die is er niet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk i (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Die brief is er niet, maar de heer Schalk is er wel. Ik mag allereerst beginnen door te zeggen dat we eindelijk deze wet kunnen gaan behandelen. Dat zeg ik niet vanuit een hardvochtige houding. Ik heb helemaal niets met uitdrukkingen als "het strengste asielbeleid ooit" of iets dergelijks. Waar het mij om gaat, is dat we eindelijk over de voorliggende wetten kunnen spreken, niet via mijn mailbox of via een reactie op heel veel stapels kaarten en andere post, maar gewoon hier in de Eerste Kamer, met de regering. Ik wil hier een poging doen om de zorgen van veel burgers weg te nemen — althans, ik wil proberen ze een beetje weg te nemen — dat die wetten alleen maar hardvochtig zouden zijn en geen recht doen aan de menselijke waardigheid.

Mevrouw de voorzitter. Het is niet hardvochtig wat er gebeurt met iemand die asiel zoekt in ons land. Die persoon, die mens, krijgt alle mogelijkheden aangereikt. Asielzoekers worden in beginsel niet onheus bejegend. Ze worden niet weggezet. Ze worden niet gekoeioneerd. Ze krijgen een behandeling die door de Nederlandse regering op democratische wijze is vastgesteld, met een zeer zorgvuldige procedure en zo nodig met een uitgebreide rechtsgang met heel veel waarborgen. Dat vind ik belangrijk, want het gaat hier over mensen die asiel hebben aangevraagd om uiteenlopende redenen. Denk aan oorlogsvluchtelingen die de dood proberen te ontlopen, christenen die vervolgd worden om hun geloof, mensen die dictatoriale regimes zijn ontvlucht of die hun leven niet zeker zijn door terroristische organisaties in onveilige landen, en ga zo maar door. Het zijn schokkende en diep verontrustende verhalen. We moeten eerlijk constateren dat het vaak ook gaat om mensen die om economische of andere minder bedreigende redenen asiel zoeken.

Maar goed, zodra een vluchteling, wie dan ook, ons land binnenkomt, begint onze taak om met vreemdelingen om te gaan langs de kernwoorden "rechtvaardig" en "barmhartig". "Rechtvaardig" vraagt om een behandeling naar recht. Oftewel: elke vluchteling heeft het recht om zich te beroepen op onze asielwetten, en wel in alle facetten. Dat recht heeft ook barmhartigheid in zich. Barmhartigheid begint bij binnenkomst in het land. Asielzoekers krijgen te eten en te drinken. Er wordt hun medische zorg geboden. Ze krijgen een bed, ook al is dat in een azc, en ze mogen asiel aanvragen. Onbarmhartig zou het zijn als een vreemdeling geen asiel zou mogen aanvragen of als een asielzoeker wordt weggehouden van het rechtssysteem. Maar dat doen wij hier niet. Rechtvaardig en barmhartig gaan hand in hand.

Maar we moeten ook eerlijk zijn. Een asielprocedure heeft twee mogelijke uitkomsten: je krijgt een verblijfsvergunning of je krijgt die niet. Dat laatste antwoord is een moeilijk antwoord, maar ook een noodzakelijk antwoord. We kunnen en mogen niet, bijvoorbeeld uit angst om als onbarmhartig te worden weggezet, iedereen maar een verblijfticket geven. Juist dat zou uiterst onbarmhartig zijn richting de echte vluchtelingen, die we ook in de toekomst een plek willen bieden.

Als je niet wilt dat een asielprocedure twee uitkomsten heeft, maar iedereen een thuis wil bieden, moet je eigenlijk gewoon stoppen met asielwetten en zeggen: als u hier aanklopt, zullen wij u nooit terugwijzen. Dat is natuurlijk onhoudbaar. Onze rechtsstaat heeft niet gekozen voor een ongeclausuleerd toelaten, maar voor een rechtssysteem met twee mogelijk eindstations: toewijzing of afwijzing. De asielzoeker kan dan zelfs nog in beroep gaan tegen die afwijzing. Maar krijgt hij uiteindelijk een definitieve afwijzing, bijvoorbeeld omdat het herkomstland een land is waar hij veilig naar terug kan gaan, dan geldt er een vertrekplicht. Ook dat gaat overigens weer zorgvuldig, want je krijgt dan de nodige tijd, ondersteuning en middelen om terug te gaan naar het land van herkomst. Dat is ook nodig, want vanaf dat moment is er geen perspectief meer in Nederland.

Onttrek je je bewust aan die vertrekplicht, dan handel je in strijd met de wet. Oftewel: dan ben je, hoe je het ook wendt of keert, niet meer legaal in ons land. Dan handel je illegaal. Binnen een rechtsstaat kunnen en moeten er consequenties komen als iemand de wet naast zich neerlegt. Dat geldt voor iedereen in onze rechtsstaat.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Een korte vraag: in welke bepaling leest de heer Schalk dat er dan een vertrekplicht ontstaat?

De heer Schalk (SGP):

Ik weet niet of dat in een bepaling staat, maar dit is natuurlijk wat er aan de hand is: iemand moet dan vertrekken. Iemand moet dan terug naar het land van herkomst. Misschien heb ik het verkeerde woord gebruikt, maar ongetwijfeld horen we in de loop van deze twee dagen hoe dat precies georganiseerd is. Ik heb het even "vertrekplicht" genoemd.

De heer Nicolaï (PvdD):

Of de heer Schalk het verkeerde woord gebruikt heeft, weet ik niet, maar het gaat nogal om iets. Er wordt gezegd: het is van tweeën één, en dan krijg je een vertrekplicht. Dan ben ik toch benieuwd waar staat dat er dan een vertrekplicht is. Daar had de heer Dittrich het ook over. Ik lees nergens een vertrekplicht, maar misschien de heer Schalk wel.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb al gezegd dat ik niet precies weet of het op die manier in de wet verwoord staat, maar ik denk dat de heer Nicolaï net als ik weet dat als iemand uitgeprocedeerd is en een afwijzing heeft gekregen, het dan de bedoeling is dat hij vertrekt. Dat bedoel ik.

De voorzitter:

Tot slot de heer Nicolaï.

De heer Schalk (SGP):

Daar heb ik het dus over. Ik heb ook aangegeven: als je dat niet doet, handel je in strijd met de wet. Oftewel: dan ben je niet meer legaal in ons land en handel je dus illegaal. Daar wil ik even naartoe, om duidelijk te maken op welke manier ik kijk naar deze wetgeving.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik vind het mooi om te kijken hoe we naar de wet kijken, maar ik lees gewoon de wet. We leven in een rechtsstaat. Een rechter moet de wet toepassen. Als er gezegd wordt "voor deze meneer of mevrouw geldt een vertrekplicht", dan zal de rechter vragen waar dat staat. Een senator die zegt voor de rechtsstaat op te komen, zegt dan "dat snappen we toch wel, dat vinden we toch met z'n allen?". Nee, wat wij met z'n allen vinden, hoort in de wet te staan. Ik kan de vraag ook anders formuleren: als er geen vertrekplicht in de wet staat, is deze senator van de Staatkundig Gereformeerde Partij het dan met mij eens dat er geen wettelijke vertrekplicht bestaat?

De heer Schalk (SGP):

We krijgen nu een semantische discussie over het woord "vertrekplicht", maar ik zal in de loop van vandaag de heer Nicolaï duidelijk proberen te maken welke woorden echt in de wet staan en op welke woorden ik doel. Maar volgens mij is het klip-en-klaar wat ik hier betoog: als iemand na een hele lange procedure uiteindelijk te horen krijgt dat hij hier niet mag komen, is het dus de bedoeling dat hij teruggaat naar het land van herkomst.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Schalk (SGP):

Dat ga ik doen. Op dit moment heeft de minister heel weinig instrumenten tegen illegaal verblijf in Nederland. Dat is onwenselijk en zelfs oneerlijk, want door illegaal verblijf strafbaar te stellen krijgt de minister een instrument om te kunnen handelen als illegale vluchtelingen zich moedwillig aan zijn gezag onttrekken. Voor de goede orde: dan wordt er geen mens afgewezen, want de menselijke waardigheid wordt daarin niet gekrenkt. Het asielverzoek wordt afgewezen. Natuurlijk betekent dat heel veel voor de mens achter dat asielverzoek, maar als we die conclusies niet durven of willen trekken, is het asielbeleid eigenlijk failliet. Dan staat de grens open. Dan faalt de rechtsstaat. Dan is het gezag van de overheid weg. En dat kan niet de bedoeling zijn.

Mevrouw de voorzitter. Deze wat lange inleiding had ik nodig om uit de doeken te doen langs welke lijnen de fractie van de SGP kijkt naar de voorliggende wetten. Ik ga nu naar de wetten zelf.

Van een eenstatusstelsel waarin alle vluchtelingen en subsidiair beschermden op één manier werden behandeld, gaan we naar een tweestatusstelsel, waardoor onderscheid gemaakt wordt. De mogelijkheid voor nareizen wordt beperkt tot mensen die behoren tot het kerngezin van de vreemdeling die subsidiaire bescherming geniet. Het gaat dan niet om asielzoekers die een verblijfsvergunning kregen, want voor hen verandert er niets. Het gaat om vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus. Aan die statushouder zelf worden strengere eisen gesteld, zoals het hebben van inkomsten en onderdak, zodat nareizigers niet automatisch van de Staat afhankelijk zijn. Daarnaast moet de vreemdeling al twee jaar over een verblijfsvergunning beschikken, zodat duidelijk is dat terugkeer op korte termijn niet mogelijk is.

Dit is allemaal in lijn met het internationale recht. Maar ik heb toch een vraag, want de SGP is tenslotte de gezinspartij. Er zijn zorgen dat kwetsbare gezinsleden, zoals meerderjarigen met een ernstige beperking, nu niet tot het kerngezin worden gerekend, terwijl ze mogelijk wel heel afhankelijk zijn van hun ouders. Hoe kijkt de minister daarnaar?

Mevrouw de voorzitter. De Asielnoodmaatregelenwet is bedoeld om meer grip te krijgen op de instroom van asielzoekers, maar ook om de hele asielketen per direct te ontlasten. Daardoor ontstaat er weer ruimte op de woningmarkt en voor de faciliteiten die wij willen bieden, zoals onderwijs en zorg. Er worden acht maatregelen genomen om het asielsysteem per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom te verminderen. De meeste commotie is ontstaan door het amendement-Vondeling dat de strafbaarstelling in de wet heeft gebracht. De commotie ontstond naar mijn mening niet zozeer over de strafbaarstelling van iemand die de wet overtreedt, maar over degene die uit medemenselijkheid de wetsovertreder hulp biedt in de vorm van bed, bad of brood. Zodra deze commotie ontstond in de Tweede Kamer, heb ik op social media in ieder geval de volgende boodschap geplaatst, en ik citeer: "Het is glashelder. Wat mij betreft behandelen we de Asielnoodmaatregelenwet niet, zolang er onduidelijkheid is over de reikwijdte van de strafbaarstelling. Het is volstrekt ondenkbaar dat de SGP medemenselijkheid zou willen bestraffen." Welnu, de dienstdoende minister koos voor herstel via een novelle, die onlosmakelijk verbonden is aan de Asielnoodmaatregelenwet.

De heer Dittrich i (D66):

Had de heer Schalk dan niet veel beter een nog langer bericht de wereld in kunnen doen, namelijk dat ook het gronddelict, de strafbaarstelling van ongedocumenteerd verblijf en illegaal verblijf, uit de wet had moeten worden geschreven? Nu hebt u het alleen over hulpverleners en medemenselijkheid. Daardoor lijkt het alsof u zich met de hulpverleners identificeert, maar het gaat ook over mensen die ongedocumenteerd soms jarenlang in Nederland leven. Moeten we daar niet ook die medemenselijkheid en die barmhartigheid voor in acht nemen?

De heer Schalk (SGP):

Die medemenselijkheid en barmhartigheid gelden, zoals ik aan het begin van mijn betoog al duidelijk heb gemaakt, vanaf het moment dat men Nederland in komt en om asiel vraagt. Dan gaan die al meetellen. In juli vorig jaar, toen deze wetten, het tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, door de Tweede Kamer werden aangenomen, ontstond er commotie — en daar heb ik het over gehad — echt heel erg gericht op die hulpverlening. Vandaar dat ik de 140 tekens die je volgens mij op social media hebt, heb gebruikt om dat duidelijk te maken. Stel je voor dat er andere woorden gekozen waren voor "strafbaarstelling", dan was ik daar ook nog niet zo zenuwachtig van geworden. Maar aan de andere kant maakt dit het nu ook wel duidelijk en helder, zeker gezien het feit dat we inmiddels heel veel reacties hebben gekregen, ook via de vragenrondes die we hebben gehad, over waar die strafbaarstelling op gericht is. Dat is vooral om mensen aan te kunnen pakken die óf crimineel gedrag vertonen óf gedrag dat op de een of andere manier voor overlast zorgt.

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Ik heb het gevoel dat wij in twee parallelle werelden leven. De heer Schalk praat over een interpretatie van het wetsvoorstel waarvan hij denkt dat die de bedoeling is, terwijl het wetsartikel heel duidelijk is. Ik wil het hier nog een keer voorlezen. Artikel 108a van de Vreemdelingenwet houdt het volgende in: "De meerderjarige vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf niet rechtmatig is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de tweede categorie." Dat is nu de wetstekst. Niets van "die persoon is een asielzoeker geweest". Niets van dat asielverzoeken zijn afgewezen. Niets van dat er een vertrekbesluit ligt. Niets daarvan! Geen woord daarvan! Iedereen, ook iemand die bijvoorbeeld een visum voor Nederland heeft gehad waarvan de geldigheid is verstreken, maar die niet vertrekt, is strafbaar. Vervolgens wordt in de novelle gezegd: dat is een misdrijf.

De voorzitter:

De vraag?

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Illegaal verblijf is een misdrijf.

De voorzitter:

Uw vraag is?

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

De vraag is: waar leest onze gewaardeerde collega alles wat hij hier nu vertelt en waarvan hij zegt dat het onderdeel van het wetsvoorstel zou zijn?

De heer Schalk (SGP):

Ik heb niet gezegd — dank voor de vraag natuurlijk — dat het onderdeel van het wetsvoorstel is, maar van de wetsgeschiedenis, omdat we, sinds dit behandeld werd in de Tweede Kamer, enorme discussies hebben gehad. Eerst in de Tweede Kamer, dan is er een novelle gekomen en we hebben schriftelijke rondes gehad en dergelijke. Daarin is klip-en-klaar duidelijk gemaakt op welke manier de regering zal omgaan met de strafbaarstelling. Dan gaat het — ik heb het hier even voor mezelf genoteerd — over mensen die niet meewerken. Die kunnen nu niet aangepakt worden en kunnen nu niet strafrechtelijk worden vervolgd. Het heeft nu eigenlijk voor afgewezen asielzoekers geen consequenties om niet mee te werken. Het opsporingsapparaat kan beter worden ingezet. Het is een negatieve prikkel om wel mee te werken aan vertrek. De hele wetsgeschiedenis tot nu toe ... Daarom vind ik dit debat ook zo belangrijk en hoop ik dat de minister morgen heel duidelijke uitspraken doet, juist over de onderwerpen waar grote zorgen over zijn en waarvoor we vandaag ook weer petities hebben aangenomen. Ik was daar ook bij, omdat ik graag de zorgen hoor. Die maken mij alleen maar scherper om de minister te vragen om heldere uitspraken te doen, zodat we weten hoe deze wetten toegepast en uitgelegd moeten worden.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Volgens heel veel van de juristen die ons benaderd hebben, is een van de gevolgen van het feit dat illegaal verblijf nu, zonder dat er verder iets aan gekoppeld is in de wet, als misdrijf wordt gezien, dat hulpverleners eigenlijk ook vervolgd kunnen worden voor bijvoorbeeld deelname aan een criminele organisatie.

De heer Schalk (SGP):

Daarom hebben we die novelle. Daar wilde ik al bijna over gaan beginnen. Die novelle is er juist gekomen om duidelijk te maken dat hulpverlening niet strafbaar gesteld zal worden, oftewel dat alleen de pleger aangepakt zou kunnen worden. Ik kom daar zo meteen op in mijn spreektekst.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karimi.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ja, maar tegelijkertijd blijven er de andere wetsvoorstellen, waarbij het bijvoorbeeld gaat om ongewenst verklaarden. Dus als je mensen die ongewenst verklaard zijn of die een zwaar inreisverbod hebben, geholpen hebt, geldt dat er gewoon strafvervolging kan plaatsvinden. Door het feit dat illegaal verblijf nu een misdrijf genoemd wordt, kan je dat zelfs als deelname aan een criminele organisatie bestempelen. Zo begrijp ik het.

De heer Schalk (SGP):

In de beantwoording door de minister heb ik gelezen dat de strafbaarstelling een strafrechtelijke sanctie is, maar dat de ongewenstverklaring een bestuurlijke sanctie is. Die hangen samen, waardoor die vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft. Dat is dan inderdaad, zoals mevrouw Karimi zegt, een misdrijf. Dat heeft de minister weer nodig. Zeker als er crimineel gedrag bij komt of als mensen door hun gedrag de hele zaak op stelten zetten, heeft hij ten minste instrumenten om daartegen op treden. Ik heb heel goed gehoord en gelezen dat de politie bijvoorbeeld niet overgaat tot gerichte opsporing in het wilde weg. Dat was een van de dingen waarover we het zojuist al hadden in een interruptiedebatje met de heer Dittrich. Ik ga ervan uit dat de politie wat dat betreft ook de richtlijnen volgt zoals die rondom deze wetgeving worden gegeven.

Voorzitter. Ik was bijna aan de novelle toe, maar ik had nog even twee vragen over de Asielnoodmaatregelenwet. Hoe verhoudt deze zich tot het Asiel- en Migratiepact, ook ten aanzien van de implementatie? Als niet alle onderdelen gelijktijdig geïmplementeerd worden, wat betekent dat dan voor de rechtszekerheid? Als we het over de uitvoering hebben, moeten we ook oog hebben voor de kwaliteit van de uitvoeringsorganisaties. Nu zal het in de praktijk heel moeilijk zijn om een goed oordeel te vellen over iemands situatie en of die tot toekenning of afwijzing moet leiden. De SGP maakt zich zorgen over de situatie waarin het IND bijvoorbeeld moet beoordelen of iemand al dan niet tot het christendom bekeerd is. Uit recente cijfers blijkt dat er wereldwijd ruim 380 miljoen vervolgde christenen zijn. Dat moeten we natuurlijk wel serieus nemen. Christenen die terug worden gestuurd, lopen soms enorme risico's en dat geldt ook voor andere minderheden. Hoe kan de toetsing door de IND op dit punt worden verbeterd, vraag ik aan de minister. Hoe kunnen maatschappelijke organisaties, religieuze instellingen of kerken daarbij een rol spelen? Hoe kan de samenleving meer worden betrokken bij het ontlasten van de asiel- en migratieketen?

Mevrouw de voorzitter. Met die novelle raken we aan het thema medemenselijkheid. Dat stond immers ter discussie en dat is te begrijpen als we naar de techniek kijken. Uit het Wetboek van Strafrecht volgt immers dat als een feit strafbaar is gesteld als misdrijf, niet alleen de pleger van dat feit strafbaar is, maar ook diegene die het feit doet plegen, medepleegt, uitlokt of medeplichtig is aan het feit. Zie de artikelen 47 en 48. Dat was precies de complicatie bij het amendement over de strafbaarstelling illegaliteit, waarvan ik onmiddellijk afstand heb genomen zoals ik zojuist al zei. Daarom wil ik vandaag volstrekte helderheid hebben over de novelle die dit probleem oplost, want die bestaat in feite uit één extra toegevoegde volzin, die inhoudt dat deelnemen aan illegaal verblijf anders dan als pleger niet strafbaar is. Dus alle deelnemingsvormen worden uitgesloten. De gekozen oplossing betekent dat de genoemde strafbepaling zich alleen uitstrekt tot de pleger. Toch zijn er tot vandaag aan toe heel veel mensen die aan ons als senatoren berichten hebben gestuurd die bang zijn dat een volgende minister of een ander kabinet tot andere interpretaties zou kunnen komen, waardoor hulpverlening alsnog strafbaar zou worden gesteld. Kan de minister hier voor de wetsgeschiedenis klip-en-klaar verklaren dat de interpretatie van vandaag ook geldend is voor volgende kabinetten en opvolgende ministers?

De heer Janssen i (SP):

Op dat laatste punt hebben we de afgelopen twee jaar wel meegemaakt dat dit in de praktijk niet zo was, dus dat biedt geen zekerheid. Maar mijn vraag gaat over iets anders, namelijk over de hulpverlening. Volgens mij mist de heer Schalk de kern van het bezwaar van al die hulpverleners, namelijk dat zij gekenmerkt worden als medepleger van het misdrijf. Dat is wat zij in artikel 3 worden: medepleger van een misdrijf. Dat dit niet strafbaar is, is het doel. Maar zij worden gekenmerkt als de medepleger van een misdrijf. Dat steekt hen. Ik zal daar straks — over ongeveer een uur, hoop ik — in mijn eigen bijdrage op ingaan. Ook kan hen dat in enorme gewetensnood brengen. Erkent de heer Schalk dat deze hulpverleners door dit artikel, door deze novelle gekenmerkt worden als medepleger van een misdrijf?

De heer Schalk (SGP):

De heer Janssen heeft natuurlijk gelijk dat op het moment dat je op die manier naar de wetgeving kijkt, je daar niet omheen kunt. Daarom is het ook op deze manier verwoord. Waar het mij om gaat — dat was ook in juli al de grote vraag — is de vraag hoe het zit: zijn ze nou strafbaar of niet? Dat is denk ik door de novelle … Nee, ik vínd dat de novelle dat op een goede manier oplost. In ieder geval, dat hád anders gekund — dat weet ik ook wel — maar voor dit moment kun je hier in ieder geval rechtsgronden aan ontlenen voor degenen die hulp verlenen. Die hebben alle ruimte. Ik vind ook dat we moeten proberen te voorkomen dat ze alleen maar bezorgder, angstiger en dergelijke worden, want de novelle is wat dat betreft glashelder.

De heer Janssen (SP):

Maar tekortschietend; daar ga ik straks zelf op in. De heer Schalk gaat voorbij aan mijn vraag, namelijk: erkent hij dat door deze formulering, door hoe het er nu staat in deze novelle, mensen die medemenselijkheid plegen — al die categorieën die zijn opgenoemd — gekenmerkt worden als medepleger van een misdrijf? Weliswaar worden ze daarvoor straffeloos gesteld, maar ze zijn wel medepleger van een misdrijf.

De heer Schalk (SGP):

Ik denk dat het niet anders kan dan dat we dat moeten beamen. Daarom is het ook van belang dat de strafbaarstelling op deze manier terzijde is gezet. Op die manier zorgen we ervoor dat deze mensen zich helemaal niet schuldig hoeven te gaan voelen. We hebben glashelder gemaakt, juist door de novelle en door alle documenten daaromheen, zoals de schriftelijke vragen, wat dit betekent voor degenen die hulp verlenen en medemenselijkheid betonen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Janssen.

De heer Janssen (SP):

Toch nog even voor de derde keer. Erkent de heer Schalk dat deze mensen geraakt worden door het feit dat zij gekenmerkt worden als medepleger van een misdrijf?

De heer Schalk (SGP):

Ik heb ook begrepen van mensen dat ze dat inderdaad heel erg vervelend vinden en dat ze het gevoel hebben van: wordt daarmee wel recht gedaan? Ik zou tegen hen zeggen: de uitwerking van datgene wat uiteindelijk geldend recht is, zorgt ervoor dat ze zich daar wat mij betreft niet schuldig over hoeven te voelen.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik hoor de heer Schalk van de SGP net erkennen dat er sprake is van medeplegen, maar dat mensen zich daar niet schuldig over hoeven te voelen. Alleen, volgens mij moet er dan in de wet een zelfstandige grond zijn voor medeplegen. Die grond is er juist met de novelle uit gehaald, dus van medeplegen is geen sprake. Kan de heer Schalk deze lezing bevestigen?

De heer Schalk (SGP):

We moeten dit heel erg precies doen. Ik vind het een hele mooie vraag, die goed aansluit bij wat de heer Janssen heeft genoemd. Ik kijk ook langs de heer Van Hattem naar de minister om hier ook nog duidelijk uitklaring over te geven. Hoe is nou uiteindelijk de positie van degenen die medemenselijkheid betonen?

De heer Van Hattem (PVV):

Wat de PVV betreft had het er wel in mogen staan. Wij zitten niet met het element van medemenselijkheid. Dat had gewoon strafbaar mogen zijn. Met die novelle is het juist eruit gehaald. Er wordt nu door de heer Janssen en anderen hier gezegd dat er nog steeds sprake is van medeplegen, maar dat is nu juist niet meer het geval. Als hier wordt geroepen dat daar wel sprake van is, moeten we in ieder geval duidelijk hebben dat daar duidelijk geen sprake van is. Anders hadden we het gewoon in de wet moeten laten staan.

De heer Schalk (SGP):

Ik vind ook dat we moeten zeggen wat er in de novelle staat. Ik heb het hier geciteerd in een volzin, die inhoudt dat deelnemen aan illegaal verblijf, anders dan als pleger, niet strafbaar is. Daar staat het woord "deelnemen" dus nog steeds bij. We horen heel graag de uitleg van de minister. Wat mij betreft is medemenselijkheid juist hét thema bij de behandeling van dit wetsvoorstel.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat is de kwestie van het al dan niet plegen of medeplegen van de strafbare feiten uit artikel 108a. Ik lees dat de juristen, waar de heer Schalk het ook over had, ook nog iets anders in het oog hebben. Die zeggen het volgende en daar hebben ze gelijk in, want de minister heeft dat zelf bij de beantwoording van onze vragen ook gezegd. Die zeggen dat die novelle andere strafbaarstellingen in andere bepalingen niet beïnvloedt. De juristen hebben het erover dat een organisatie die bijvoorbeeld zegt "meld je maar bij ons en wij gaan onderduik voor je regelen zodat je niet meer weg hoeft", zich schuldig kan maken aan het strafbare feit van deelname aan een criminele organisatie, omdat zij er samen voor gaan zorgen dat de vreemdeling langer blijft terwijl diegene weg moet. Dat is nou juist strafbaar gesteld. Ze zeggen dat dat er niet is uit gehaald. Hetzelfde geldt voor het feit dat je jezelf kunt voorstellen dat zo'n organisatie van opruiing, artikel 131 uit het Wetboek van Strafrecht, wordt verdacht. Die zeggen namelijk: "Kom je maar melden bij ons. We gaan je laten onderduiken. Je bent niet meer te vinden voor de politie en voor de IND en je kan langer in Nederland verblijven." In de novelle is niet uitgesloten dat ze zich aan opruiing schuldig maken als ze dat bekendmaken. Dat is juridisch gewoon een feit. Daar wijzen die rechtsgeleerden op. Wat is daar uw visie op?

De heer Schalk (SGP):

Ik heb ook gelezen dat op het moment dat men zich schuldig maakt aan allerlei andere strafbare feiten, die natuurlijk geldend zijn. Dat lijkt mij ook logisch. Met allerlei criminele activiteiten op andere gebieden kun je je niet verschuilen achter deze novelle. Dat is logisch.

De heer Nicolaï (PvdD):

Er zijn kerkbesturen die zeggen: kom maar in onze kerk en dan zorgen wij ervoor dat je van de straat verdwijnt en dat je je verblijf kan voortzetten. Het gaat gewoon om mensen die medemenselijkheid op die manier uitleggen. Ik heb het echt over juristen die zeggen dat die mensen gewoon nog strafbaar zijn. Dat is een schrikbeeld voor die mensen. Er zijn vandaag honderden, duizenden kaarten afgeleverd aan het CDA waarin wordt gevraagd om wat meer op de "C" te letten. Heel veel mensen, ook in de kerken, willen door met dat helpen. Die krijgen het gevoel, even los van de vraag of ze medeplegers zijn, dat zij straks op één lijn worden gesteld met een criminele organisatie of verdacht worden van opruiing. Dat is de vraag. Ik heb het niet over andere strafbare feiten. Ik heb het hierover.

De voorzitter:

De vraag is duidelijk.

De heer Schalk (SGP):

Maar dat is nou precies wat de heer Nicolaï aan het doen is en wat hij bij heel veel van die juristen ziet. Die krijgen "het gevoel dat". Dat kan. Ze kunnen dat gevoel krijgen. Maar wij hebben te maken met deze wet en met de uitleg en de toelichting daarvan. Ik vind allerlei bewoordingen in de trant van "het zou misschien kunnen dat" of "het kan op die manier misschien anders uitgelegd worden" en dergelijke allemaal prachtig, maar volgens mij moeten wij blijven bij datgene wat door de minister al keer op keer is genoemd en waar ik vandaag weer naar vraag: geef helderheid over het feit dat die mensen daar niet bang voor hoeven te zijn.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. U heeft nog een kleine minuut, meneer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Zeker. Er zijn ook mensen die zeggen dat ongedocumenteerden vanaf heden aan zorgmijding zouden kunnen gaan doen. Op dit moment krijgen ze goede ondersteuning en hulp, zoals die bijvoorbeeld hier in Den Haag wordt gegeven vanuit het Wereldhuis, waar ik onlangs te gast mocht zijn. Mijn vraag aan de minister is of hun positie verandert door de voorliggende wetten. En kan de minister dat toelichten vanuit het perspectief van de hulpverleners, maar ook vanuit dat van de illegale vreemdelingen of ongedocumenteerden? Zeer schrijnend is het als deze mensen ten prooi vallen aan misdadige praktijken van mensenhandelaars of als ze gechanteerd worden. Dan hebben ze bescherming nodig, ondanks het feit dat ze officieel een vertrekplicht hebben. Kan de minister daarover volstrekte duidelijkheid geven? Is de politie bijvoorbeeld ook beschermer van een illegale vluchteling? Mag deze persoon zich dan vrij en veilig melden bij de politie of bij een andere instantie?

Ten slotte, mevrouw de voorzitter. Het lijkt of ik naar de bekende weg vraag, maar dat doe ik bewust, nu er zo veel onrust is gezaaid rondom deze wetten. Als deze wetten aangenomen worden, iets wat mijn fractie van belang acht om grip te krijgen op asiel, houden we daarmee de medemenselijkheid in het oog. Ik zie uit naar de reactie van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen van 50PLUS. Na de bijdrage van de heer Van Rooijen gaan we een paar minuten schorsen voor de biobreak.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Voorzitter. De minister toont politieke moed met het aanvaarden van deze uiterst lastige portefeuille. Wij wensen hem wijsheid en veel succes.

Mijn fractie wil in dit verband toch ook een woord van waardering uitspreken voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de IND, en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COA. De inspanningen van de mensen die daar werken, kunnen meestal niet op applaus rekenen, maar ik geef het je te doen om dag in, dag uit te moeten dweilen met de kraan open en te moeten werken binnen wet- en regelgeving die anderen bedacht hebben. De IND en het COA maken de wetten voor Europa en voor Nederland niet. Dat doen de wetgevers van de Europese Unie en die van Nederland. Dat doen ook wij hier in de Eerste Kamer. De kritiek van 50PLUS richt zich dan ook met name op de regelgeving, en eventueel ook op de instanties die hiervoor verantwoordelijk zijn. Ik wil vandaag de medewerkers van IND en COA eens een keer danken voor hun inzet, en hun sterkte wensen bij het niet eenvoudige werk dat elke dag weer gedaan moet worden.

Natuurlijk is wet- en regelgeving op dit terrein heus geen sinecure. Er zijn veel belangen in het geding, en de opvattingen van het bestuur en van de bevolking in de meeste Europese landen zijn veelkleurig en veeleisend. Kijk maar hoe lastig het alleen al bij ons is om op dit gebied eenduidige wetgeving te maken, en dan ook nog eens met een breed maatschappelijk draagvlak. Maar dat is wel onze taak, of het nou gemakkelijk is of niet.

Het aantal immigranten en asielzoekers trekt een steeds zwaardere wissel op de Nederlandse samenleving, in alle opzichten: ruimtetekort, huizentekort, inburgering, waaronder aanpassing aan de Nederlandse taal en cultuur, problemen met wederzijds respect, toekomstperspectieven, forse kosten voor de samenleving en geen vanzelfsprekende bereidheid om zich hier telkens maar in te schikken.

Dan nog een aspect dat naar de opvatting van mijn fractie bij alle afwegingen te weinig aandacht krijgt. Dat is de invloed van Rusland en de bemoeienis van dat land met immigratiestromen, met name vanuit Afrika, naar West-Europa. Voor Rusland is migratie een middel om West-Europa te destabiliseren …

De voorzitter:

Meneer Van Rooijen, volgens mij heeft meneer Janssen nog een interruptie op het vorige punt.

De heer Janssen i (SP):

Ja, voordat we Rusland gaan bespreken. De heer Van Rooijen had het over immigratie en asielzoekers. Bedoelde hij met immigratie de arbeidsmigratie? Of bedoelde hij daar iets anders mee?

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Dat is een goede vraag. Ik doel natuurlijk met name op asielzoekers.

De heer Janssen (SP):

Dan ben ik even in verwarring, omdat de heer Van Rooijen zei: immigratie én asielzoekers. Maar dan bedoelt hij dus alleen asielzoekers.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Asielzoekers, en dat is natuurlijk een vorm van immigratie. Het is goed dat u het zo zegt, maar het gaat natuurlijk over asielzoekers.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Rusland. Dat is overigens geen grappig onderwerp, meneer Janssen. Voor Rusland is migratie een middel om West-Europa te destabiliseren. Achter migranten zit niet altijd alleen persoonlijke vreselijke ervaring, maar ook nogal eens boze opzet vanuit Moskou. Wat zijn de inzichten van de minister over dit probleem, over Rusland? Wat doet Nederland en wat doet de Europese Unie hier exact aan? Wat zijn de groeicijfers van de bevolkingen in Afrika? Groeien de economie en het aantal banen in Afrika als geheel voldoende om de toename van de bevolking te kunnen absorberen? Als we daaraan de landen toevoegen waar permanent conflicten heersen of waar het bestuur tekortschiet, zoals in de Sahel, de Hoorn van Afrika en Sudan — ik kijk even naar mevrouw Lagas, die daar vorige week nog over sprak — hoe voorziet de minister dan die ontwikkelingen voor Europa, en meer specifiek voor Nederland, in deze kabinetsperiode? En dan heb ik het nog niet eens over het geteisem dat zwaar verdient aan mensenhandel, de mensensmokkelaars die zelf geen enkel mededogen hebben met hun "handelswaar" — zo noem ik vluchtelingen hier cynisch — en het verdrinken van velen van hen hoogstens als een bedrijfsrisico zien. Over medemenselijkheid gesproken ... Kan de minister ons hierover de jongste inzichten geven, ook en vooral over hoe het gaat met de bestrijding van deze moorddadige criminaliteit?

Dan het Midden-Oosten, een explosief kruitvat tot op vandaag, en voor hoelang nog? Is Europa, is Nederland, in staat om telkens weer soelaas te bieden aan de vluchtelingenstromen die dan weer hier, dan weer daar op gang komen? Graag een reactie.

Zoals ik al eerder zei, de kraan staat open en met dweilen alleen zullen we er niet komen. Is de minister bereid om meer remmen op de toestroom te gaan zetten, behalve onderscheid maken tussen asiel en tijdelijke opvang? Hoe gaat hij terugkeer, wanneer die mogelijk en verantwoord is, aanpakken? Gaat hij een strakke, terughoudendere definitie van "nareizigers" en "gezinshereniging" hanteren? Alleen al vorig jaar ging dat om 55.000 mensen, een middelgrote provinciestad. De bedoeling van het kabinet was om de voorliggende voorstellen, de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelwet, zo spoedig mogelijk in te voeren, ruim voor de inwerkingtreding op 12 juni van het Asiel- en Migratiepact. Spoed was vereist vanwege de benodigde implementatietijd voor de IND, zodat deze dienst al maatregelen kan invoeren en die in de praktijk ook tot uitvoering kan brengen. De IND benadrukte dit aspect tijdens de deskundigenbijeenkomst van 7 oktober vorig jaar. Met nog amper twee maanden te gaan voordat het Migratiepact in werking treedt, is het de vraag of er voldoende tijd bestaat voor de noodzakelijke implementatie bij de IND. Kan de minister aangeven welke consequenties ontstaan, mocht daarvoor onvoldoende tijd zijn, en welke mogelijkheden dan bestaan om nadelige effecten bij de IND te voorkomen?

50PLUS is voorstander van de invoering van een tweestatusstelsel. Het wetsvoorstel beoogt met name om beperkingen op te werpen op het terrein van nareis. Het tweestatusstelsel wordt al in veel landen gehanteerd, zoals in Denemarken, Finland, Oostenrijk, Zweden en Duitsland. Het tweestatusstelsel genereert twee soorten verblijfsstatussen: de vluchtelingenstatus en een subsidiaire beschermingsstatus voor personen die geen vluchteling zijn, maar een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. Na aanneming van het wetsvoorstel krijgen deze groepen direct te maken met strengere nareisvoorwaarden vanwege de onmiddellijke werking. De regering motiveert dit in de nota naar aanleiding van het verslag door te stellen dat hierdoor de asielprocedure efficiënter verloopt, alsmede dat hierdoor de aanvrager sneller duidelijkheid verkrijgt over zijn nareisaanvraag. Deze motivering knelt volgens mijn fractie. Een efficiënter verloop en het sneller verschaffen van duidelijkheid aan de indiener blijken namelijk niet uit de stukken. Mijn fractie meent dat de echte reden is dat de regering hoopt op een afname van de asielstroom door een ontmoedigingsbeleid te creëren voor de indiening van aanvragen, omdat die dan makkelijker kunnen worden afgewezen. Kan de minister dat bevestigen?

Voorzitter. Mijn fractie zal het tweestatusstelselvoorstel steunen, want na inwerkingtreding van het Migratiepact wordt dat sowieso al ingevoerd.

Dan nu de Wet invoering asielnoodmaatregelen en de daaraan gekoppelde novelle. Naar het oordeel van de 50PLUS-fractie heeft het alleen zin om in te gaan op de nationale onderdelen die in het Asiel- en Migratiepact voorkomen. Het pact wordt immers in juni dwingend Europees recht. Het betreft de volgende drie onderdelen: de ongewenstverklaring, de strafbaarstelling illegaliteit en de dwangsommen.

Over de hulp aan de illegaal verblijvende vreemdeling is al veel gezegd en geschreven en vandaag gesproken. Oorspronkelijk zou degene die hulp verleent aan een illegaal verblijvende vreemdeling zelf ook strafbaar zijn. De minister heeft ervoor gekozen om dit via een novelle te voorkomen en telkenmale is door alle experts en deskundigen bevestigd dat door deze wetswijziging elke geboden hulp, in welke vorm dan ook, aan een illegaal verblijvende vreemdeling niet strafbaar is voor de hulpverlener. 50PLUS acht deze wetswijziging terecht en zal dan ook voor de novelle stemmen. Wel is het van cruciaal belang dat deze novelle door dit huis wordt aangenomen. Ik wijs er namelijk nog eens expliciet op, ook voor mijn collega's hier, dat anders hulpverlening aan een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf strafbaar blijft op grond van artikel 108a van de Vreemdelingenwet 2000.

Voorzitter. Dan de Terugkeerverordening. In beantwoording op een door 50PLUS gestelde vraag, vraag nummer 87 in de nota naar aanleiding van het tweede verslag, wordt gezegd dat Nederland er van begin af aan voor heeft gepleit dat het aanpassen van de terugkeerregels tot minder administratieve lasten en uitvoeringslasten moet leiden. Er moest een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces opgetuigd worden. Vol trots wordt vermeld dat dankzij de Nederlandse inzet de Raadsonderhandelingen succesvol zijn geweest, want blijkbaar zijn veel argumenten die toezien op lastenvermindering overgenomen. Waaruit bestaan die argumenten, vraag ik de minister.

Voorzitter. Kan de minister aangeven wat op dit moment de exacte stand van zaken is van de Terugkeerverordening? Eind maart, 26 maart, zijn in het Europees Parlement de triloge onderhandelingen tussen de Commissie, de Raad van de EU en het Europees Parlement gestart. De tijdsduur van deze onderhandelingen is echter volstrekt onbekend, terwijl de praktijk leert dat dit jaren kan duren. En zelfs indien de onderhandelingen leiden tot een akkoord, geldt er nog een implementatietermijn van twee jaar. Het telkens beloven dat dit of dat kabinet de asielstroom gaat inperken, is al met al dus een wassen neus. Immers, zolang afgewezen asielzoekers niet gedwongen kunnen worden om terug te keren naar het land van oorsprong, blijft de illegaal verblijvende asielzoeker gewoon hier. Dat is niet in diens belang, althans meestal niet, en ook niet in het onze, want zo'n positie stimuleert vatbaarheid voor criminaliteit. Je krijgt de indruk dat de coalitie zich voorlopig vooral richt op de opvang na instroom. Zo dwingt ze gemeentes om de Spreidingswet te handhaven, maar voor terugkeer is nog bitter weinig geregeld. Welke stappen onderneemt de minister om dit enorm stroperige proces daadwerkelijk te versnellen? Mijn fractie hoort graag of hij concrete middelen heeft om gedane beloftes, zoals het realiseren van gedwongen terugkeer van afgewezen asielzoekers, in de praktijk te gaan uitvoeren. En op welke termijn denkt hij daarin succesvol te zijn?

Voorzitter. Integratie en inburgering. Mijn fractie maakt van de gelegenheid van dit debat met de minister gebruik om ter afronding van onze inbreng nog een paar opmerkingen te maken over de integratie van immigranten in de Nederlandse samenleving. Wij hebben de indruk dat veruit de meerderheid z'n best doet om Nederland te leren begrijpen en waarderen. Dit is hun nieuwe thuis en hier gelden andere zeden en gewoonten, die kunnen afwijken van hun eigen cultuur. Toch zijn daarbij de nodige kanttekeningen te maken. 50PLUS is van oordeel dat de ideale inburgering goed zichtbaar was toen in de naoorlogse jaren van de vorige eeuw — ik heb ze meegemaakt — vele duizenden Nederlanders, vaak ook boeren, hun toekomst zochten in Australië, Canada en de Verenigde Staten. Als je deze immigranten nu ontmoet, hun kinderen of hun kleinkinderen, dan voel je nog steeds de verwantschap. Wij hebben ook familie in Australië. Ze verlangen soms naar boerenkool met worst, gestampte muisjes of een Nederlandse kroket en ze zijn blij als Nederland wereldkampioen wordt of als de koning, zoals vandaag, een bezoek brengt aan hun nieuwe thuisland. Maar de rest van de tijd zijn zij niet te onderscheiden van hun landgenoten in het nieuwe thuisland. Kijk, zo hoort het.

Gebrekkige inburgering in ons land en het gegeven dat grote aantallen landgenoten hier tegelijk hun onderkomen hebben gevonden, versterken uiteraard groepsvorming. Zij zoeken vertrouwdheid bij landgenoten. Eenkennigheid, ook binnen gezinnen, zorgt ervoor dat de eigen cultuur meer versterkt wordt dan dat het avontuur met de nieuwe omgeving wordt aangegaan. Dat geldt vaak nog sterker voor vrouwen, die nu eenmaal van huis uit niet de vrijheid kennen die volgens de Nederlandse begrippen heel normaal is. Heerlijk dat gsm's helpen met tolken, maar die helpen eigenlijk niet, want dan hoef je niet eens meer Nederlands te leren. Ga eens bij een huisarts in de spreekkamer achter een gordijn staan en luister hoeveel talen daar per dag voorbijkomen. Wees eens een dag onderwijzer op een basisschool in Amsterdam en realiseer je hoe veeltalig het onderwijs is geworden. Het blijven zitten in de eigen cultuur versterkt het onbegrip over en de vooroordelen tegen de cultuur van de nieuwe omgeving. De puberteit is altijd lastig, maar als thuis niet met warmte wordt gesproken over de Nederlandse omgeving, dan is spugen naar Nederlanders en sissen naar meisjes een volgende stap.

Mede dankzij ons zeeverleden en onze steeds opmerkelijke tolerantie, met nadruk, is Nederland door de eeuwen overspoeld geweest met buitenlanders. Het heeft ons internationaal gezien meestal een voorsprong gegeven, want het bracht hier ook veel kennis en cultuur. Kijk ook hoeveel sneller Nederland zich ontwikkelt met de computertechnologie. Wij liggen echt voorop in Europa. Dat danken we mede aan niet-Nederlanders. Nederland kan ook vandaag helpen bij de integratie door een minder krachtig zelfvertrouwen te tonen, door eens een beetje minder demonstratief tolerant te zijn. Waarom zijn wij zo gemakkelijk bereid om het woord "Kerstmis" niet meer te gebruiken of om het sinterklaasfeest uit te kleden? Waarom organiseren zoveel instanties, zoals gemeenten, politie, scholen en zorginstellingen, en zelfs de Tweede Kamer, iftars tijdens de ramadan? Is het vriendelijkheid of ordinaire Hollandse koopmansgeest? Of buigen wij tegenwoordig te gemakkelijk voor opkomende tegenkrachten in onze cultuur? En andersom: wordt ons inschikken door nieuwkomers gelezen als gastvrijheid en vriendelijkheid of als onzekerheid en zwakte? Als dat laatste het geval is, roept het schaap de wolf op, om met een knipoog te verwijzen naar een ander Nederlands modern fenomeen.

Voorzitter, tot slot. Heel graag zou ik van de minister uitvoerig zijn gedachten over dit thema willen horen. Op welke wijze denkt hij om te gaan met het vraagstuk van integratie, inburgering en wederzijdse tolerantie, dat zo bepalend zal zijn voor het karakter van de toekomstige Nederlandse samenleving? Mijn fractie wacht de beantwoording van onze vragen door de minister met belangstelling af.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik wijs erop dat het laatste onderwerp niet het onderwerp is van de drie wetsvoorstellen die wij behandelen. Als de minister daar geen tijd voor heeft, begrijpen wij dat dus. Ik ga schorsen voor ongeveer vijf minuten.

De vergadering wordt van 20.34 uur tot 20.45 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Wij gaan door met de eerste termijn van de Kamer. Ik geef graag het woord aan de heer Beukering van de Fractie-Beukering.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Beukering i (Fractie-Beukering):

Voorzitter, dank u wel. Al jarenlang zegt de politiek steeds hetzelfde: de asielstroom is onhoudbaar en de asielstroom moet omlaag. Maar tot nu toe blijft het bij woorden. Ondertussen zien we de gevolgen: enorme druk op de woningmarkt, op het onderwijs, op de zorg en op de leefbaarheid in onze wijken, dorpen en steden. Nederland staat onder enorme druk. Bij de gemeenteraadsverkiezingen hebben de partijen gewonnen die zich uitspreken tegen de komst van asielzoekerscentra. Dat is echt een duidelijk signaal geweest. Het draagvlak wordt kleiner en kleiner en kleiner omdat de Nederlanders de gevolgen zien voor hun dorp, hun straat, hun buurt, hun stad. Ik hoop dat dit kabinet dit signaal van de kiezer nu heel serieus neemt en deze problematiek niet langer vooruitschuift. De Spreidingswet zou hand in hand gaan met het omlaag brengen van de instroom. Dat werd beloofd, maar die belofte is bij lange na niet waargemaakt. De instroom moet omlaag en dat zou de topprioriteit van dit kabinet moeten zijn. Het asielnoodmaatregelenpakket doet iets wat lange tijd niet gebeurde. Het draait daadwerkelijk aan de knoppen die ertoe doen: snellere procedures, strengere regels en minder perspectief op verblijf. De maatregelen moeten bijdragen aan het verlagen van de instroom en het minder aantrekkelijk maken om in Nederland asiel aan te vragen.

De strafbaarstelling van illegaal verblijf vergroot de druk om te vertrekken. Zonder consequenties aan illegaal verblijf blijft het systeem namelijk aantrekkelijk en stokt de terugkeer. De strafbaarstelling geeft de overheid meer mogelijkheden om te handhaven en onderstreept dat een afwijzing consequenties heeft. Niet iedereen kan nou eenmaal blijven en de Nederlandse wet geldt voor iedereen. Nu de wet nog handhaven!

Voorzitter. Is deze wet ideaal en perfect? Nee, maar het goede mogen we niet verliezen aan het streven naar perfectie. Niets doen of uitstellen is geen optie meer. Als we nu niet ingrijpen, schuiven we het probleem opnieuw door naar gemeentes, naar inwoners, naar toekomstige generaties. We moeten draaien met de instrumenten die voorliggen. We moeten alles op alles zetten om de asielstroom te verlagen en Nederland leefbaar te houden. Daarom neigen wij tot steun voor deze wetgeving.

We hebben nog wel een aantal vragen voor de minister, met name over het versnellen van de asielprocedure, en afwijzing en terugkeer van kansarme asielzoekers.

De voorzitter:

Voor u aan uw vragen begint: de heer Lievense.

De heer Lievense i (BBB):

Ik heb er grote moeite mee dat de grootste fractie van onze Kamer ontbreekt op het moment dat hier een senator een betoog staat te houden. O gelukkig, ze komen net binnen.

De voorzitter:

U heeft helemaal gelijk. Dat was een zinnig punt van orde. Kan de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid snel plaatsnemen? We zijn toe aan de vragen van de heer Beukering.

De heer Beukering (Fractie-Beukering):

In theorie kunnen kansarme asielaanvragen snel afgehandeld worden, maar in de praktijk blijven ze vaak lang liggen. Kan de minister aangeven hoe deze wet gaat leiden tot snellere procedures voor deze groep? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat kansarme aanvragen prioriteit krijgen? Is het kabinet van mening dat deze wet voldoende is om die versnelling te realiseren of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk?

Voorzitter. Sneller afwijzen is één, strafbaar stellen van illegaliteit is twee. Zonder daadwerkelijke terugkeer verandert er in de praktijk echter weinig. Hoe ziet de minister de samenhang tussen deze wetgeving en het terugkeerbeleid? Welke prioriteit geeft het kabinet aan snelle terugkeer en hoe blijkt dat dan straks concreet uit beleid en inzet? Kan de minister toelichten welke stappen zijns inziens nodig zijn om te voorkomen dat afgewezen asielzoekers alsnog langdurig in Nederland verblijven en in de gemeentes die hier niet aan meewerken?

Tot slot, voorzitter. Kan de minister toelichten welk effect hij verwacht van dit asielnoodmaatregelenpakket en welk effect dat heeft op de aantrekkelijkheid van Nederland, met name voor de kansarme asielzoekers? In hoeverre acht hij aanvullende maatregelen nodig om te voorkomen dat Nederland alsnog aantrekkelijk blijft voor deze groep?

Ik sluit af, voorzitter, met een oproep aan dit kabinet. Ga aan de slag; handen aan de ploeg! Laten we deze asielcrisis nu echt gaan aanpakken. Nederland heeft een duidelijk signaal gegeven bij de gemeenteraadsverkiezingen. Men zit te wachten op actie. We zien uit naar de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van den Oetelaar van Forum voor Democratie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van den Oetelaar i (FVD):

Dank u, voorzitter, en ook dank aan de minister voor zijn aanwezigheid. Vandaag debatteren we over twee nieuwe asielwetten en een novelle: de Asielnoodmaatregelenwet, de Wet invoering tweestatusstelsel en de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf. Deze wetten gaan over mensen. Maar laten we eerlijk zijn: wie deze mensen precies zijn, weten we vaak niet eens. Het overgrote deel van de asielzoekers komt ons land binnen zonder geldige documenten. Een klein percentage heeft ook nog eens valse documenten bij zich. De IND kan met taalanalyses en verhoren soms achterhalen uit welke regio iemand komt, maar om wie het werkelijk gaat, of iemand op de vlucht is voor geweld of voor de wet, of hij slachtoffer is of juist dader van oorlogsmisdrijven, blijft maar al te vaak onduidelijk.

Wat we wel zeker weten: bijna twee derde is een volwassen man. Vrijwel iedereen komt uit het Midden-Oosten of Afrika. Dat is de groep waarover wij het vandaag hebben, een groep die de Nederlandse belastingbetaler bijna 9 miljard per jaar kost, alleen al aan de begroting van Immigratie en Asiel. 9 miljard! Terwijl onze eigen kinderen en kleinkinderen geen betaalbaar huis kunnen vinden en noodgedwongen bij hun ouders moeten blijven wonen. Terwijl verstandige spaarders in box 3 arm worden gehouden door een vermogensrendementsheffing die hun spaargeld en oudedagsvoorziening uitholt. Terwijl ondernemers bezwijken onder een verstikkende regeldruk en steeds meer bedrijven het land verlaten. En terwijl de Nederlandse automobilist, de forens en de zzp'er bij de pomp de hoogste accijnzen van Europa betalen, waardoor tanken nergens zo duur is als hier.

Forum voor Democratie is niet tegen hulp aan mensen in nood; integendeel. Wij zijn ervoor om vluchtelingen te helpen en op te vangen in de regio waar zij vandaan komen, met Nederlandse steun. Daar kunnen we met veel minder geld veel meer mensen echt helpen. Mensen kunnen na een conflict makkelijker terugkeren en blijven dichter bij hun eigen cultuur. Op die manier blijft Nederland ook behouden als een veilig, leefbaar en betaalbaar land voor de mensen die hier nu wonen. Wij hebben de laatste 30 jaar meer dan genoeg gedaan. We hebben onze grenzen opengesteld, opvang geregeld en integratie geprobeerd. Maar er moet een keer een einde aan komen. Anders hebben we straks zelf niets meer over en raken we ons land kwijt, het enige land, ons enige thuis dat we hebben.

Wij zijn realistisch. Dit pakket wordt door sommigen gepresenteerd als de grote ommekeer, maar het is geen immigratiestop, geen remigratiebeleid en ook geen sluiting van de grenzen. Het is een pakket dat in de marge rommelt, terwijl de aanwas van de hoge asielinstroom grotendeels intact blijft. De regering kan zelf geen harde onderbouwing geven dat deze maatregelen de instroom structureel gaan verminderen.

Daarom zijn wij kritisch, vooral bij de Wet invoering tweestatusstelsel. Deze wet haalt het onderscheid terug dat in 2001 is afgeschaft: de sterke vluchtelingenstatus volgens het Vluchtelingenverdrag versus de zwakkere subsidiaire bescherming voor mensen uit gebieden met algemene onveiligheid. Het doel is helder: strengere nareis voor de zwakkere status. Maar de praktijk is riskant. De regering erkent zelf dat veel mensen met subsidiaire bescherming zullen doorprocederen om alsnog de sterkere status te krijgen. Dat leidt tot extra beroepen, individuele toetsing en een waterbedeffect via artikel 8 van het EVRM. De Raad voor de rechtspraak waarschuwt voor structurele extra kosten van tientallen miljoenen per jaar voor de rechtspraak alleen al. Mijn vraag aan de minister: hoe gaat u ervoor zorgen dat deze wet niet leidt tot een overbelasting van de rechterlijke macht, met duizenden extra procedures over de status? Wie betaalt die extra rechtszaken eigenlijk? Is dit helder begroot, of schuiven we deze kosten straks door naar de rechtspraak en uiteindelijk naar de belastingbetaler?

Ook de Asielnoodmaatregelenwet en de novelle roepen vragen op. Bij de novelle kiest de regering er bewust voor om medeplegen en medeplichtigheid uit te sluiten van strafbaarheid. Daarmee wordt een fundamenteel beginsel van ons strafrecht losgelaten. Organisaties die openlijk het terugkeerbeleid willen saboteren, worden juridisch buiten schot geplaatst. Dat is geen neutraal beleid. Dat is het legitimeren van ondermijning. Kan de minister hier nog eens op reflecteren?

Voorzitter. De minister sprak van de week harde woorden toen het ging over de uitvoering van de Spreidingswet door gemeenten. Hopelijk toont hij dezelfde daadkracht en vastberadenheid als het gaat om het uitvoeren van deze asielwetten, mochten ze het halen. Forum voor Democratie wil grip op de asielinstroom. Dit pakket is geen echte oplossing, maar het is wel een erkenning dat het oude beleid niet houdbaar is. Eindelijk wordt er iets ondernomen, met de intentie de instroom te beperken. Daarom overwegen wij om voor deze wetten te stemmen. Dat is niet omdat we denken dat daarmee het probleem is opgelost, maar omdat iedere stap richting inperking van de instroom van waarde is.

Tegelijk spreken we hier een duidelijke verwachting uit: wanneer blijkt dat deze maatregelen ontoereikend zijn — en die kans achten wij reëel — dan verwachten wij van deze regering dat zij tot verdergaande effectieve wetgeving of het opzeggen van verdragen komt. Initiatieven die daadwerkelijk leiden tot structurele beheersing van migratie kunnen altijd rekenen op onze steun.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Hattem van de fractie van de PVV.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Dank, voorzitter. "De situatie in de asielopvang is urgent en kritiek. De asielketen loopt tegen de grenzen van het mogelijke aan en dat is de afgelopen tijd weer duidelijk zichtbaar door de grote druk op het aanmeldcentrum in Ter Apel en de gevolgen die dat heeft voor de directe omgeving." Zo opende de minister van Asiel en Migratie zijn brief van eind maart aan alle Nederlandse burgemeesters. Deze constatering is een open deur, want door open grenzen barst Nederland uit zijn voegen door de aanhoudend hoge asielinstroom. Iedere week is er een instroom van zo'n 900 asielzoekers, met jaarlijks complete steden erbij qua aantallen, meer dan 55.000 nareizigers in de wacht en vele tienduizenden illegalen. Het gaat maar door. Nederland is bomvol. Voor onze eigen mensen is er geen huis meer te vinden en de asieloverlast is enorm. Deze asielwetten komen dus geen dag te vroeg. Sterker nog, als de minister zo nadrukkelijk stelt dat de situatie "urgent en kritiek" is, is het dan niet hoog tijd voor een acute asielstop? Graag een reactie van de minister hierop. Want wanneer is het dan wel urgent en kritiek genoeg om tot een asielstop te komen? Andere EU-lidstaten zijn wél bereid om zulke maatregelen te nemen. Zij streven ons land voorbij qua maatregelen, waardoor Nederland het asielafvoerputje van Europa blijft als we niets doen.

Verder zegt de minister in deze brief "hard te werken om de instroom omlaag te krijgen". Kan hij noemen waar dat uit blijkt en welke resultaten hij kan laten zien? Ook noemt hij de behandeling van de vandaag hier in de Eerste Kamer voorliggende Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel in zijn brief. Hij stelt hierover: "Na goedkeuring wordt een reeks instroombeperkende maatregelen met onmiddellijke ingang van kracht." Kan de minister bevestigen dat na goedkeuring van deze Kamer hij deze wetten onmiddellijk laat ondertekenen en publiceren? Kan hij nader verduidelijken wat hij precies onder deze "reeks instroombeperkende maatregelen" verstaat?

Ook stelt de minister: "Wij spannen ons tot het uiterste in om met alle juridische ruimte die daarvoor bestaat de instroom te beperken." Kan de minister aangeven welke inspanningen dit concreet zijn? Is hij bereid, nu hij alle juridische ruimte wil benutten om de instroom te beperken, staatsnoodrecht vanuit de Vreemdelingenwet in te zetten en dezelfde maatregelen te nemen als andere EU-lidstaten, zoals Duitsland, Oostenrijk en Griekenland, die binnen de juridische ruimte van het Unierecht passen?

Het tweede deel van de brief zet echter in op dwang richting gemeenten om asielzoekers op te vangen, onder dreiging van interbestuurlijk toezicht, oftewel dwang via de asieldwangwet. Dat is geen "grip op migratie krijgen", maar Nederland houden in de wurggreep van de massa-immigratie. Bij Nieuwsuur gaf de minister aan dat hij desnoods zelf azc-locaties in gemeenten wil aanwijzen. Kan de minister aangeven of hij inderdaad op basis van de interventieladder voornemens is om tot indeplaatsstelling over te gaan?

Daarbij gaf de minister aan: "Dat is uiteindelijk wat de wet mij voorschrijft". Uit de memorie van toelichting van de Spreidingswet blijkt echter niet dat deze stap als zodanig aan de minister wordt voorgeschreven. Er wordt juist gesteld: "Niet alle gemeenten worden verplicht om opvangvoorzieningen mogelijk te maken. Ook is bij de behandeling van de Spreidingswet door de toenmalige staatssecretaris aangegeven dat hij de bevoegdheid zou kunnen overnemen." Er is in de wet dus geen imperatieve bepaling richting de minister, maar een kan-bepaling. Is de minister bereid om zijn azc-dwangdreigementen richting gemeenten in te trekken en in plaats daarvan het probleem bij de bron aan te pakken, te weten het stoppen van de asielinstroom? Is hij bovendien bereid om de vreselijke Spreidingswet, oftewel de asieldwangwet, zo snel mogelijk in te trekken? Graag een reactie.

Voorliggende wetten zetten in ieder geval noodzakelijke stappen om het asielbeleid strenger te maken. Zo wordt de asielvergunning voor onbepaalde tijd afgeschaft en wordt met het tweestatusstelsel het recht op nareis beperkt, doordat het recht geldt voor een kleinere doelgroep. Dit geldt ook voor de huidige statushouders. Deze maatregel wordt bovendien niet verder geregeld in het Europees Asiel- en Migratiepact.

Verder ziet de Asielnoodmaatregelenwet ook op een aantal zaken die niet nader worden geregeld in het Europees Asiel- en Migratiepact, zoals het afschaffen van dwangsommen bij asielprocedures en het afschaffen van de voornemenprocedure, wat een lang gekoesterde wens van de IND is. Bovendien is Nederland het enige land in Europa met zo'n voornemenprocedure. Deze maatregelen komen boven op het Migratiepact, wat deze wetgeving als zelfstandige wetgeving extra noodzakelijk maakt.

Ook een uitbreiding van de ongewenstverklaringen is belangrijk, ook om criminele vreemdelingen te laten vertrekken. Er wordt verwacht dat deze maatregel bijdraagt aan een effectievere handhaving van vertrekplichtigen.

Daarbij komt de strafbaarstelling van illegaliteit. Het kabinet heeft eerder aangegeven dat "de strafbaarstelling van illegaal verblijf wel degelijk kan bijdragen aan meer grip krijgen op migratie en een effectiever terugkeerbeleid, en dat het voor hand ligt dat een strafrechtelijke sanctie als extra negatieve prikkel bijdraagt aan gedragsbeïnvloeding". Van de voorgestelde strafbaarstelling op zichzelf moet volgens het kabinet ook een afschrikkende werking uitgaan. Het kan daarbij helpen om illegale komst en illegaal verblijf in Nederland te voorkomen en tegen te gaan.

Verder zegt de regering: "Met de strafbaarstelling krijgen politie en justitie juist meer mogelijkheden om handelend op te treden als een criminele, niet rechtmatig verblijvende vreemdeling wordt aangetroffen, maar uitzetting vanwege tegenwerking door de vreemdeling niet mogelijk is. Wanneer vreemdelingenbewaring niet mogelijk is, zal de vreemdeling nu nog worden heengezonden en mogelijk opnieuw met het strafrecht in aanmerking komen. De strafbaarstelling kan de naleving van de verblijfsregels verbeteren en zo bijdragen aan een effectief terugkeerbeleid, met name ten aanzien van criminele overlastgevende vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf."

Ook zegt de regering: "Daarmee wordt een duidelijk signaal afgegeven om Nederland niet aantrekkelijker te maken dan de omringende lidstaten. Gelet daarop wordt opgemerkt dat ook andere Europese landen illegaal verblijf sanctioneren. In verschillende andere EU-lidstaten, zoals Duitsland, België en Italië, bestaat er ook een strafbaarstelling van illegaal verblijf."

Tevens geeft de regering aan: "Het OM heeft aangekondigd een vervolgingsbeleid te zullen gaan ontwikkelen ten aanzien van de strafbaarstelling van illegaal verblijf. Daarin zal de mate waarin een vreemdeling crimineel of overlastgegeven verdrag vertoont als relevant belang worden betrokken."

Ook geeft het kabinet aan dat strafbaarstelling van illegaliteit indirect kan leiden tot ongewenstverklaring. Ik citeer: "De vaststelling dat een vreemdeling bij herhaling een in de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit begaat, is grond voor het opleggen van een ongewenstverklaring op grond van artikel 67, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet. Dit kan zijn het niet naleven van een meldplicht of gebiedsverbod; handelingen die nu al in artikel 108 van de Vreemdelingenwet strafbaar zijn gesteld. Door dit artikel in de Vreemdelingenwet op te nemen, kan het meermalen plegen van het feit ook leiden tot een ongewenstverklaring. De ongewenstverklaring voorkomt dat procedureel een rechtmatig verblijf ontstaat bij de nieuw ingediende reguliere verblijfsaanvraag. Hierdoor loont het niet om kansarme reguliere verblijfsaanvragen te doen. Deze kansarme aanvragen leggen thans beslag op de IND-capaciteit en hebben vooral tot doel om procedureel rechtmatig verblijf te genereren en uitzetting te voorkomen." Ik haal die citaten allemaal niet voor niets aan, want ik mag ervan uitgaan dat de minister deze opvattingen van zijn ambtsvoorgangers onderschrijft.

Dit zou dus ook op steun van het CDA moeten kunnen rekenen. In 2020 pleitte toenmalig CDA-Kamerlid Van Toorenburg nog voor het strafbaar stellen van illegaliteit voor uitgeprocedeerde asielzoekers die niet meewerken aan terugkeer. Bij de Tweede Kamerbehandeling van deze wetten merkte CDA-leider Bontenbal op dat in het regeerakkoord van 2014 van VVD en PvdA ook de strafbaarstelling van illegaal verblijf was opgenomen. We zouden dus brede steun hiervoor mogen verwachten.

Nederland heeft genoeg van de asielellende. Afgelopen week zagen we weer de totale ontwrichting: overlast, geweld en intimidatie door asielschorem op bussen naar Ter Apel. Daarbij stroomt Ter Apel vol met lieden met een onbekende nationaliteit, zo bleek afgelopen week. En veelal noemen ze zich ook nog eens Palestijn. Kan de minister aangeven wanneer deze groepen vertrekken en we de grens sluiten voor nog meer van zulke asielprofiteurs? En wanneer worden overlastgevende Syrische "jongeren" nu eens het land uitgezet, die al tijdenlang onze steden onveilig maken?

We moeten keihard inzetten op remigratie van zulke criminele asielzoekers in plaats van nog meer opvangplekken op te tuigen. Zo veroorzaakte afgelopen zomer een groep van 30 jonge Syrische asielzoekers in Den Bosch een golf van intimidatie en geweld. Om daar nog een schepje bovenop te doen krijgt die gemeente nu een opvanglocatie voor zulke alleenstaande minderjarige vreemdelingen in een voormalig politiebureau, mogelijk voor de komende vijftien jaar. Deze locatie wordt gevuld met onder anderen Somaliërs en Syriërs uit Ter Apel en noodopvanglocaties. Voor omwonenden is er geen inspraak mogelijk over de locatie. Kan de minister zich voorstellen dat omwonenden zich bedreigd voelen door zulke maatregelen? Wil hij echt doorgaan met het leven van onze eigen Nederlandse inwoners verzieken, of gaat hij nu daadwerkelijk de instroom en de open grenzen aanpakken?

Door de onophoudelijke asielmassa-immigratie zien we steeds meer vervreemding en islamisering in ons land en steeds minder woningen en voorzieningen voor de Nederlanders. De migratieachtergrond is steevast oververtegenwoordigd bij problemen, zoals oververtegenwoordiging bij criminaliteit, oververtegenwoordiging bij overlast, seksuele uitbuiting en geweld, oververtegenwoordiging bij analfabetisme, oververtegenwoordiging bij antisemitisme, oververtegenwoordiging van gedetineerden in gevangenissen, oververtegenwoordiging bij bijstandsuitkeringen et cetera et cetera. Men zou ook wel kunnen spreken over de "oververtegenwoordigden".

De vandaag voorliggende wetten zijn een belangrijke stap, maar er moet nog veel meer gebeuren. Om te beginnen moet er een asielstop komen en moet er begonnen worden met de uitvoering van het vorig jaar door de PVV gepresenteerde tienpuntenplan. Is de minister bereid om snel werk te maken van het volgende? Eén: grenzen dicht voor asielzoekers. Twee: meer grensbewaking met hulp van het leger. Drie: een tijdelijke stop op gezinshereniging. Vier: statushouders worden uit asielzoekerscentra gezet om ruimte te maken en ze moeten zelf bij familie, landgenoten of anderen gaan slapen. Vijf: Syriërs met een tijdelijke verblijfsvergunning moeten uiterlijk binnen een halfjaar terug naar hun eigen land, desnoods gedwongen. Zes: geen enkel azc er meer bij, maar sluiten. Zeven: twee wetten moeten nog voor de zomer naar de Raad van State, namelijk de intrekking van de Spreidingswet en het wetsvoorstel dat voorrang van statushouders bij sociale huur gaat verbieden. Acht: vreemdelingen die zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven verliezen hun verblijfsstatus en moeten het land uit. Negen: van mensen met een dubbele nationaliteit, die worden veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict, wordt hun Nederlandse nationaliteit afgenomen en ze worden het land uitgezet. En tot slot tien: de politie moet sneller kunnen ingrijpen bij demonstraties en ordeverstoringen. Ik hoor graag hoe de minister tegenover dit tienpuntenplan staat.

Tot slot. Met deze wetten wordt een stap in de goede richting gezet, maar we verwachten dan ook dat de minister ze niet in de uitvoering gaat afzwakken, inperken of op onderdelen de invoering gaat uitstellen. Hij moet doorpakken en de asielinstroom echt aanpakken.

Ik wil mijn dank uitspreken aan oud-minister Marjolein Faber voor het indienen van deze twee wetten en het harde werk dat hiervoor is verricht.

Ik overweeg in tweede termijn nog een aantal moties in te dienen, onder andere een motie voor een asielstop en een motie voor het zo snel mogelijk intrekken van de Spreidingswet.

Voorzitter, tot zover in eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Voorzitter, dank u wel. De regering gaat bezuinigen op de gezondheidszorg. En voor degenen die nu denken dat ik de verkeerde debattekst heb meegenomen: ik kan u geruststellen. Het kabinet gaat bezuinigen op het basispakket en dat doet het door het schrappen van behandelingen. Het daarbij gehanteerde criterium is dat het kabinet alleen datgene wil "wat bewezen meerwaarde heeft". Vandaag zal ik daarom de voorliggende asielwetten en de novelle langs de meetlat van het kabinet van de bewezen meerwaarde leggen.

Voorzitter. Ik begin met de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf, of liever gezegd met de halfslachtige poging van het kabinet om het deelnemen aan een misdrijf door hulp bij het misdrijf van illegaal verblijf aan strafbaarheid te onttrekken. Met die aanduiding maak ik ook wel meteen de beoordeling van de SP-fractie van deze novelle duidelijk. Er is een goede Nederlandse uitdrukking voor de positie waar het kabinet zich in heeft gebracht: jezelf in een hoek verven. Als de novelle namelijk geen meerderheid zou halen, blijft hulp bij illegaal verblijf sowieso strafbaar. We hebben in de Tweede Kamer gezien tot welk stemgedrag dat heeft geleid.

Voorzitter. Laten we alstublieft ophouden met het de hele tijd alleen maar over die kom soep te hebben. Dat is echt een versimpeling van de feitelijke situatie. Het gaat om veel meer dan dat. Erkent de minister dat ook? Ik zei het straks al bij interruptie: ik begrijp de zorg en de verontwaardiging van alle mensen en organisaties die in lid 2 van artikel 108 Vreemdelingenwet worden aangesproken. Ik begrijp die verontwaardiging en zorg heel goed. "Deelnemen aan dit misdrijf anders dan als pleger is niet strafbaar." Hier staat onomwonden dat deze mensen deelnemen aan een misdrijf, en dat steekt hen op een vreselijke manier. Dat brengt hen ook in gewetensnood. Zij nemen deel aan een misdrijf. Erkent de minister dit?

Voorzitter. Over de samenloop van artikel 108a Vreemdelingenwet met artikel 197a Wetboek van Strafrecht en artikel 140 Wetboek van Strafrecht is niet of in ieder geval onvoldoende nagedacht door de minister, naar mening van mijn fractie. Door die samenloop kan de vrijwilliger die koffie schenkt aan een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling door die handeling nog steeds een vervolgbaar misdrijf plegen. Kan de minister dat bevestigen? Deze novelle maakt namelijk geen sluitend einde aan het deelnemen aan een misdrijf door een maatschappelijke organisatie, een hulpverlener, een kerk of een wijkteam. Het kabinet maakt van al deze mensen, naar hun gevoel, misdadigers. Misdadigers die misschien niet gestraft worden, maar wel aan een misdrijf deelnemen. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Terug naar artikel 108a van de Vreemdelingenwet, het hulp bieden aan illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen die op basis van 108a, lid 1, een misdrijf plegen. Hoe denkt de minister dat deze mensen, deze deelnemers aan een misdrijf, deze hulpverleners worden gezien door een omgeving die steeds verder verhardt en steeds vijandiger is? Zij helpen misdadigers, illegale vreemdelingen. Heeft de minister gezien hoe burgers worden benaderd die vóór de komst van een azc zijn, hoe raadsleden worden geïntimideerd? Graag een reactie van de minister op de vraag of over dit gevolg voor deze mensen, voor deze hulpverleners is nagedacht en wat daarbij de afweging is geweest.

Voorzitter. Het probleem waar ik al op doelde ...

De heer Van Hattem i (PVV):

Deze discussie heb ik al een paar keer voorbij horen komen, over het al dan niet medeplegen of deelnemen aan een strafbaar feit. Maar ik moet eerlijk zeggen: ik heb het nog even goed nagelezen. De memorie van toelichting bij de novelle is niet heel duidelijk, want die schetst eerst allerlei verschillende opties die overwogen kunnen worden. Uiteindelijk wordt dan halverwege een alinea duidelijk gezegd dat er wordt gekozen om alle deelnemingsvormen, uitgezonderd het plegen zelf, uit te sluiten. Dat betekent dat de genoemde strafbepaling zich alleen uitstrekt tot de pleger. Het staat dus wel heel duidelijk in de memorie van toelichting dat andere deelnemingsvormen, medeplegen, medeplichtigheid, hier absoluut niet onder vallen. Is de heer Janssen dat met mij eens?

De heer Janssen (SP):

Dat is de tekst van de memorie van toelichting, en het staat ook zo in de novelle, maar mijn punt gaat iets verder, namelijk over het gevoel van die mensen, dat zij nog steeds deelnemen aan een misdrijf en daarvoor straffeloos worden gesteld. Dat is mijn punt.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar wij zitten hier in de Eerste Kamer om de wetteksten en de memorie van toelichting, in dit geval de memorie van toelichting bij de novelle waar ik uit citeer, te beoordelen. En gevoelens, die kunnen we hier niet beoordelen. Dat is natuurlijk veel lastiger. Is de heer Janssen het met mij eens dat het, zoals het in de novelle, althans de memorie van toelichting bij de novelle, omschreven is, wel duidelijk is op dit punt?

De heer Janssen (SP):

Nou ja, die is in zoverre duidelijk dat mensen vrijgesteld worden van straf, terwijl ze toch deelnemen aan een misdrijf. Zo staat het in de letterlijke tekst van de novelle. We hebben het heel veel over de memorie van toelichting. Ik moet eerlijk zeggen — ik zei dat ook al in een interruptie — dat wij de afgelopen twee jaar wel heel vaak gehoord hebben: ja, dat staat wel in de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel of bij een wet die is aangenomen, maar de wereld is ondertussen veranderd en wij zien het nu echt anders, dus we moeten het toch op een andere manier gaan doen. En daarbij werd dan verwezen naar de letterlijke wetstekst. Ik hecht dus heel erg aan een letterlijke wetstekst. Ik zeg het met alle respect, maar ik vind het minder belangrijk wat er als toelichting in de memorie van toelichting staat, omdat dit geen kracht van wet heeft en alleen ondersteunend kan zijn bij een eventuele gerechtelijke procedure.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar met gevoelens kunnen we helemaal niks. We zitten hier toch wel echt om te bekijken wat er in de wetsgeschiedenis staat. Daarin staat heel duidelijk dat bij deze specifieke strafbepaling — er is dus afgeweken van de reguliere systematiek van het Wetboek van Strafrecht; dat staat er ook nog bij — "de toepasselijkheid van de overige deelnemingsvormen geheel wordt uitgesloten". Verderop staat nog: "Het onverkort uitsluiten van de genoemde deelnemingsvormen, waaronder medeplegen en medeplichtigheid (…)." Hoeveel duidelijker kan het zijn?

De heer Janssen (SP):

Daar kom ik in de rest van mijn betoog nog op terug.

Voorzitter. Ik was bij mijn vraag aan de minister over zijn reactie op wat dit betekent voor mensen. Ik verwees naar hoe voorstanders van een azc, gemeenteraadsleden die voor een azc zijn, worden benaderd en geïntimideerd. Kan de minister zich voorstellen dat het ook voor mensen die als hulpverlener medepleger van een misdrijf worden zo zal gaan gelden en dat zij daar enorm tegen opzien?

Voorzitter. Ik was bij de samenloop met artikel 197a. Als ik dat artikel afpel, wordt voor mijn fractie duidelijk waarin deze novelle tekortschiet. Artikel 197a, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht is duidelijk. Ik geef even de ingekorte relevante versie. "Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland (…) of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie." Denk daarbij aan artikel 1. Als ik daar lid 4 nog aan toevoeg, wordt het nog duidelijker. "Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of in vereniging wordt begaan door meerdere personen, wordt gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd." Mijn vraag aan de minister is dus hoe hij kijkt naar de samenloop van het voorgestelde artikel 108a Vreemdelingenwet met dit artikel 197a Wetboek van Strafrecht, gelet op lid 1 en het vervolg daarop? Mijn vraag aan de minister is: kan de minister hier boven iedere twijfel verheven zeggen dat artikel 197a Wetboek van Strafrecht nooit van toepassing kan zijn op mensen die onder het voorgestelde artikel 108a, lid 2, Vreemdelingenwet worden bedoeld? Graag een reactie van de minister.

Ik vraag de minister eigenlijk om eenzelfde uitspraak als het gaat om de mogelijke samenloop met artikel 140 Wetboek van Strafrecht: "boven iedere twijfel verheven: niet van toepassing." Kan de minister dat hier uitspreken? Ik vraag dat omdat ook Buruma hiernaar verwees in het artikel dat inmiddels al een paar keer is aangehaald en dat ook online in het NJB staat. Hij verwees daar ook naar. Volgens hem had ook het zelfstandig delict van artikel 140 Wetboek van Strafrecht uitgesloten moeten worden en niet alleen het deelnemen. Ik hoor daar graag een reactie van de minister op. Zou dat namelijk niet zo zijn en zou dat wel via een omweg nog van toepassing kunnen zijn, dan zou je via lid 5 van datzelfde artikel 140 zelfs een collecte in de kerk tot een misdrijf kunnen maken, namelijk het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun. Ik zeg niet dat ik dat wil, maar ik probeer hier af te pellen waar er juridisch mogelijk haken en ogen zitten aan hetgeen nu bij ons voorligt. De kerkcollecte als misdrijf: je moet er toch niet aan denken. Dat willen we graag uitsluiten. De vraag aan de minister is of hij ook van mening is dat eigenlijk ook artikel 140 Wetboek van Strafrecht als zelfstandig delict had moeten worden uitgesloten, zoals Buruma aangeeft, en dat de huidige novelle daarmee niet sluitend is qua bescherming voor de hulpverleners.

Voorzitter. De simplificatie van het kokerdenken over het schenken van die kop soep brengt nog een ander probleem aan het licht, te weten dat artikel 2 van deze novelle zich richt op een poging om strafbaarheid bij medemenselijkheid uit te sluiten, tenminste voor maatschappelijke organisaties, hulpverleners, kerk- en wijkteams die handelen om niet, kosteloos, mededogen, barmhartigheid. Maar wat als die kop soep voor €0,50 in het wijkcentrum wordt verkocht aan die illegaal verblijvende vreemdeling? Wat als een buschauffeur die illegaal verblijvende vreemdeling een kaartje verkoopt en van A naar B vervoert? Wat als die vreemdeling op de kerkbraderie een jas wordt verkocht voor €5? Wat dan? Zijn die vrijwilliger in het wijkcentrum, die buschauffeur en die kerkvrijwilliger dan wel strafbaar? Of valt dat ook onder lid 2? Ik kan zo nog honderden voorbeelden geven — dat ga ik natuurlijk niet doen — maar ik vraag wel aan de minister wat er dan gebeurt: zijn die vrijwilligers en die buschauffeur medeplichtig aan een misdrijf waarvoor zij wel vervolgd kunnen worden?

Voorzitter. Dat maakt dat voor mijn fractie deze novelle juridisch wankel is en van goedbedoelende en onwetende mensen mensen maakt die aan een misdrijf deelnemen. Dat is naar onze mening wat deze novelle doet. Die mensen zullen, als zij geluk hebben, daar niet voor worden vervolgd. Maar daar gaat het kabinet dan weer niet over, want dat is een zaak van het Openbaar Ministerie.

Voorzitter. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de niet bewezen meerwaarde. Clingendael, een instituut dat je toch moeilijk onder de vreemdelingenlobby kunt scharen, schreef er vorig jaar al een policybrief over. Ik citeer: "Onderzoek uit binnen- en buitenland laat zien dat dit soort strafbaarstellingen nauwelijks effect hebben op migratiebeslissingen. Migranten worden primair gedreven door veiligheid, economisch perspectief en familierelaties, niet door beleidsvoorstellen of dreiging met onuitvoerbare straffen." Een tweede citaat: "Ervaringen in België, Duitsland, Zweden en Italië — waar illegaliteit reeds enige jaren strafbaar is — laten zien hoe beleid op papier een andere uitwerking krijgt zodra het op straat effect krijgt. Wat opvalt: de maatregel klinkt daadkrachtig, maar blijkt vaak juridisch broos, praktisch onwerkbaar en maatschappelijk ontwrichtend." Einde citaat Clingendael. Wat is de reactie van de minister hierop en waarop baseert hij dat de strafbaarstelling een bewezen meerwaarde zal hebben? Het omgekeerde lijkt het geval als je naar het buitenland kijkt.

Voorzitter. Het mag duidelijk zijn dat de SP niet voor deze strafbaarstelling is, een strafbaarstelling waarbij ook nog eens grote groepen goedbedoelende mensen mogelijk worden gecriminaliseerd en als deelnemers aan een misdrijf worden gezien. Het amendement in de Tweede Kamer, de novelle en de hele strafbaarstelling zijn voor mijn fractie toch echt juridisch broddelwerk en moeten wat ons betreft van tafel, maar dan ook helemaal. Alle adviesorganen zeggen: doe dit niet, het doet meer kwaad dan goed. Stop ermee nu het nog kan, is dan ook de oproep van de SP-fractie aan de minister. Stop met dat stoer doen van het vorige kabinet, dat u heeft overgenomen en ga aan de slag met maatregelen die wél werken. Tot zover de novelle voor dit moment.

Dan heb ik nog een kort woord vooraf voordat ik aan de twee wetsvoorstellen toekom. Heel veel mensen maken zich zorgen over migratie, over de druk op onze voorzieningen, over de woningnood, over de omstandigheden waarin vluchtelingen opgevangen worden, over het aantal arbeidsmigranten en over de spanningen in de samenleving. Die zorgen zijn terecht. Ik bedoel hierbij ook wél arbeidsmigranten. Ook de SP vindt het huidige migratiebeleid niet houdbaar, maar laten we wel precies zijn: migratie is meer dan asiel. Er zijn in Nederland op dit moment tussen de 800.000 en 1,2 miljoen arbeidsmigranten; niemand weet eigenlijk precies hoeveel het er zijn. Dat geeft ook een enorme druk op onze buurten en sociale voorzieningen en de woningvoorraad. Daarmee doe ik niets af aan de problemen in de hele asielketen, die door het falen van opeenvolgende kabinetten zijn ontstaan, want die problemen moeten worden aangepakt. Maar asiel de schuld geven van alle problemen in Nederland gaat ons veel te ver. Tot zover mijn woord vooraf.

Dan kom ik bij de twee wetsvoorstellen. Ik kan daar korter over zijn omdat die door voorgaande sprekers al behoorlijk ontleed zijn in de afgelopen uren, maar ik zal bij beide wetsvoorstellen de minister in ieder geval één gelijkluidende vraag stellen: wat moet dwingend van Europa en wat doet Nederland daar zelf als extra maatregelen nog bovenop? Dit betreft de zogenaamde Nederlandse kop op Europese wetgeving. Ik vraag dit omdat ik weet dat er bij verschillende partijen in deze Kamer enorme weerstand is tegen Nederlandse koppen op Europese wetgeving. Die zijn altijd bijzonder helder: alleen datgene doen wat van Europa dwingend moet en vooral niet meer dan dat.

Voorzitter. Het aantal asielaanvragen in heel Europa is lager dan in voorgaande jaren. Dat aantal neemt gelukkig weer wat af, al moeten we daarbij wel zeggen dat naarmate er meer oorlogen worden begonnen, die aantallen weer toe kunnen nemen. We zien echter dat we ongeacht het aantal aanvragen wel een groot probleem hebben met een kleine groep overlastgevende veiligelanders.

De heer Schalk i (SGP):

Eindelijk begrijp ik waar vorige week de vraag van de heer Janssen over ging bij het debat over de regeringsverklaring. Die vraag ging over de koppen op EU-wetgeving.

De heer Janssen (SP):

U was daar zo helder over.

De heer Schalk (SGP):

Dat ben ik nu weer. Op dit moment, zeg ik tegen de heer Janssen, geeft de EU al ruimte voor een tweestatusstelsel. Dat we dat in Nederland niet doen, is dus weer zo'n kop op de EU-wetten. Hetzelfde geldt voor het verkorten van de verblijfstermijnen. Bij ons gaat het om vijf jaar, terwijl de EU drie jaar als minimale eis geeft. We hebben nu dus ook van die koppen. Daar moeten we van af. Het helpt dus geweldig als we deze wetten aannemen.

De heer Janssen (SP):

Ik heb niet anders gezegd dan dat ik de minister zal vragen welk deel van de wetgeving een Europese kop is en welk deel niet. Het feit dat er van Europa ruimte is … Alles mag van Europa, tenzij het niet mag van Europa. Zo simpel is het. Maar dat is geen kop. Een kop is dat het niet hoeft en dat het niet dwingend wordt voorgeschreven, maar dat we daar toch iets extra's op doen, bijvoorbeeld op milieubeleid of anderszins. Daar is natuurlijk vaak weerstand tegen. Er wordt dan gezegd: we doen meer dan Europa dwingend van ons vraagt. Het is dus niet meer dan een vraag geweest, meneer Schalk. Ik was blij dat u daar vorige week zo duidelijk over was, en nu naar uw gevoel weer.

Voorzitter. Ik had het over die kleine groep overlastgevende veiligelanders die de boel verzieken, zorgen voor onveiligheid en overlast en daarmee ook grotendeels het beeld bepalen. Voor de SP is het dan ook volkomen duidelijk dat die overlastgevers liever vandaag dan morgen moeten worden aangepakt en uitgezet, maar dat gebeurt al heel veel kabinetten lang onvoldoende.

Voorzitter. De organisatie van de asielketen is ook niet houdbaar. De duur van de gemiddelde asielprocedure is opgelopen tot anderhalf à twee jaar. De Raad van State gaf recentelijk nog aan dat het toch echt zes maanden moet zijn en dat die oprekking tot achttien maanden echt niet kan. Mede daardoor zit de opvang weer barstensvol. Er is geen doorstroom en geen uitstroom. Omdat die opvang zo propvol zit, is er ook zoveel noodopvang. Ik heb daar al veel vaker naar verwezen. Die noodopvang is gewoon stervensduur en een verdienmodel geworden. Het gaat om meer dan 1 miljard euro per jaar aan onnodig uitgegeven belastinggeld.

Ik zeg het volgende al sinds ik in 2017 in de Tweede Kamer mijn eerste bijdrage mocht schrijven voor mijn zeer gewaardeerde collega Jan de Wit. Mijn eerste bijdrage die ik voor hem schreef, ging over het pardon, dat op dat moment in 2017 speelde. In de kern is asiel heel simpel: wie als asielzoeker een beroep doet op het Vluchtelingenverdrag om als vluchteling te worden erkend, wordt beoordeeld in een zorgvuldige procedure die maximaal zes maanden duurt. Word je erkend, dan mag je blijven. Word je niet erkend, dan zul je moeten terugkeren. Eigenlijk is dat de basis van ons asielbeleid. Maar de Asielnoodmaatregelenwet, die in 2024 buiten het parlement om in had moeten gaan, ligt vandaag voor. Het is een wet die vooruit moest lopen op het Europees Asiel- en Migratiepact, hoewel wij destijds de tijd van iets meer dan een jaar om die wetten in te voeren al erg krap vonden. Nu loopt het zelfs gelijktijdig of komt het misschien zelfs nog wel iets later. Wie zal het weten?

Collega's hebben over de acht maatregelen in deze wet al gedetailleerde vragen gesteld waar ik me wel bij aan kan sluiten. Ik zal me beperken tot de twee vragen die ik al noemde. Mijn eerste vraag aan de minister over de acht maatregelen is de volgende. Kan de minister gewoon per maatregel aangeven — ik ga ze niet nog een keer allemaal opnoemen — of die maatregel dwingend moet van Europa of dat die een Nederlandse kop is? Ik heb het dan niet over ruimte, maar over de vraag of wij bewust meer doen dan Europa van ons vraagt. Ik hoor dat graag maatregel voor maatregel van de minister.

Voorzitter. Mijn tweede vraag aan de minister: kan hij per maatregel uit de Asielnoodmaatregelenwet aangeven of die maatregel bewezen meerwaarde heeft of dat die maatregel bedoeld is om te ontmoedigen en om Nederland minder aantrekkelijk te maken? Ik hoor graag van de minister of hij de bewezen meerwaarde kan aantonen, bijvoorbeeld aan de hand van ervaringen en cijfers uit het buitenland.

Voorzitter. We weten hoe sterk het recht op familieleven is. Ik verwijs hierbij, zoals collega's al deden, bijvoorbeeld naar de recente uitspraak in België, hoewel ik daar wel bij moet zeggen dat het ging over het Unierecht en niet over het EVRM.

De heer Lievense i (BBB):

In mijn hoofd ging ik weer even terug naar die technische briefing. Ik hoor de heer Janssen namens de SP aan de minister vragen of hij per maatregel kan aangeven wat het verschil is. Volgens mij was u ook bij die technische briefing, en anders had u die kunnen terugkijken. Daar is ook een heel document bij opgeleverd waarin het volgens mij maatregel voor maatregel beschreven stond. Voor mijn gevoel is het ons dus bekend. Of begrijp ik de heer Janssen verkeerd en bedoelt hij misschien een andere lijst van maatregelen?

De heer Janssen (SP):

Er staan acht maatregelen in de Asielnoodmaatregelenwet en ik hoor graag in dit debat van de minister wat er dwingend van Europa moet en wat een Nederlandse kop is. Het is niet meer dan dat; het kan heel kort. En we hebben heel veel informatie gehad waar we vandaag als Kamer alsnog naar vragen.

Voorzitter, nog een keer. We weten hoe sterk het recht op familieleven is. Ik heb al verwezen naar België, hoewel dat ging over het Unierecht. Kan de minister, met de kracht van artikel 8 EVRM in gedachten, toch nog eens specifiek ingaan op de juridische houdbaarheid van de maatregel in deze wet die de mogelijkheid uitsluit dat nareizende ongehuwde partners en meerderjarige kinderen een afgeleide asielvergunning voor bepaalde tijd krijgen? Hoe juridisch sluitend en houdbaar schat de minister dat in? Of heeft hij zelf ook gerede twijfel en laat hij het op een gerechtelijke uitspraak aankomen in Nederland of in Europa? Dan komen we weer in de molen terecht waarin de minister de rechter op de stoel van het kabinet en de politiek zet, en de rechter het verwijt krijgt dat hij op de stoel van de politiek gaat zitten als hij vervolgens zegt dat het niet mag. Graag een oordeel van de minister dus.

Voorzitter. Dat brengt mij als vanzelf bij het wetsvoorstel voor de invoering van het tweestatusstelsel. Het tweestatusstelsel is in het jaar 2000 met een goede reden afgeschaft. Het leidde tot meer beroepen en procedures, iets waar we nu echt niet op zitten te wachten. We zitten niet te wachten op een kabinet dat zorgt voor nog meer belasting van de uitvoering. Deze maatregel is in het verleden al niet houdbaar gebleken en is dus bewezen niet van meerwaarde. Waarom zouden we de chaos van toen nu weer binnenhalen, vraag ik de minister. Want ook de Raad van State stelt vast dat de redenen voor de afschaffing van het meerstatusstelsel in 2000 nog steeds actueel en relevant zijn voor dit wetsvoorstel. De Raad van State constateert het volgende over de uitvoering: "Het verwachte hoge aantal beroepen heeft verschillende gevolgen voor de IND, de rechtspraak en de advocatuur. De IND zal met het oog op verwachte beroepen uitvoeriger motiveren waarom een vreemdeling geen vluchtelingenstatus krijgt. Ook verwacht de IND een aanvullende belasting door in beroep geconstateerde motiveringsgebreken. De rechtspraak zal in eerste aanleg en in hoger beroep verder meer zaken te behandelen krijgen." Uit de consultatiereacties blijkt dat de IND, de Raad voor de rechtspraak en de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State de alarmbel luiden over deze uitvoeringsconsequenties. Graag een reactie van de minister op dit voorspelbare vastlopen van de uitvoering van het tweestatusstelsel zoals het nu wordt voorgesteld.

Voorzitter. Ook het effect dat deze maatregel zou moeten hebben, wordt door de Raad van State ernstig in twijfel getrokken. Ik doe toch nog maar een citaat: "De potentiële vermindering van de instroom als gevolg van de voorgestelde nareisbeperkingen moet, indien al van daadwerkelijke vermindering sprake zou zijn, evenmin worden overschat." Nou, dat is keurig geformuleerd, maar wat is de reactie van de minister hierop, anders dan het onverminderd vasthouden aan het wensdenken van zijn voorgangers?

Voorzitter. Ik ga afronden. De beide wetsvoorstellen die voorliggen, voldoen naar de mening van de SP-fractie al niet eens aan het eigen criterium van het kabinet van bewezen meerwaarde. Ze zijn naar onze mening vooral gebaseerd op wensdenken en afschrikken. Overigens is dat een effect waarvan onderzoek heeft aangetoond dat het zich niet voordoet. Ook rechters zullen daar heel kritisch naar kijken.

Voorzitter. Ook de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact binnen twee maanden maakt dat de wetten die nu voorliggen, naar de mening van de SP overbodig zijn. Ik vroeg bij een van de technische briefings aan de directeur-generaal van de IND wat er eigenlijk gebeurt als we deze wetten aannemen. Nou, dat was eigenlijk niet zo heel veel vergeleken bij de situatie waarin we deze wetten niet zouden aannemen, want het Asiel- en Migratiepact kwam er toch aan en het meeste werd daarin toch al geregeld. Ik chargeer niet; dat was echt haar uitspraak. Als de minister het gedrag van niet meewerken aan uitzetting strafbaar had willen stellen, dus het gedrág, dan had hij dit zo moeten opschrijven in de wet, maar dat staat er nu niet. Het illegaal zijn is nu strafbaar gesteld, en niet het gedrag van niet meewerken aan terugkeer. Ik zei het net al tegen de heer Van Hattem: de memorie van toelichting heeft voor onze fractie onvoldoende kracht en mist de kracht van wet. Daar schiet wat ons betreft de wet tekort en is hij ook een juridische schietschijf geworden.

Voorzitter. De novelle keuren wij echt af, omdat hierin onschuldige derden toch tot medeplegers van een misdrijf worden gemaakt. De samenhang met de artikelen van het Wetboek van Strafrecht roept naar onze mening onzekerheid op en er wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheden die er nu al zijn om niet aan hun terugkeer meewerkende vreemdelingen en overlastgevende vreemdelingen aan te pakken. Niettemin kijk ik toch uit naar de beantwoording van de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):

Dank, voorzitter. Het CDA spreekt mede namens de fractie-Van Gasteren. Het is een eer.

Voorzitter. Voordat we concreet ingaan op wat nu voorligt graag aandacht voor het feit dat we eindelijk op Europees niveau een serie asielmaatregelen hebben weten te treffen. Hier hebben we al zo lang een lans voor gebroken. Juist voor ons als klein, maar zeer aantrekkelijk land met een hoge bevolkingsdichtheid is dat van essentieel belang, temeer daar we deel uitmaken van de Schengenzone zonder binnengrenzen. Alleen gezamenlijk kunnen we grip krijgen op migratie. Dat was ook altijd het gemeenschappelijke oordeel van het voltallige parlement. Dus hoewel we vandaag met elkaar heel veel kritische kanttekeningen zullen plaatsen, moeten we wat het CDA betreft ook onze zegeningen tellen. Eindelijk hebben we de handen ineen weten te slaan in het belang van een effectief asielstelsel, waarin we in de toekomst veilig opvang kunnen bieden aan mensen die onze bescherming echt nodig hebben.

Dat gezegd hebbende, duizelt het ons wel een beetje. De ene wet waarin de elementen van het Migratiepact zijn opgenomen, wordt hier vandaag besproken en de volgende komt er alweer aan. Dat is complicerend, vooral omdat we aan het Migratiepact ook nationale wet- en regelgeving toevoegen. Het lijkt ook ons — ik hoorde verschillende leden dat vandaag al aangeven — van belang, ook voor de wetsgeschiedenis, om duidelijkheid te scheppen in waar we nu precies staan ten aanzien van het pact, de aanvullende verordeningen en onze eigen daaraan toegevoegde wensen. In de technische briefing is het een en ander al geduid — de heer Janssen gaf dat al aan — maar sindsdien is er veel gebeurd. Kan de minister ons allereerst inzicht verschaffen in het samenspel van de asielwet- en -regelgeving, juist ook omdat critici betogen dat de voorliggende wet wellicht overbodig is, gelet op hetgeen wij nog in te voeren hebben vanuit het Migratiepact?

Voorzitter. Veel is schriftelijk al aan de orde geweest. Diverse collega's hebben de vinger gelegd bij een aantal uitvoerbaarheidsproblematieken. Wij zullen ons vandaag beperken tot het bespreken van een paar maatregelen die ons nog steeds veel zorgen baren. Dat zijn de beperkte duur van de verblijfsvergunningen, het zicht op de ongewenstverklaarden, de behandeling van paren van gelijk geslacht en natuurlijk de novelle. Met de rest kunnen wij goed leven. We hebben daar ofwel eerder voor gepleit of de maatregelen zijn wat ons betreft voldoende beargumenteerd.

Voorzitter. Het verblijfsrecht wordt beperkt tot drie jaar, en niet langer onbeperkt verleend. Daarmee wordt het tijdelijke karakter onderstreept. Dat is in lijn met veel landen binnen de Europese Unie. Op zich is dat natuurlijk volledig begrijpelijk, maar we moeten wel opletten dat we niet dezelfde fouten maken als in het verleden met Turkse en Marokkaanse gastarbeiders, waarvan we steeds weer veronderstelden dat zij na een paar jaar wel zouden terugkeren naar het land van herkomst, wat zij echter niet deden. Het is echt zaak om mensen blijvend te motiveren om in te burgeren, ook al is het verblijf naar verwachting tijdelijk. Kansrijke asielzoekers moeten van meet af aan alle ruimte krijgen om te werken en de taal te leren. Wat zijn dienaangaande nou de concrete plannen? We hebben gehoord dat daarop wordt ingezet. Wij zouden graag wat meer duiding willen hebben van wat de concrete plannen zijn. We lezen bij herhaling dat de regering meent — en dan citeer ik — "dat het afschaffen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het verkorten van de verblijfsvergunningsduur een positieve stimulans zal betekenen voor de integratie van statushouders die willen beschikken over een verblijfsvergunning die niet afhankelijk is van de omstandigheden, op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus oorspronkelijk werd verleend. Om voor bijvoorbeeld de EU-status als langdurig ingezetene of de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen dient onder meer aan het inkomensvereiste te worden voldaan." Einde citaat. Ik weet niet of iemand in deze zaal echt helemaal snapt wat hier nu staat, maar wij niet. Dat neemt onze zorg dus niet weg dat mensen die voor langere tijd een tijdelijke vergunning hebben, mogelijk minder gemotiveerd zullen zijn om in te burgeren, omdat ze simpelweg niet weten hoe lang ze mogen blijven. Wij horen vandaag dus graag van dit kabinet hoe we ervoor zorgen dat mensen toch meedoen, ook al weten ze niet of ze mogen blijven. Ook het COA en de VNG wijzen hierop.

De heer Dittrich i (D66):

Dat is een belangrijke vraag. Ik ben ook benieuwd naar het antwoord. Maar dit heeft natuurlijk ook te maken met de uitvoerbaarheid. Als zo'n vergunning namelijk na drie jaar is afgelopen, moet er opnieuw beoordeeld worden: gaan we die nog eens verlenen of verlengen? Dat betekent dat hiermee enorm veel werk op de IND afkomt. Hoe kijkt u daarnaar?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Absoluut. Maar dat is nu met vijf jaar ook zo; er zal veel werk op de IND afkomen. Dat klopt, maar we hopen natuurlijk dat door een aantal maatregelen de instroom toch iets meer wordt beperkt, waardoor het aantal herhaalde aanvragen verminderd zal worden. Dat is ons verhaal. Verder kan de minister ongetwijfeld nog reageren op de vraag wat het betekent of iemand voor vijf jaar of voor drie jaar een vergunning krijgt. We kregen hierover ook heel veel mails, bijvoorbeeld van mensen die uit Turkije zijn gevlucht. Een heel pakket van die mensen gaf hele schrijnende situaties aan. Die mensen krijgen bij herhaling een tijdelijke vergunning. We weten dat ze uiteindelijk ook een Europese vergunning kunnen aanvragen voor langdurig ingezetenen. Voor hen is er dus licht aan het eind van de tunnel. Maar misschien kan de minister daar nog wat meer over zeggen, want wij hebben die zorgwekkende geluiden natuurlijk wel gehoord. Het moet duidelijk zijn voor welke mensen een toekomst in Nederland wellicht wél in het verschiet ligt.

Voorzitter. Ik zei het al even: die zorgen over die tijdelijke vergunningen zijn ook zorgen van het COA en van de VNG. Daarbij wordt ook zorg uitgesproken over het vinden van dan passende woonruimte, ook wanneer nareizigers langer moeten wachten. Wij pleiten er daarom voor dat er haast wordt gemaakt met het regelen van passende financiering voor gemengde flexibele woonruimten, de doelgroepflexibele regeling, voor locaties waar ontheemde Oekraïners, asielzoekers en/of statushouders en overige spoedzoekers tezamen kunnen worden ondergebracht. Daarvoor is zo veel meer draagvlak dan voor gewone azc's. In regio's met ernstige woningnood is het nu eenmaal niet goed uit te leggen dat er voortvarend wordt ingezet op opvang van vreemdelingen, terwijl de gemeenschap zelf geconfronteerd wordt met ellenlange wachtlijsten. Maak toch haast met die regeling en werk hierin nauw samen met gemeenten. De woonruimte waarover ik spreek, zal iets duurder zijn dan de sobere asielopvang. Dat het COA die extra kosten niet voor z'n rekening kan nemen, kunnen wij ook begrijpen, maar los dit op. Het voelt eerlijk gezegd niet goed dat gemeenten steeds weer worden aangespoord om met spoed opvang te organiseren, terwijl de financiering voor iets wat echt zoden aan de dijk zou zetten zo lang op zich laat wachten. Dit is dus een lans voor de doelgroepflexibele regeling. Graag rap wat!

Voorzitter. De mogelijkheden tot ongewenstverklaring worden verruimd. Prima. Mensen die zich niet weten te gedragen, verpesten het nu eenmaal voor de rest; dat moge duidelijk zijn. Maar als logische opvang voor deze groep niet meer aangeboden wordt, wordt dan wel met urgentie ingezet op verwijdering of detentie? Daarover lezen we eigenlijk heel weinig. Een paar jaar geleden werd de vreemdelingendetentie afgebouwd. Tilburg werd bijvoorbeeld gesloten. Maar als we echt willen doorpakken, moet daar wel voldoende capaciteit voor voorhanden zijn. De regering neemt onze zorgen over die capaciteitsdruk wel serieus, maar schrijft vervolgens: "De wijze waarop daar" — dan heb ik het over mogelijk 1.200 meer ongewenstverklaringen — "in de uitvoeringspraktijk mee zal worden omgegaan, wordt afgestemd op de beschikbare capaciteit en de mate waarin de maatregelen effectief en proportioneel kunnen worden toegepast." Wij snappen niet wat daar nu staat. Gaat het aantal ongewenstverklaringen worden aangepast aan de capaciteit? Maar de reden dat we ze ongewenst verklaren, is toch dat ze overlast geven of zelfs misdrijven plegen? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Een aantal andere leden heeft er al op gewezen: de regering heeft ervoor gekozen om niet langer partners uit landen waar homoseksualiteit strafbaar is gesteld en/of het homohuwelijk onwettig is, te laten vallen onder de categorieën waarvoor gezinshereniging mogelijk blijft. Een beroep op artikel 8 kan eventueel uitkomst bieden. Dat voelt heel onbevredigend. We kregen wel de bevestiging dat niet langer ambtshalve aan artikel 8 wordt getoetst, maar we vinden dat toch een beetje een halsstarrige houding. De minister heeft geconstateerd dat een aanzienlijk deel van het parlement dit graag anders zou willen zien. We hebben er met de VVD vragen over gesteld, D66 heeft er al op gewezen en ook PRO, of GroenLinks-Partij van de Arbeid — ik moet nog even wennen — heeft moeite met de koerswijziging. Als de IND bij de lopende nareisaanvragen ambtshalve kan toetsen aan artikel 8, kan dat in de toekomst natuurlijk ook wanneer iemand zijn of haar toevlucht heeft genomen tot Nederland vanwege het beleid ten aanzien van lhbti+.

Voorzitter. Dan, het zal u niet verbazen, last but not least: de strafbaarstelling van illegaliteit. Die is nog altijd een graat in onze keel.

De voorzitter:

Daarvoor nog even mevrouw Karimi, voor een interruptie.

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Ja, voordat mevrouw Van Toorenburg naar de strafbaarstelling gaat. Begrijp ik goed uit haar betoog dat zij verder met andere beperkingen die opgelegd worden ten opzichte van gezinshereniging, zeker ten aanzien van subsidiair beschermden, geen problemen heeft?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Inderdaad.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Misschien kunt u dan even met mij meedenken. Hoe kan dat, voor het CDA als gezinspartij, een partij die het welzijn van kinderen belangrijk vindt? Een subsidiair beschermde moet twee jaar extra wachten. Ik heb begrepen dat dat is nadat de status is verlengd. Die moet cumulatief nog aan een aantal andere eisen voldoen. We weten dat dat niet makkelijk is. Dat betekent dus dat ouders, kinderen of partners echt jarenlang van elkaar gescheiden kunnen blijven. Hoe moet ik dat rijmen met de uitgangspunten, principes en beginselen van uw partij?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Een aantal dingen. Ten eerste denk ik dat het minder lang duurt voor mensen die een vluchtelingenstatus hebben gekregen. Dat is al belangrijk. We vinden het heel erg belangrijk dat het wordt beperkt tot het kerngezin. We geven ook aan dat artikel 8 EVRM altijd nog een uitkomst biedt. Ik denk dat dat totale systeem prima werkt.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag was een andere. Mijn vraag was de volgende. Als dit een wet wordt, dus als dit aangenomen wordt, betekent dat voor een grote groep mensen dat gezinshereniging bijna onmogelijk wordt met de gestelde eisen. Ze moeten namelijk twee jaar wachten nadat de procedure afgelopen is. Daarna moeten ze ook nog aan een aantal eisen voldoen. Je moet huisvesting geregeld hebben en voldoende inkomen hebben. We weten dat dat niet makkelijk is. De consequentie van dat alles bij elkaar is dat mensen gewoon jarenlang van elkaar gescheiden kunnen blijven, plus het feit dat de achtergebleven mensen mogelijk echt in conflictgebieden zijn en onveilig zijn. Het verbaast me dus echt dat u daar niet eens woorden aan wijdt, dat dat blijkbaar geen probleem zou zijn voor het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Nee, ik denk dat dat altijd een denkfout is. Het is problematisch voor iedereen die in een hele ingewikkelde situatie verkeert. Alleen, wij hebben een buitenlandbeleid en een OS-beleid waarmee we dat soort dingen moeten oplossen. Dat wil niet per definitie zeggen dat iedereen daarvoor naar Nederland hoeft te komen. Dat is onze lijn. Daarnaast is het ten aanzien van de vluchtelingenstatus anders. Dat is ook terecht, denk ik. Voor de subsidiair beschermden vinden wij het reëel dat dat beperkt wordt tot het kerngezin en dat je in staat moet zijn om je familie te onderhouden voordat je hier mensen naartoe haalt. Ja, dat is onze lijn. Als dat een schrijnende situatie zou betekenen, hebben we artikel 8 EVRM nog.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Karimi.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Ik vind het oprecht heel erg hardvochtig klinken, want het gaat over duizenden mensen. Dat is geen kleine groep. Als we ervan zouden uitgaan dat mensen in oorlogsgebieden allemaal in zo'n situatie zouden zitten, zou dat bijvoorbeeld in het geval van Syriërs echt om duizenden mensen gegaan zijn. Dat er dan zo hardvochtig gezegd wordt "dat kan lang duren, maar dat accepteren we dan", had ik oprecht niet verwacht. Dat is geen vraag, dat is een constatering.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat kan, voorzitter. Wij moeten met elkaar ons heel goed realiseren dat doorgaans uit de meest afschuwelijke gebieden de meest kansrijke mensen de overtocht naar Europa weten te maken. De echte crepeergevallen blijven achter in die landen. Dat zijn mensen waar we ook oog voor moeten hebben, en niet alleen maar om te kijken of we ze naar Nederland kunnen halen; we moeten ervoor zorgen dat we daar de situatie oplossen. Ik vind het altijd een beetje huiliehuilie als er gedaan wordt alsof we alleen maar mensen daadwerkelijk helpen wanneer we ze hierheen hebben overgebracht. Anders zijn we zogenaamd hardvochtig. Nee, ik denk dat dat niet waar is. Ik denk dus dat we de maatregelen hebben getroffen ten aanzien van de erkende vluchtelingen, voor wie wij verdragsmatig ook een verplichting hebben. Voor hen wordt het versoepeld. De anderen zullen moeten wachten tot er iemand in staat is om voor hen te zorgen. Met elkaar moeten we bekijken of we ervoor kunnen zorgen dat het daar waar ze zijn achtergebleven ook houdbaar is. Bovendien worden de meeste mensen die bijvoorbeeld uit Syrië komen, vanuit Turkije naar Nederland gehaald. Dat is overigens een zeer veilig land.

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Ik ken collega Van Toorenburg als een heel empathische collega, wanneer we gesprekken voeren met onder anderen de Kinderombudsman. Dan zie ik haar ook als strijder voor kinderrechten. Wat ik nu hoor, komt niet echt overeen met hoe ik haar gezien heb in de commissie. Ik vraag me dus het volgende af. De gezinsleden van subsidiair beschermde mensen moeten minstens twee jaar wachten voordat ze naar Nederland mogen komen. Hoe verhoudt dat zich dan tot de afspraken die we hebben gemaakt in het VN-Kinderrechtenverdrag?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Nogmaals, die afspraken kunnen we recht doen via artikel 8 EVRM. Verder denk ik dat het reëel is dat mensen die in Nederland zijn en andere mensen, niet zijnde vluchtelingen, hiernaartoe willen halen, ervoor moeten kunnen zorgen dat ze huisvesting bieden. Dat mag overigens ook een doorstroomlocatie zijn. Dat hebben we hier in de Kamer ook met elkaar afgesproken. Dat was volgens mij destijds een verzoek van de heer Griffioen toen we die wetten behandelden. Ik denk dat dat reëel is.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik ben blij dat we die artikelen hebben en dat we daaraan kunnen toetsen, maar wij zouden er toch voor moeten zorgen dat wetgeving die wij hier behandelen al voldoet aan artikel 8 EVRM? Het moet toch niet zo zijn dat we van de mensen, die als deze wet aangenomen zou worden dus overigens niet naar Nederland kunnen komen, verwachten dat ze een bezwaarprocedure gaan starten? Dat is een hele juridische procedure die een aantal jaren duurt voordat er een uitspraak komt. Daarover hoor ik mevrouw Van Toorenburg eigenlijk zeggen: "Die gezinnen aan de andere kant van de wereld en die kinderen daar … Het maakt me helemaal niks uit. Ze wachten maar tot hun juridische procedure is doorlopen, of ze wachten maar totdat de twee jaar wachttijd voorbij is. Dan pas hebben wij hart voor die kinderen. Maar voor die kindertjes die hier in Nederland geboren zijn, met een Nederlandse nationaliteit, ben ik wel bereid om te strijden."

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Of zegt Volt "wij bekommeren ons alleen om de kinderen van wie de ouders de gevaarlijke oversteek hebben gemaakt, en laat de rest maar in die prut achter"? Dat is precies dezelfde redenering. Daar ga ik niet in mee.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Perin.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Tot slot. Wij hebben ons aan het VN-Kinderrechtenverdrag gecommitteerd voor alle kinderen en niet zozeer alleen voor de kindertjes met de Nederlandse nationaliteit. Het is van toepassing op alle kinderen. Daarom is het ook in de Verenigde Naties afgesproken. Ik vind deze houding van mevrouw Van Toorenburg dus zeer teleurstellend.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Nogmaals, ten aanzien van de vluchtelingenstatus gelden deze regels niet. Ten aanzien van de andere mensen die asiel hebben aangevraagd — overigens komt 42% van de mensen die naar Nederland komen via nareis — zeggen we: zorg eerst dat je voor je familie kan zorgen voordat je de mensen naar Nederland haalt. Dat vinden wij een reëel iets. Vervolgens hebben we er nationaal en internationaal met elkaar voor te zorgen dat het ook beter gaat met de mensen die zijn achtergebleven. Want nogmaals, doorgaans zijn het de meest kansrijke mensen die de oversteek weten te maken naar Nederland. De rest blijft daar in grote ellende achter. En we bekommeren ons blijkbaar minder om die mensen, want "als je naar Nederland ziet te komen, dan denken we wel aan je". Ik vind het een irreële voorstelling. Ik denk er gewoon anders over.

Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):

Over die laatste redenering van mevrouw Van Toorenburg heb ik toch wat vragen. Zoals ik het begrijp zegt u: "De mensen die hier komen zijn het meest kansrijk. Er zijn nog heel veel mensen die achterblijven in het gebied waar ze vandaan komen en die hebben het heel slecht." Het feit dat die mensen het zo slecht hebben, gebruikt mevrouw Van Toorenburg eigenlijk vervolgens als argument dat de familieleden van degenen die hier wel zijn gekomen, daar dus ook maar moeten blijven. Ik hoor dat u dat zegt, maar ik kan het niet helemaal snappen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

En ik zeg dat ik het belangrijk vind dat mensen die zijn gevlucht en de vluchtelingenstatus hebben gekregen, eerder hun kerngezin naar Nederland kunnen halen. Van mensen die dat via asiel hebben, mogen we verwachten dat ze eerst zelf in staat zijn om voor hun familie te zorgen, dat ze werk hebben en dat ze bezig zijn met de inburgering. Dat is helemaal geen gekke eis. Verder vind ik dat we via OS en via Buitenlandse Zaken onze best moeten doen voor iedereen die daar achterblijft, niet alleen voor de mensen die toevallig al de gevaarlijke oversteek naar Nederland hebben gemaakt en die doorgaans familie hebben in veilige landen.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Ik begrijp dat u nog een keer zegt wat u zei. Dat maakt het voor mij niet helderder. U zegt dat we de mensen in die gebieden moeten helpen. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar waarom zou dat een reden zijn om te zeggen dat de mensen die uit de gebieden met een beschermde status hier komen, aan heel veel regels moeten voldoen, die het bijna onmogelijk maken om hun familie hierheen te halen? Waarom is het ene een argument voor het andere? Dat begrijp ik echt niet. U brengt het wel zo.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Wat mevrouw Huizinga doet, is het zo brengen alsof het kabinet alleen maar bezig is om het zo moeilijk mogelijk te maken om naar Nederland te komen. Dat herken ik niet. Wat ik wel herken, is dat we met elkaar hebben afgesproken dat we ervoor zorgen dat mensen eerst in staat moeten zijn om voor hun familie te zorgen voordat ze die naar Nederland kunnen halen, indien het geen vluchtelingen zijn. Volgens mij zijn we ons aan het herhalen. Ik denk dat ik al 25 keer hetzelfde heb gezegd.

De voorzitter:

Niet 25 keer, maar het is wel een aantal keren gewisseld. Tot slot, mevrouw Huizinga.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie):

Dan sluit ik af met de constatering, om te voorkomen dat mevrouw Van Toorenburg op een duidelijke vraag steeds geen antwoord geeft, dat blijkbaar het feit dat er zo veel mensen zijn in vervelende gebieden waar mensen uit vluchten, reden voor het CDA is om degenen die hier wél komen het zo moeilijk mogelijk te maken om hun familie hierheen te brengen. Ik had dat niet verwacht van een gezinspartij.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Volgens mij siert het een Eerste Kamerlid niet om een totale redenering van iemand puur te verkrachten, maar gaat u uw goddelijke gang.

Voorzitter. Dan komen we bij de strafbaarstelling illegaliteit, nog altijd een graat in onze keel. Gelukkig is de wet gerepareerd op het punt dat hulpverlening niet strafbaar is. Alleen het plegen is strafbaar. Er staat niet voor niets dat deelneming aan dit misdrijf, anders dan als pleger, niet strafbaar is. Laat ik daar nu net op gepromoveerd zijn. Ik heb daar vrede mee. Maar het blijft een heel akelig politiek vluggertje, dat amendement-Vondeling. Het baart ons nog altijd hele grote zorgen, en niet alleen ons. Bijkans alle uitvoeringsorganisaties, de VNG en velen die er mensenrechtelijk naar kijken, hebben hier moeite mee. Het is zo slecht doordacht. Het nut van een tweekamerstelsel is maar weer eens bewezen.

In de schriftelijke ronde put de minister zich uit in het beargumenteren dat de reikwijdte van de strafbaarstelling rechtens beperkt is tot vreemdelingen die wel kunnen maar niet willen terugkeren en die hun gedwongen vertrek actief en effectief frustreren. Het probleem is: het staat er niet. Het is een gevolgtrekking uit bestaande jurisprudentie, een die duidelijk, zo horen we in deze Kamer, nog altijd geen vrede sticht. De indringende vraag aan deze minister is: kan hij ons van deze redenering overtuigen? D66 zei het ook al: waarom maakt de minister geen pas op de plaats? Niet alle bepalingen van de voorliggende wet dienen op hetzelfde moment van kracht te worden. Er is nog zat werk aan de winkel. Om de voorliggende wet goed uitvoerbaar te maken, moet er nog veel gebeuren.

De aanstonds te behandelen implementatiewet eist ook nog veel van onze uitvoeringsorganisaties. Is het daarom mogelijk te wachten met het invoeren van deze bepaling tot ofwel het systeem zich heeft gezet ofwel ten minste iedereen ervan overtuigd is dat de groep waar deze bepaling betrekking op heeft, echt zeer beperkt is, dat het niet alle ongedocumenteerden treft en zeker niet alle slachtoffers van mensenhandel?

Het OM moet het vervolgingsbeleid ook nog vaststellen. Met de uitbreiding van de ongewenstverklaringen hebben we al veel meer mensen waar we justitieel iets mee moeten. Graag een reactie van de minister. En zorg ten minste voor een behoorlijke invoeringstoets. Dit "vluggertje" — ik blijf het maar zo noemen — vereist echt meer aandacht. Zomaar deze bepaling in werking stellen, terwijl die zo veel onrust veroorzaakt, voelt niet goed. We hebben immers alles en iedereen nodig om voorliggende en nog komende wetgeving netjes geïmplementeerd te krijgen. Wil de minister ons deze invoeringstoets toezeggen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Wat zei u?

De voorzitter:

Een interruptie van meneer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

O, ik dacht dat u "een vluggertje van de heer Dittrich" zei. Sorry.

De voorzitter:

Dat zult u mij niet horen zeggen, meneer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb te intensief geluisterd naar mevrouw Van Toorenburg, sorry.

De voorzitter:

Het is wel zo dat die interrupties kort moeten zijn. Dat is de betekenis van het woord "vlug". De heer Dittrich.

De heer Dittrich (D66):

Ik heb goed geluisterd naar mevrouw Van Toorenburg. Zouden wij misschien samen kunnen optrekken? Ik heb in deze lijn namelijk ook een vraag aan de minister gesteld. Daarbij zou dat artikel als het ware uit de wet geparkeerd worden. We gaan dan de Terugkeerverordening goed bespreken, in de Tweede Kamer en dan in de Eerste Kamer. Bij de aanpassingswet over de Terugkeerverordening kunnen we kijken of er misschien nadere voorwaarden te stellen zijn aan terugkeer van mensen die ongedocumenteerd zijn, bijvoorbeeld met een aantal van de maatregelen die de minister noemt. Dan is er heel veel kou uit de lucht. Dan komt namelijk in de wettekst te staan wat de voorwaarden zijn, zodat mensen weten waar ze aan toe zijn. Zou u daarvoor voelen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik vond het een interessante redenering. Tegelijkertijd zie ik een minister een soort bal achter zich aan slepen waarvan hij eigenlijk niet weet hoelang hij die nog achter zich aan moet trekken. Ik weet niet of dat nou zo wijs is. Ik zou ook wel graag de redenering van de minister willen horen. Ik vind het wel belangrijk dat we meer tijd nemen voor deze bepaling, omdat die heel erg veel onrust geeft.

Ik ben het overigens met de heer Schalk eens dat wat hier in de Kamer is gewisseld wel degelijk deel uitmaakt van de wetsgeschiedenis, en daarmee van de interpretatie van rechters. Ik denk dus dat we een heel eind komen. Maar dit heeft zo veel onrust gegeven dat ik denk dat de minister gebruik moet maken van een slotbepaling van de wet. Daar staat in dat niet alle artikelen op hetzelfde moment hoeven in te gaan. Ik geef de minister dus graag de ruimte om deze implementatie op een zorgvuldige manier te doen als, nogmaals, hij ons ervan overtuigd heeft dat het echt gaat over mensen die terug hadden gekund en die niet meewerken aan vertrek. Het zijn niet de ongedocumenteerden. Het is niet de groep waar de Nationaal Rapporteur Mensenhandel alarm over slaat, maar het gaat alleen over de mensen die goed kunnen terugkeren, maar die niet gaan.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik wou nog heel even teruggaan naar het stuk waarin mevrouw Van Toorenburg sprak over de invoeringstoets. Wil zij een invoeringstoets nadat deze wet eventueel zou worden aangenomen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja. Als een wet niet is ingevoerd kun je geen invoeringstoets doen. Dat is de kern van een invoeringstoets. Anders is het een uitvoeringstoets, en die hadden we al.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik hoorde u namelijk zeggen dat u vond dat dit allemaal vrij vlug behandeld was. Vandaar mijn verwarring. In mijn oren klinkt dat een beetje als een onzorgvuldige behandeling. Als we over een wet gaan stemmen en vervolgens laten toetsen of we die goed aan het invoeren zijn, dan is die wet al wet. Dan kunnen we het hier wel met elkaar gaan hebben over wat de beperkingen in die wet zouden moeten zijn, maar als die beperkingen niet in de wet zijn opgenomen, dan hebben we ons gewoon te verhouden tot de wet zoals daarmee is ingestemd. Zouden we niet juist de stemming moeten aanhouden totdat mevrouw Van Toorenburg alle informatie heeft die zij nog zoekt?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Nee. Mevrouw Perin heeft volgens mij niet meegekregen wat we bij de huisvestingswetgeving hebben gedaan. Daar hebben we iets vergelijkbaars gedaan met een invoeringstoets, omdat we ons veel zorgen maakten over de uitvoering van die wet. We zeiden: loop daar nou continu in mee en kijk meteen hoe deze wet uitpakt, zodat er ingegrepen kan worden als het niet gaat op de manier die wij met elkaar gewild hebben. Dat is een invoeringstoets. Dat hebben we bij de Huisvestingswet ook gedaan.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Perin.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Tot slot. Ik ben blij dat mevrouw Van Toorenburg dit voorbeeld noemt. Maar vervolgens is er niks veranderd aan de woningmarkt. Daar zit dus mijn zorg als we dat gaan doen bij deze wetten. De wet is de wet. Dat zien we ook op de woningmarkt. Het gaat daar helemaal mis. Er gebeurt op die markt van alles wat we onwenselijk vinden. Maar er verandert niks, want een wetgevingstraject duurt heel lang voordat je de resultaten uit de invoeringstoets kan verwerken in nieuwe wetgeving. Tot die tijd zit je met de wet die hier is aangenomen. Ik vind dat ronduit onverstandig.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik begrijp wat mevrouw Perin zegt, maar juist bij de woonwetten die we aan het behandelen zijn, worden allemaal aanpassingen gedaan, omdat uit de invoeringstoets blijkt dat het niet gaat zoals het bedoeld was. Een uitvoeringstoets is dus precies wat we met elkaar moeten willen. Uit zo'n toets blijkt dat er heel veel problemen zijn.

We hebben een aantal vragen aan de minister. We willen dat hij temporiseert en dat hij er in ieder geval voor zorgt dat er vrede wordt gesticht. Daarnaast, als deze wet wordt aangenomen en als de novelle wordt aangenomen, willen we ook nog steeds een invoeringstoets. Het is dus en-en-en.

De voorzitter:

Nog heel kort, mevrouw Perin.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Heel kort. Het is geen overtuigend argument dat mevrouw Van Toorenburg noemt. De woningmarkt is immers nog steeds ellendig. Ondanks dat we alle informatie hebben over wat er moet veranderen in de wet, is de woningmarkt nog steeds ellendig. Dit kunnen we ook toepassen op deze wetten. We stemmen in met de wetten en we komen erachter dat het toch helemaal misgaat. Er zijn allerlei burgerarresten gaande. Mensen worden vervolgd. Mensen waarover we hadden afgesproken dat die niet strafbaar zijn, blijken dat nu wel te zijn. Dan hebben we een leuke invoeringstoets waarin wordt gezegd: minister, u zou hier en hier de wetgeving moeten veranderen. Dat duurt heel lang. Dan zitten we jarenlang in die ongewenste situatie, omdat wij hier de wet al hebben aangenomen.

De voorzitter:

Dit is niet kort.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik snap niet wat mevrouw Perin zegt. Wil ze geen invoeringstoets? Dan doet ze daarin niet mee. Als we deze wet zouden invoeren — u kunt tegenstemmen, maar misschien wordt de wet dan toch ingevoerd — kunnen we altijd nog kijken of er alsnog een invoeringstoets moet komen, om ervoor te zorgen dat er geen ongelukken gebeuren. Je kunt het ook niet doen, maar het lijkt mij verstandig om het wél te doen.

De heer Schalk i (SGP):

Ik kan me voorstellen dat we heel erg benieuwd zijn naar het antwoord van de minister. Wie weet kan ons dat helpen. Maar ik ga nog even terug naar die Terugkeerverordening en het idee om die er weer even uit te halen, daarmee nog even te wachten, enzovoorts. Ik heb vandaag geprobeerd heel duidelijk te maken dat we juist helder hebben dat wat we hier afgesproken hebben, onderdeel is van de wetsgeschiedenis. Op het moment dat we er nu weer een stukje uithalen en dat eerst eens verder gaan bekijken, krijg je misschien juist veel meer onrust. Moeten we zo meteen niet gewoon heel klip-en-klaar van de minister horen: op deze manier gaan we het doen? Dat helpt ons en dat helpt misschien ook om de onrust weg te nemen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Daarvoor vinden wij als CDA de aanloop naar deze wet te veel tekortschieten. Het is gewoon zo'n slordige bedoening! Het is sowieso al extreem irritant dat door afwezigheid van een aantal Kamerleden het amendement is aangenomen. Dan hadden we dat hele gedoe nu niet gehad. Dat is één.

Maar goed, we zitten nu in die foute film. Er lag in eerste instantie een wet waarin ook de hulpverlening strafbaar was. De SGP kwam er daarna achter: help help help, waar hebben we nou voorgestemd? Had dan ook even eerder nagedacht. Maar goed, ook dat is gebeurd. Vervolgens hebben we een wet die we helemaal niet willen hebben. Wij zouden nooit voor zo'n voorstel geweest zijn. Als die strafbaarstelling van illegaliteit individueel naar ons toegekomen was, waren wij er nooit voor geweest. Dat is nooit wat wij wilden. Wat wij wilden, is strafbaarstelling voor het niet meewerken aan vertrek. Dat is iets anders. Dan heb je al die ellende van die ongedocumenteerden er niet bij. Dan heb je al die slachtoffers van mensenhandel er niet bij. Dat was allemaal veel beter geweest.

Maar we staan nu voor de situatie dat deze wet hier voorligt. Vinden wij het zo dramatisch dat we de hele wet willen wegstemmen? Dat is de discussie die we hier voeren. De minister kan ons overtuigen van het feit dat het echt alleen gaat over de strafbaarstelling van mensen die niet meewerken aan terugkeer. Dan nog weten we dat dit geen vrede sticht, dat er wakers zijn en dat mensen in paniek zijn geraakt. Wij geven de minister graag de ruimte die gelukkig door een slimme mevrouw Faber op dit ene minipuntje in de wet is gebracht, namelijk dat niet alle bepalingen op hetzelfde moment hoeven te worden ingevoerd. Minister, grijp die gelegenheid, pak dat moment aan. Voer niet alles tegelijk in.

Bovendien denken we dat het sowieso vrij slim is dat de minister de ruimte krijgt om sommige dingen meteen in te voeren en andere dingen wat later — dat hebben we ook gevraagd in de schriftelijke ronde — om ervoor te zorgen dat de echte omklap komt op 12 juni 2026, als allerlei dingen gaan werken. Doe dan ook de slimme dingen op dat moment. Dat kan. Laat de minister die ruimte nou nemen. D66 voert die iets verder op. Ik ben benieuwd wat de minister daarvan vindt. Wij geven het iets meer aan de teugels aan de minister en ik ben heel benieuwd wat hij daarvan vindt.

De heer Schalk (SGP):

Het is goed dat mevrouw Van Toorenburg nog eventjes de geschiedenis ophaalt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Al mijn frustraties er effe uit!

De heer Schalk (SGP):

Al haar frustraties kwamen op tafel, maar soms moet je ook je vreugdevolle momenten hebben, want de geschiedenis is ook dat we een week geleden hier een motie hebben aanvaard waarin staat dat er voortaan een sneltoets op amendementen moet zijn. Dat zou misschien zomaar kunnen helpen. Ik ben het met mevrouw Van Toorenburg eens dat ik heel graag iets van de minister hoor wanneer het wijs zou zijn om sommige dingen te temporiseren of om er even mee te wachten. Maar als het alleen maar voor meer onrust zou zorgen, moeten we daar ook voor waken. Dus dat zou mijn oproep zijn.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik zat eigenlijk te twijfelen toen de heer Janssen van de SP gewoon enorme onrust maakte. Ik dacht namelijk: je kunt ook eerst iedereen in paniek brengen en daarna zeggen "rustig, rustig". Dat is een beetje zoals ik hem heb begrepen, maar dat was dus niet nodig. Maar laten we wel gewoon laten zien wat er aan de hand is in onze samenleving. Er zijn heel veel mensen bezorgd. De ongedocumenteerden en de mensen die uit landen zijn … Dat is eigenlijk dat hele groepje met heel schrijnende individuele casuïstiek. Daar moeten we ook rust in brengen, zodat er altijd het licht aan het eind van de tunnel is van die Europese "langdurig ingezetenen"-regeling. Ik denk dat de minister gewoon nog wat zendingswerk te verrichten heeft, om toch maar even in kerkelijke termen te spreken.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik denk dat je geen rust creëert door dingen nog verder voor je uit te schuiven. Ik vraag me dan ook af wat mevrouw Van Toorenburg en het CDA nu verwachten van zo'n invoeringstoets. Wanneer kan het dan wel afgerond zijn? Nu lijkt het er toch vooral op dat het het doorschuiven van zaken is, terwijl we juist hebben gezegd dat het allemaal veel te lang duurt met de aanpak van deze wetgeving. Mevrouw Van Toorenburg heeft het de hele tijd over mensen die hun terugkeer, zeg maar, frustreren en die niet meewerken aan hun terugkeer. Het gaat vooral om die groep, want de mensen die echt terug willen, kunnen in de praktijk gewoon altijd terug. Waar hebben we het dan over? Hebben we het over mensen die echt terug willen? Volgens mij is breed bevestigd dat die mensen altijd terug kunnen. We hebben het dus eigenlijk bijna altijd over de mensen die niet meewerken aan hun terugkeer.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Er zijn ook een aantal mensen die niet terug kunnen, Daar hebben we het buitenschuldcriterium voor. Er zijn dus nog wel een aantal bijzondere situaties. Maar wat ergerlijk is, is dat mensen soms alleen terug kunnen keren wanneer ze zelf hun papieren opvragen. Als ze dat niet doen, kunnen ze dus gewoon niet terug. Maar ze kunnen wel prima terug, maar ze frustreren het. Die mensen worden op dit moment beloond en dat is wat ons betreft niet oké.

De heer Van Hattem (PVV):

Dat zou toch juist een reden moeten zijn om de strafbaarstelling van illegaliteit, waar mevrouw Van Toorenburg als Tweede Kamerlid in 2020 ook een groot voorstander van was, in te zetten en om het niet verder uit te stellen en de inwerkingtreding niet voor ons uit te schuiven door te wachten op een invoeringstoets? Waarom daar nog langer mee wachten als je juist deze groepen aan wilt kunnen pakken?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik denk dat de heer Van Hattem toch teleurgesteld in mij is. Ik ben natuurlijk gewoon een strafrechtjurist en ik heb niet gezegd dat ik voorstander ben van het strafbaar stellen van illegaliteit. Ik heb gezegd dat ik voorstander ben van het strafbaar stellen van niet-meewerken aan terugkeer. Het is een nuanceverschil, maar in het strafrecht een cruciaal verschil.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Volgens mij doet deze wet dat juist, want die regelt dat niet-meewerken aan terugkeer strafbaar wordt gesteld. Ik hoor mevrouw Van Toorenburg toch ook nog graag over iets anders. Zij heeft het nu over de invoeringstoets en het later in werking laten treden, maar wanneer wil ze het uiterlijk in werking laten treden? Of moet het weer iets worden wat tot sint-juttemis gaat duren?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat is precies wat ik niet wil. Ik wil niet dat de minister dit eindeloos achter zich aan sleept. Op een bepaald moment moeten we ook weten of het werkt zoals we het met elkaar hebben gewild en of het werkt zoals we hier met elkaar hebben afgesproken. We moeten wachten op het vervolgingsbeleid van het OM en er hoeft dus ook helemaal geen haastklus van gemaakt te worden zoals bij dat gekke amendement-Vondeling. We moeten volgens mij dus gewoon even kijken wat de minister te zeggen heeft en wanneer hij denkt dat hij deze Kamer goed kan bedienen als deze Kamer met mij graag een invoeringstoets wil. Ik hoop natuurlijk dat de minister die gewoon gaat toezeggen en anders moet ik gewoon iets moois gaan opschrijven.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Er is al gewisseld dat een invoeringstoets pas speelt als een wet aanvaard is. Het geknipt in werking treden van wetten is heel standaard. Dat is niet een vondst van voormalig minister Faber, maar staat tegenwoordig gelukkig in veel wetten. We hebben ook evaluatietoetsen. Bij de Wet betaalbare huur zou die standaard na vijf jaar plaatsvinden, maar mijn fractie kon dat met steun van de Kamer versnellen. Wellicht wordt het zelfs één jaar. Mijn vraag is de volgende. Als de invoeringstoets die u wilt, een wens die ik best begrijp, er zou komen, wilt u dan dat de minister een geknipte inwerkingtreding doet door dit punt — wat over een nuanceverschil gaat, want dat zien we dan morgen met de minister wel — aan die invoeringstoets te koppelen, zodat de minister pas als die invoeringstoets er is geweest, eventueel dat onderdeel van de wet in werking laat treden?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat kan niet. Je kan geen invoeringstoets doen op iets wat niet is ingevoerd. Ik wil verschillende dingen. Ik wil de minister ruimte geven om gebruik te maken van die slotbepaling, namelijk om het niet meteen in te voeren, om ervoor te zorgen dat er meer vrede komt en meer rust op dit dossier. Als de minister ons overtuigd heeft, zijn wij gewoon tegen de wet en is er helemaal niets aan de hand. Eerst moeten we overtuigd zijn. Als we overtuigd zijn, vragen we aan de minister om de ruimte te nemen om mensen ervan te overtuigen dat ze niet allemaal in paniek hoeven te schieten. Op dat moment kan hij de wet, als die is aangenomen, invoeren en dan willen we een invoeringstoets om te kijken of het loopt op de manier waarop wij dat met elkaar willen. In die volgorde zijn het die hordetjes.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Bent u tevreden met een toezegging van de minister dat hij het nuanceaspect zo gaat uitleggen dat u daar vrede mee kan hebben, wat tot een beperkte uitleg leidt? Wat wilt u nou bereiken? Dat is mijn vraag. Dat is mij niet duidelijk.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik wil drie dingen bereiken. Ik wil dat de minister de ruimte neemt. Ik wil dat de minister ons eerst overtuigt, dat hij dan de ruimte neemt en dan nog de invoeringstoets doet. Die drie dingen wil ik.

De voorzitter:

Tot slot de heer Van Rooijen.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Concludeer ik dan dat wij het samen belangrijk vinden wat de minister morgen op dit punt gaat antwoorden en dat we aan de hand daarvan een duidelijk standpunt innemen?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat is een retorische vraag, alsof ik het niet vreselijk interessant zou vinden wat deze minister ons allemaal te zeggen heeft.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Dat is uw antwoord.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja.

De heer Dittrich (D66):

In een bijzin zei mevrouw Van Toorenburg: we weten nog niet wat het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie inhoudt. Dat klopt. Dat weten we niet. Dat is raar. Maar mevrouw Van Toorenburg is ook een strafrechtjurist. Daarom ben ik blij dat ik haar deze vraag kan stellen. Is mevrouw Van Toorenburg het met mij eens dat de minister niet echt inhoudelijk gaat over het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie? Het OM is immers praktisch onafhankelijk en stelt zelf zijn vervolgingsbeleid in. De minister heeft een aanwijzingsbevoegdheid, specifiek of algemeen, en het kan zijn dat die aanwijzingsbevoegdheid zelfs nog gaat verdwijnen. Dan is er dus geen directe lijn meer tussen wat de minister wil en wat het vervolgingsbeleid wordt dat het Openbaar Ministerie in gang gaat zetten. Mijn vraag is dan: vindt u ook niet dat dat ons zorgen zou moeten baren?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dan moet ik toch een stapje terug doen. Wij moeten er eerst van overtuigd zijn dat het over die beperkte groep gaat. We kunnen de minister de ruimte geven om ook anderen daarvan te overtuigen en in die tussentijd kan het Openbaar Ministerie zijn vervolgingsbeleid vaststellen. Daar kunnen we dan kennis van nemen; dat kunnen we straks betrekken bij een invoeringstoets. Waar ik mij wel zorgen over maak — daarom is het goed dat de heer Dittrich met zijn kennis van de rechtspraktijk dit element nog even aanhaalt — is dat ik af en toe hier in het debat dingen heb gehoord die ik een beetje bijzonder vind. Het feit dat wij dit erg begrenzen, is wel van belang voor de rechtsspraak. Mensen kunnen dus niet zomaar worden vervolgd wanneer wij aangeven dat alleen een pleger kan worden vervolgd. Ik kreeg een beetje buikpijn toen het beeld werd neergezet dat de politie — gelukkig is hier ook weer iemand aanwezig van de politie — zomaar mensen gaat oppakken, terwijl zij weet dat deze mensen niet strafbaar zijn. Lieve mensen, in zo'n land leven wij niet, godzijdank. Daarom vluchten mensen naar dit land. Wij hebben straks een systeem waarin we weten wanneer je strafbaar bent. Daar hebben wij hier in de Kamer uitvoerig over gesproken. De Hoge Raad heeft ons gezegd dat wat wij hier zeggen deel uitmaakt van de wetsgeschiedenis en daarmee van de uitleg van de wet. Er zal dus niemand, maar dan ook niemand kunnen worden vervolgd voor medeplichtigheid aan deze bepaling, omdat we dat met elkaar hebben afgesproken in deze parlementaire behandeling van de wet. Zo werkt de wet en dat weet de heer Dittrich ook.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik ben het helemaal eens met mevrouw Van Toorenburg: in zo'n land leven wij niet.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Toch nog.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Maar we hebben toch net, een paar maanden of een jaar geleden, een minister gehad die zei: ik ben beleid; ik teken niet voor lintjes. Die hebben we gehad. We kunnen dus heel snel in zo'n landje belanden. Dat willen we niet. Dat is de reden waarom de wet en de wettekst echt heel helder moeten zijn en geen ruimte moeten laten voor interpretatie door wie dan ook. Is mevrouw Van Toorenburg dat met mij eens?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Nee, nee, mevrouw Karimi maakt een karikatuur van onze rechtsstaat. Wanneer wij met elkaar hebben besloten hoe een wet eruit moet zien, wij over de wet gestemd hebben, de minister heeft aangegeven tot waar het wordt beperkt en wij dat met elkaar zo gevonden hebben, kan het niet zo zijn dat de rechter denkt: o ja, ik ga toch maar iemand veroordelen na een vervolging voor iets waarvan de Eerste Kamer heeft aangeven dat het niet strafbaar is. Hoe denkt u dat een rechter vervolgens wordt afgestraft bij de Hoge Raad? We hebben een rechtsstaat, mevrouw Karimi, en daar bent u ook naartoe gekomen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb het niet over de rechter. Ik had het net over een minister.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Die legt geen straffen op.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Er was een minister die bepaalde en die zei: ik ben beleid en ik teken niet wat ik moet tekenen, want dat bevalt me niet, omdat het niet is zoals ik geloof dat het moet zijn; ik zet er mijn handtekening niet onder. We hadden een kabinet dat zei: oké, jij doet het niet, dan doe ik dat als minister-president. Ik heb het over die ex-minister, voormalig minister, mevrouw Faber van de PVV. Daar heb ik het dus over. Ik heb het over een situatie die absoluut heel erg zorgwekkend was. Wij willen heel graag wetten hebben die door deze Kamer gaan. U zegt zelf heel vaak: we moeten geen Tweede Kamer spelen. Dus alstublieft, speelt u dan goed Eerste Kamer. Zorg voor goede wetgeving, rechtmatigheid en uitvoerbaarheid. Dat zijn de criteria waarop we moeten letten. Dus om dan te zeggen "wees maar gerust, want als we hier een toelichting hebben gegeven, komt het goed, ook al staat het niet in de wet", is niet oké.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

We kunnen een minister die roept "ik ben beleid", die overigens vrij rap vertrokken was, niet vergelijken met de manier waarop we in Nederland mensen vervolgen en veroordelen op basis van wat er in een strafwet staat en wat de bedoeling was. Er zijn zoveel bepalingen waarin gaandeweg in jurisprudentie of in uitleg iets strafbaar of niet strafbaar is geworden. Dat gebeurt heel vaak. Dat heeft helemaal niets te maken met een minister die zegt: ik ben beleid. Het gaat er ons om dat de minister ons kan overtuigen van het feit dat het alleen maar gaat over mensen die niet zijn teruggekeerd terwijl ze terug konden, omdat we het Unierecht hebben dat heeft bepaald dat we er eerst voor moeten zorgen dat mensen daadwerkelijk kunnen terugkeren en we pas daarna andere maatregelen kunnen nemen. Maar laat de minister dat hele stelsel nou eens goed aan ons uitleggen. Alleen dan kunnen we vrede hebben met de wet zoals die nu voorligt.

De voorzitter:

Ik ga straks het woord geven aan de heer Nicolaï voor een interruptie. Ik wil u vragen om daarna uw betoog af te maken, ook in verband met de tijd.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik ben helemaal klaar, voorzitter.

De voorzitter:

U was al klaar. Dat is mooi, maar de heer Nicolaï heeft nog een interruptie.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ben het eens met diverse senatoren en ook met mevrouw Van Toorenburg dat als we hier dingen bespreken over een bepaalde reikwijdte van een wettelijke bepaling — zo zal ik het maar zeggen — dat niet onopgemerkt blijft, ook niet bij de toepassing van de rechtspraak. We hebben het over artikel 108a, maar we hebben het niet over bepalingen als artikel 140 of 131 van het Wetboek van Strafrecht. Dat kent u ook.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Heel goed. Daar ben ik op gepromoveerd.

De heer Nicolaï (PvdD):

Precies. Nou zijn er kerkelijke organisaties die vandaag nog petities hebben aangeboden en waarvan we een open brief gehad hebben. Die zeggen: wij zijn er niet zo zeker van dat wij gevrijwaard blijven van vervelend gedoe over het strafrechtelijk bezig zijn. Dan leg ik toch de volgende vraag aan mevrouw Van Toorenburg voor. Als je nou een kerkelijke organisatie hebt die mensen oproept en zegt "meld je, we gaan zorgen dat we onderduikadressen voor je krijgen, zodat je in Nederland kan blijven", dan is het toch ontegenzeggelijk zo dat artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht in het geding komt of artikel 131 over opruiing? Daar hebben we het nu niet over, maar het is wel zo dat topjuristen, zoals meneer Buruma, daarop wijzen. U als strafrechtjurist en ik als jurist begrijpen waar hij het over heeft.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Nicolaï (PvdD):

Hoe ziet u dat dan?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Drie dingen. Daarbij krijg ik waarschijnlijk de volle laag over één ding dat ik zeg, maar die krijg ik dan maar. De heer Buruma, schrijver van het verkiezingsprogramma van Partij van de Arbeid-GroenLinks, toen nog Partij van de Arbeid, heeft ook een mening. Hij heeft een hele goede mening. Een knappe vent. Ik heb er heel veel respect voor, maar het is een gekleurde mening. Dat is één. Ik ben het niet met hem eens.

Twee. Stel dat alle kerken zouden gaan oproepen "mensen die niet kunnen verblijven in Nederland, wij gaan voortaan voor jullie allen onderduikadressen regelen"; ik zou er wel heel erg veel moeite mee hebben als een kerk dat zou flikken, in alle eerlijkheid. Het moet niet gekker worden in dit land. We hebben ook een rechtsstaat. Ook een kerk heeft zich aan de rechtsstaat te houden. De serieuze zorgen, zoals ik ze heb gehoord van de kerk, van de bisschop en van iedereen, is dat zij bang zijn dat zij misschien toch hebben geholpen. Dat is wat anders dan onderduiken. Dit is gewoon hulp hebben geleverd, zoals ze dat wel vaker doen. Ze waren heel erg bang dat ze toch strafbaar zouden zijn. Daarom is in deze bepaling niet voor niets opgenomen — we hebben ook meegedacht om ervoor te zorgen dat die bepaling op deze manier is opgeschreven — dat deelneming aan dit misdrijf anders dan als pleger niet strafbaar is. Dat betekent dus ook dat artikel 140 en in dit geval eigenlijk artikel 141 niet van toepassing zijn. Dat staat ook in de stukken. Dat ondersteun ik ook, want dan pleeg je dat niet.

Bovendien is met artikel 140 iets bijzonders aan de hand: dat heeft ook nog het vereiste van het dubbele oogmerk. Dat is het dubbele oogmerk dat je niet alleen beoogt een misdrijf te plegen, maar dat je het ook nog daarop gericht hebt dat je in die zin aan het helpen bent. Daar is geen sprake van. Dus ik denk dat we niet de kerken bang moeten maken dat ze ineens worden veroordeeld en vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie wanneer ze mensen gaan helpen. In deze novelle is het plegen zelf heel duidelijk strafbaar gesteld. Dat is er expliciet in gezet. Had er alleen gestaan "deelneming is niet strafbaar", dan had ik het nog een beetje wobbly gevonden. Maar nu staat er dat je alleen als pleger strafbaar bent, dus laten we de kerken en iedereen eromheen niet bang maken.

De voorzitter:

Meneer Nicolaï, wij hebben heel veel over dit onderwerp gesproken. Ik zou eigenlijk willen voorstellen om dit morgen, wanneer we in debat gaan met de minister, verder uit te benen. Ik wil voor één minuut schorsen voor een voorzitterswissel.

De vergadering wordt van 22.24 uur tot 22.30 uur geschorst.

Voorzitter: Koffeman


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Als u allemaal uw plaatsen weer wilt innemen, gaan we verder. Het woord is aan mevrouw Kaljouw.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Kaljouw i (VVD):

Voorzitter. We behandelen vandaag drie wetten: de Asielnoodmaatregelenwet, de novelle strafbaarstelling illegaal verblijf en de Wet uitvoering tweestatusstelsel. Dat doen we in het licht van de uitvoeringswet van het Europese Migratiepact, dat op 12 juni van dit jaar van start gaat in alle lidstaten. Mijn fractie is wat betreft deze wetgeving niet over één nacht ijs gegaan. We hebben Ter Apel bezocht. We hebben de IND en het COA uitgebreid en meerdere keren gesproken. We zijn in Biddinghuizen, Budel en Stadskanaal geweest. We zagen daar mensen die dag in, dag uit werken aan een goede en eerlijke asielprocedure. Maar hoe hard die mensen ook werken, het lukt niet om de instroom onder controle te krijgen en de processen te versnellen. Dat is niet eerlijk. Dat is niet alleen niet eerlijk tegenover de mensen die asiel aanvragen, maar ook niet eerlijk tegenover alle mensen die onder andere bij het COA en de IND werken. Dat geeft aan waarom goede en tijdige invoering van nationale wetgeving in combinatie met het Migratiepact nodig is. Wij zijn liberalen in hart en nieren, maar we hebben ook een sociaal hart. Wat je zelf kunt, doe je zelf en daar neem je ook verantwoordelijkheid voor. Mensen die het niet kunnen, helpen we.

Dan heb ik een ander punt. Het asieldebat is een debat dat al lang in ons land wordt gevoerd. Het is een debat dat vraagt om oplossingen. Vandaag en morgen hebben we de kans om deze oplossingen te bieden. We zien ook dat de toon van het debat steeds meer aan het verharden is, maar we hebben het nog steeds over mensen. Aan de ene kant hebben we mensen die asiel aanvragen. Daar passen woorden als "werkvoorraad" niet bij. Aan de andere kant hebben we mensen die zich zorgen maken over de asielinstroom in ons land. Dat zijn niet allemaal racisten of extremisten. Dat zijn mensen die zich zorgen maken. Dat zijn mensen die bang zijn. We moeten het asieldebat met respect voeren. We moeten respect hebben voor mensen die vluchten, maar ook respect hebben voor mensen die zich zorgen maken.

Ik wil beginnen met de Asielnoodmaatregelenwet. Zoals ik eerder zei, wordt op 12 juni van dit jaar de uitvoeringswet voor het Europese Migratiepact van kracht. De VVD-fractie is blij met die wetgeving. Er ontstaat een beter functionerend systeem, de buitengrenzen worden versterkt, de procedures worden effectiever en als iedere lidstaat zich aan de afspraak houdt, zoals bijvoorbeeld Griekenland nu, ontstaat er meer solidariteit. Maar met alleen Europese maatregelen komen we er niet. We hebben ook nationale maatregelen nodig. Die nationale maatregelen zijn gevat in de Asielnoodmaatregelenwet. Mijn fractie zal hiermee instemmen, al zal ik wel dieper ingaan op de strafbaarstelling van illegaal verblijf. Ik vervolg mijn betoog dus met de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf.

Die novelle is op 18 december 2025 aangenomen. De betekenis hiervan …

De heer Dittrich i (D66):

Voordat mevrouw Kaljouw daarover begint, heb ik toch de volgende vraag. De IND heeft aan ons gevraagd om alles gelijktijdig op 12 juni in te voeren als de wetten aangenomen worden, en niet de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel een paar weken voor 12 juni in te voeren. Wat vindt u van de gedachte van de IND om dat te doen?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Stelt u daarmee de vraag wat mijn fractie ervan vindt om de nationale wetgeving eerder in te voeren dan het Migratiepact? Is dat wat u zegt? Of is het juist andersom?

De heer Dittrich (D66):

Ik herhaal wat de IND ons zegt: alles gelijktijdig. De IND zegt ons: voer niet eerst zes weken voordat de wetten van 12 juni van kracht worden de nationale wetgeving in, en dan opeens dat pact. Nee, de IND zegt: wij kunnen het allemaal niet aan qua uitvoering, dus voer alles in één keer in als die wetgeving wordt aangenomen.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik laat de beantwoording van die vraag graag aan de minister. Mijn fractie is ontzettend blij dat we die wetten nu eindelijk behandelen en dat we eindelijk tot besluitvorming kunnen overgaan, want het heeft allemaal al veel te lang geduurd in de ogen van mijn fractie.

De heer Dittrich (D66):

Dat begrijp ik wel, maar ik wil zo graag weten wat de VVD ervan vindt dat de uitvoeringsinstantie die de wet moet gaan uitvoeren zegt: "Doe het niet; niet eerst die nationale wetgeving en dan het pact. Nee, doe het alsjeblieft gelijktijdig." U zegt dat u wilt weten wat de minister daarvan vindt, maar dit is allemaal al in de schriftelijke voorbereiding gewisseld en we hebben een hoorzitting gehad; daar was u zelf bij. Ik zou dus graag willen weten wat de VVD vindt.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik kijk er nu als volgt tegen aan. Het is nu medio april. Op de 21ste gaan we stemmen en dan is het al bijna mei. Dan zijn we zes weken verwijderd van 12 juni. Ik kan op dit moment niet goed beoordelen of we die invoering dan per direct gaan vormgeven of dat het op elkaar afgestemd wordt. Nogmaals, ik volg daarin de antwoorden van de minister.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik vervolg mijn betoog over de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf, die is aangenomen op 18 december 2025. De betekenis hiervan is dat illegaal verblijf strafbaar wordt gesteld, maar de hulp eraan niet. Tevens is de beoogde strafbaarstelling bedoeld voor uitgeprocedeerde asielzoekers, met of zonder strafblad, die terug moeten naar het land van herkomst.

Voorzitter. In de samenleving leeft de zorg dat deze nieuwe wetten slachtoffers van mensenhandel en gedwongen prostitutie en dakloze mensen in de problemen brengen. In een eerdere behandeling is hier door de voorganger van deze minister ook al iets over gezegd, maar wat mijn fractie betreft is het belangrijk om dat nog een keer te doen, om deze zorg weg te nemen en om mensen gerust te stellen door duidelijk te maken wat deze wetten nou wel betekenen en wat niet.

De reden waarom mijn fractie dit graag wil, is de volgende. Veel instanties en betrokkenen zijn erg bezorgd over deze strafbaarstelling, en mijn fractie deelt die zorgen met hen. Ik zou ze tekortdoen als ik hier als volksvertegenwoordiger niet dieper op in zou gaan. Deze zorgen worden breed gevoeld, bij uitvoeringsorganisaties, bij kerkelijke gemeenschappen, bij de politie, bij mensenrechtenorganisaties, bij gemeenten, bij het Rode Kruis, bij straatartsen en bij straatverpleegkundigen. Recentelijk kreeg ik een brief, net als u allen, denk ik, van de bisschop van Den Bosch namens de katholieke kerken in Nederland. En vanmiddag werd er een petitie aangeboden namens alle kerken in Nederland. Al die zorgen zijn met name gericht op de kwetsbaren in onze samenleving. Ik zei het al eerder: het gaat over slachtoffers van mensenhandel en gedwongen prostitutie of over ongedocumenteerde dakloze mensen wier papieren zijn kwijtgeraakt of zijn afgepakt. Speciaal voor hen wil ik de minister vragen om hier nog één keer op in te gaan en om de zorgen van instanties en betrokkenen weg te nemen.

Voorzitter. Dan nu de Wet invoering tweestatusstelsel. Het gaat daarbij om het onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden. Dat onderscheid bestond al. Het vloeit voort uit het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn.

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Ik ga nog even terug naar het stukje over de strafbaarstelling. Mevrouw Kaljouw zegt dat zij heel veel zorgen deelt, maar een zorg die ik heb, en die ik ook hoor van de mensen die nu al ongedocumenteerd zijn, is dat zij straks uitgebuit worden. Alleen al het gegeven dat deze wet zo meteen is aangenomen, kan door huisbazen en mensenhandelaren gebruikt worden om ongedocumenteerde mensen uit te buiten en mensenhandel nog meer te versterken. We doen de mensenhandelaren dus eigenlijk een plezier door deze wet aan te nemen. Hoe kijkt de VVD daarnaar?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik moet er niet aan denken dat mevrouw Perin-Gopie hier gelijk in heeft. Ik denk dat ook niet, en ik hoop het ook niet. Ik ben er zelfs van overtuigd dat we de wetgeving gewoon kunnen aannemen als wij mensen duidelijk maken dat de angst die ze nu hebben, waarnaar ik geluisterd heb en die ik serieus neem, ongegrond is, en we ze informatie kunnen geven over wat wel en wat niet van toepassing is in deze wetgeving.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Het zit 'm juist bij de mensenhandelaren. Er zijn al heel veel mensen in Nederland die ongedocumenteerd zijn. Daar kunnen we van vinden wat we willen, maar die zijn er nu eenmaal. Die zijn onderdeel van onze samenleving. Ze hebben ook vaak kinderen gekregen, die ongedocumenteerd geboren zijn. Die kinderen leven hier en gaan hier op dit moment naar school. Maar het zijn juist die ankers die deze mensen hebben, om een woning te hebben, om werk te hebben ... Nou ja, er zit een grens tussen of dit nog helemaal legaal gaat of niet. En daar zit, als wij hier die wet aannemen, juist ook een kans voor mensenhandelaren om deze mensen, die ongedocumenteerd zijn, te onderdrukken en verder uit te buiten. Ziet de VVD dat ook?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Nee, ik zie dat echt anders. Laat ik duidelijk zijn: mensenhandel is absoluut strafbaar. Dat is het al en dat zal het ook blijven. De groep mensen waar u het nu over heeft, waarvan ik weet dat ze bang zijn en zich zorgen maken ... Het is nou precies de bedoeling dat dat niet nodig is en dat we ze gaan helpen. Daar staat de VVD voor, net zo goed als u.

De voorzitter:

Mevrouw Perin-Gopie, kort en tot slot.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ja, tot slot. Ik zou willen dat de woorden van mevrouw Kaljouw me hadden gerustgesteld, maar ik denk dat mensenhandelaren er toch echt heel veel profijt van gaan hebben als deze wetgeving wordt aangenomen.

De heer Dittrich (D66):

Een vraag aan mevrouw Kaljouw over de Terugkeerverordening, die we hier gaan bespreken als ze door de Tweede Kamer met de invoeringswet is aangenomen. In die debatten kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan terugkeer, voorwaarden die de minister misschien nu hier in de schriftelijke voorrondes al naar voren heeft gebracht. Dan kan het dus helemaal toegespitst worden op een kleine doelgroep, terwijl de wettekst nu heel generiek en breed is. Zou de VVD het met D66 eens kunnen zijn dat het handig is om dat artikel dan niet in werking te laten treden, de wet dus gefaseerd in werking te doen treden, ondertussen de Terugkeerverordening te behandelen en dan in één keer, op een goede manier, een regeling te treffen voor die hele beperkte groep ongedocumenteerden die hun eigen terugkeer frustreren? Zou dat een mogelijkheid zijn om uit deze impasse te komen? Wat vindt de VVD daarvan?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik voel dit niet direct als een impasse. De terugkeerregeling wordt vandaag en morgen niet behandeld; die komt later. Ik ben natuurlijk bereid om met mijn fractie van gedachten te wisselen over het voorstel dat de heer Dittrich doet, maar kan daarover op dit moment geen enkele toezegging doen.

De heer Schalk i (SGP):

Nog even terug naar die aanbieding van de petitie door de kerken. Mevrouw Kaljouw zei dat alle kerken van Nederland daaraan meededen. Die was van 15 à 17 kerken, en er zijn 111 of zo kerkgemeenschappen in Nederland, dus ze waren het in ieder geval niet allemaal.

Maar mijn vraag gaat eigenlijk over het volgende. Ik snap dat mevrouw Kaljouw ook aan de minister vraagt om dat nog even duidelijk te maken. Maar hoe staat de VVD daar nu in? Is het voor u al wel duidelijk dat die novelle klip-en-klaar duidelijk maakt dat het eigenlijk echt alleen gaat over de pleger en niet over de hulpverlener? Dus kan ook mevrouw Kaljouw die zorgen proberen weg te halen bij al die mensen die denken "misschien worden die hulpverleners toch nog wel in de problemen gebracht"?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Als het gaat om de pleger en de hulp aan illegaliteit, dan is die novelle wat mij betreft volstrekt helder. Maar in het brede begrip ... En daarom begin ik erover. Als ik hier al die zorgen weg zou kunnen nemen, dan hoefden we dit debat helemaal niet te voeren en hoefden we morgen niet terug te komen. Ik kan dat dus helemaal niet. Ik kan alleen maar aan de minister vragen: zou u nog een keer uw licht willen laten schijnen op die kwetsbare groep waar iedereen zich zo vreselijk veel zorgen over maakt, niet alleen in deze Kamer, maar ook buiten deze Kamer? Het is indrukwekkend om te zien hoeveel mensen er komen opdagen bij de aanbieding van een petitie of in de kerk zitten om daar een wake te houden. Dus ja, ik neem dat heel serieus en wil ook echt heel graag dat de minister daar nog een keer aandacht aan gaat geven. Ik vertrouw er ook helemaal op dat hij dat doet.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik was gebleven bij de invoering van het tweestatusstelsel. Hier gaat het specifiek om de regels omtrent nareizen, met als doel dat nareizen te beperken. De regels worden voor beide groepen aangescherpt. Er wordt verschil tussen beide groepen gemaakt. Voor subsidiair beschermden wordt het wat moeilijker; die moeten twee jaar wachten. We hebben daar voldoende over gehoord en gezegd. Ze moeten over voldoende bestaansmiddelen beschikken en over zelfstandige huisvesting. Dat zijn lastige keuzes; ik besef dat heel goed. Het zijn ook pijnlijke keuzes. Dat beseft mijn fractie ook heel goed. Ik ga het dus ook niet mooipraten. Ik begrijp het helemaal, maar toch moeten we keuzes maken. Niets doen is in de ogen van mijn fractie geen optie. Ik heb wel een vraag aan de minister. Deskundigen wijzen ons erop dat dat onderscheid tot een grote toename van juridische procedures zou kunnen leiden, bijvoorbeeld van iemand die een A-status heeft en liever een B-status wil of andersom. De vraag aan de minister is of hij die zorg deelt. En wat zou hij kunnen doen om die zorg weg te nemen?

Tot slot. Zowel Europese wetgeving als nationale wetgeving beoogt snellere procedures en beperking van de instroom. Welke stappen overweegt de minister in het kader van die versnelde procedures in ons eigen land om deze versnelling op korte termijn te bewerkstelligen?

Voorzitter, ik ben hiermee aan het einde van mijn bijdrage gekomen. Ik begon mijn bijdrage met een oproep om het debat met respect te voeren. Ik wil eindigen met het volgende. Problemen met asiel bepalen al te lang het politieke en maatschappelijke debat. We hebben vandaag met elkaar de verantwoordelijkheid om een antwoord te formuleren op die problemen. Dat zijn we verplicht aan de mensen die hier lang moeten wachten in de asielprocedure, maar ook aan de mensen die iedere dag werken voor de mensen die zich zorgen maken over de instroom in ons land.

Mijn fractie wacht de beantwoording van de minister met belangstelling af, maar niet voordat ik nog een paar vragen ga beantwoorden, vrees ik.

De voorzitter:

Enkele interrupties, deze keer van de heer Van der Goot.

De heer Van der Goot i (OPNL):

Veel dank voor uw betrokken samenvatting van wat er allemaal speelt. Dank ook dat u kijkt naar het antwoord van de minister. Maar ik heb toch een vraag. Vorige week, tijdens het debat over de regeringsverklaring, legde de VVD-fractie, mijns inziens terecht, nog eens de nadruk op het belang van rolneming door de Eerste Kamer. Deelt mevrouw Kaljouw de opvatting dat de senaat de speciale taak heeft om wetgeving te toetsen op rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid, zelfs ook als het om deze wetten gaat?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Jazeker.

De heer Van der Goot (OPNL):

Kunt u dat nader toelichten? Ik heb daar namelijk nog niets van gemerkt.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

U noemt net, zeg ik via de voorzitter, de taken en de rollen van de Eerste Kamer op. Die onderschrijf ik.

De heer Van der Goot (OPNL):

Dat is mooi, maar hoe ziet dat er dan in dit geval uit?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

In de ogen van mijn fractie voeren we dit uit.

De heer Van der Goot (OPNL):

Ik zag alleen maar vragen aan de minister, maar geen oordeel van de fractie.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Nou, we zijn aan de eerste termijn bezig van dit debat, zeg ik via de voorzitter. De beantwoording van de minister wachten we af. Morgen volgt er waarschijnlijk nog een tweede termijn. Dan volgt er, althans zo gaat het bij ons, een overleg met de fractie. Daarna krijgt u te horen wat de fractie ervan vindt, denkt en wat we gaan doen.

De heer Van der Goot (OPNL):

Dan kijk ik met belangstelling uit naar de tweede termijn. Dank u wel.

Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):

Het was inderdaad een heel beknopte bijdrage van de VVD-fractie, waarvoor dank.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik heb nog zeven minuten!

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Heel goed.

Mevrouw Kaljouw deed een oproep om het debat ook met respect te voeren. U betoogde ook over uw betrokkenheid met mensen. Ik kom tot mijn vraag. We hadden een deskundigenbijeenkomst, waarbij wij toevallig ook naast elkaar zaten. U stelde toen een vraag. Ik heb die vraag meegenomen. Die wil ik aan u voorhouden: wat denkt u daar nu eigenlijk over, nadat u een paar maanden de tijd heeft gehad en al die inbrengen, al die informatie en al die brieven heeft gezien? In uw bijdrage zei u: "Wij hebben vandaag de hele ochtend deze deskundigenbijeenkomst. We noemen deze niet voor niets deskundig. U bent allemaal zorgvuldig gekozen op basis van uw deskundigheid en kennis. Als ik dan het net ophaal, dan heb ik, een beetje kort door de bocht, eigenlijk weinig draagvlak gehoord en gevoeld voor deze twee asielwetten, nauwelijks eigenlijk." Dat is nog steeds het geval. Er is geen draagvlak voor deze twee asielwetten. Wat doet dat met het oordeel van de VVD?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

In mijn fractie is er inmiddels wel draagvlak voor deze twee of drie asielwetten. Dat komt omdat wij vinden dat er eindelijk iets gedaan moet worden. Niets doen is geen optie meer. Om het nog iets anders te formuleren: de geest is uit de fles en je krijgt 'm er niet meer in.

Dan het tweede punt. Wat u voorleest, is namelijk letterlijk de tekst die gezegd is. Daar sta ik ook voor. Dat vond ik toen ook. Dat heb ik toen ook gezegd, maar er is wel wat gebeurd in de tussentijd. In de tussentijd zijn er verkiezingen geweest. Nu zit er een heel nieuwe minister. We hebben een aantal vragen gesteld, en ik niet alleen, maar ook de collega's. Daarop volgt morgen de beantwoording. Ik heb er alle vertrouwen in dat het draagvlak voor deze asielwetten daarmee toeneemt. Ik ga er niet geheimzinnig over doen: mijn fractie is echt voornemens om voor deze wetten te gaan stemmen, maar niet eerder dan dat we morgen de beantwoording van de minister hebben gehoord en daarop zijn teruggekomen in de tweede termijn.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Kaljouw zegt een aantal dingen. Het eerste is dat er in de fractie draagvlak voor is. Prima. Alleen, de vraag is de volgende. Toen was bijna iedereen aanwezig: de uitvoerende organisaties, de IND, het COA, het College voor de Rechten van de Mens. Die waren allemaal aanwezig. U heeft iedereen gehoord en toen heeft u geconstateerd: eigenlijk is er hier geen draagvlak onder al die deskundigen, al die aanwezigen, voor deze twee asielwetten. Dat is tot op de dag van vandaag niet veranderd, gezien alle recente brieven die wij ontvangen hebben. Iedereen heeft ons nog een keer laten weten: doe dat niet, doe dit niet. Heeft dat geen enkele invloed op de VVD-fractie?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

U grijpt steeds terug in de tijd. U moet niet vergeten dat er in de afgelopen maanden nog wel meer gebeurd is en dat er veranderingen hebben plaatsgevonden. De rode draad bij die deskundigenbijeenkomst was de grote angst voor strafbaarstelling voor hulp bij illegaliteit. Dat is niet meer. Dat is met de novelle gewijzigd, dus de hulp bij illegaliteit is niet strafbaar. Dan doen we er nog een schepje bovenop en zeggen we: dan gaat het ook nog om die kwetsbare groep mensen, waar wij ons grote zorgen over maken. Dat is ook echt zo. Ik heb inmiddels het vertrouwen, en mijn fractie heeft dat ook, dat daar zorgvuldig mee zal worden omgegaan en dat die mensen niet van het schoolplein gesleept gaan worden om ergens opgesloten te worden, net als in Amerika. Dat gebeurt hier in dit land niet. Daar wil ik op vertrouwen. Dus ja, er is steun in mijn fractie voor deze wetgeving. Ik ben ervan overtuigd dat de stappen die straks gezet gaan worden, bij gaan dragen tot a het verminderen van de instroom — dat gaat misschien wat langer duren; niet alles is haarlemmerolie — en b het verbeteren van het proces in de hele asielketen.

De voorzitter:

Mevrouw Karimi, ik zou voorstellen om het kort te houden en niet de deskundigenbijeenkomst nog eens over te doen.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Nee, ik wil alleen duidelijk maken dat het niet alleen om strafbaarstelling ging. Het ging over al de problemen die uitvoeringsorganisaties zullen hebben, bijvoorbeeld met de twee statussen, alle regels die voor nareizen gaan gelden en de beperking van permanente verblijfsvergunningen of het niet verlenen van permanente verblijfsvergunningen. Dat was dus veel breder dan alleen de strafbaarstelling van illegaliteit. Inmiddels is er niks veranderd in de houding van die andere partners, niks.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Maar er is wel wat veranderd in de houding van mijn fractie.

Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):

Ik was nog niet klaar. Inderdaad, er is iets veranderd in de houding van uw fractie. Die is 180 graden gedraaid. Mijn vraag is, ook gezien de eerdere vraag van collega Van der Goot: waarom eigenlijk, op basis waarvan? Aan rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid heeft u geen enkel woord gewijd. Op basis waarvan is de houding van uw fractie gewijzigd? Dan kunnen wij hier ook gewoon zeggen: misschien wijzigt ook onze houding. Geeft u maar antwoord.

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik heb deze vraag volgens mij allang beantwoord. Dat is niet alleen voortschrijdend inzicht. Ik heb niet alleen mensen tijdens die deskundigenbijeenkomst gehoord. We zijn overal geweest en we hebben met iedereen gesproken. Ik erken ook echt wel een paar complicerende factoren. Ik snap echt wel dat er misschien wat meer procedures komen als je een tweestatusstelsel invoert. Maar ik heb er ook vertrouwen in dat, als er meer procedures komen, de middelen en de mensen die daarvoor nodig zijn door deze minister worden gegarandeerd.

De heer Dittrich (D66):

Een jaar of twee geleden hebben we hier in deze plenaire zaal een asieldebat gehad. Toen werd al bekend dat bij de nareis een beperkende voorwaarde zou worden gesteld. Alleen mensen die getrouwd waren in hun land van herkomst, zouden dan als kerngezinlid nareis kunnen krijgen, en anderen werd het veel moeilijker gemaakt. Toen heb ik aan u gevraagd — u stond daar toen ook — of u het met D66 eens was dat dat discriminerend zou kunnen uitpakken naar mensen die niet in hun land van herkomst kunnen trouwen, bijvoorbeeld voor christenen die een gemengd huwelijk willen aangaan of voor homo's en lesbiennes. Toen hebt u gezegd: ja, wij willen eraan werken om dat tegen te gaan. Nou heb ik in dit debat het voorstel gedaan dat de IND een werkinstructie moet krijgen dat in zo'n procedure min of meer automatisch artikel 8 gevolgd moet worden, dat die mensen die dus niet kunnen trouwen omdat dat in het land van herkomst niet mag, op een soepele manier de nareis kunnen krijgen die de anderen, de heteroseksuele paren, krijgen. Mijn vraag is: bent u het daarmee eens, en wilt u ons steunen als we met een motie zouden komen als de minister dit niet toezegt?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik heb het in ieder geval al eerder aan u toegezegd en ik doe dat nog een keer: ik zal dat zeker serieus met mijn fractie gaan bespreken.

De heer Dittrich (D66):

Nou stelt me dat niet zo gerust omdat uw fractie …

Mevrouw Kaljouw (VVD):

U zult het hiermee moeten doen.

De heer Dittrich (D66):

Uw fractie had eerst allerlei zorgen over de uitvoering van de asielwetgeving. In dit debat horen we dat dat allemaal veranderd is, dat de zorgen zijn weggenomen. Laat ik het zo formuleren: ik zou het echt doodzonde vinden als de VVD niet met ons en anderen … Ook het CDA, de ChristenUnie en GroenLinks-Partij van de Arbeid hebben er namelijk allemaal opmerkingen over gemaakt dat dat een ongelijke behandeling zou zijn terwijl we artikel 1 in de Grondwet hebben staan: mensen in Nederland, alle mensen die zich hier bevinden, moeten gelijk behandeld worden. Dat doet deze nareisbeperking niet. Het zou dus heel erg zonde zijn als de VVD dan afscheid neemt van al die andere fracties. Ik doe dus een oproep aan u om dat goed in uw fractie te bespreken en daar dan in de tweede termijn op terug te komen.

De voorzitter:

Ik heb de indruk dat mevrouw Kaljouw die toezegging al gedaan heeft.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik heb die toezegging net gedaan. U kunt ervan op aan.

De heer Van Hattem i (PVV):

Toch eventjes voor de goede orde. Ik zat net even naar de discussie te luisteren. Er werd verwezen naar een deskundigenbijeenkomst. Daar ben ik zelf ook bij geweest. Ik heb er ook even de notulen bij gepakt. Ik wil toch even duidelijkheid hebben van mevrouw Kaljouw van de VVD. Ze citeerde volgens mij de uitspraak van de deskundigen, dat die er weinig vertrouwen in hadden. Vervolgens had mevrouw Kaljouw, als ik zo de notulen teruglees, de vraag gesteld wat er zou gebeuren als de asielwetten niet door zouden gaan en of er dan niet heel veel maatschappelijke onrust zou ontstaan. Klopt het dat de vraag op die manier correct geciteerd wordt?

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik moet u eerlijk zeggen dat ik niet meer precies weet wat er toen gezegd en geantwoord is. Ik weet wel dat wat mevrouw Karimi heeft opgelezen, gewoon waar is. Dat heb ik toen ook gezegd, maar in welke orde van grootte … Er was op dat moment van alle kanten op een aantal onderwerpen veel weerstand en er waren heel veel zorgen. Het is wel een aantal maanden geleden. Ik weet niet of ik heel veel woorden heb gewijd aan "het niet doen", maar ik kan u verzekeren dat mijn fractie er zo over denkt: nu niks doen is geen optie. Ik heb dat al een paar keer gezegd. We zullen een aantal stappen moeten zetten en we denken dat het een goed begin is om met deze asielwetten aan de slag te gaan.

De heer Van Hattem (PVV):

Ik vond het wel even goed om dat op te merken, want dat maakt de context van sommige uitspraken toch net even iets anders. Dat is ook wel goed voor de zuiverheid van het debat hier.

Mevrouw Kaljouw (VVD):

Ik dank u daarvoor, via de voorzitter.

De voorzitter:

Oké, dan dank ik mevrouw Kaljouw. Dan gaan we verder met mevrouw Van Bijsterveld van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Er is weinig wetgeving waar Nederland zo lang op heeft gewacht als deze asielwetten. Nu zat de ruime meerderheid van Nederland al jaren en jaren niet op specifiek deze wetten te wachten, maar vooral op het beperken van de instroom. Politiek was en is dit een gevoelig thema, want sommige mensen vinden dat we ons land per definitie moeten delen met de hele wereld. Mijn fractie vindt dat het asielbeleid failliet is, omdat het in de kern het daadwerkelijke probleem niet aanpakt. We hebben nu te maken met een pervers systeem, waarbij volgens Interpol en Europol 90% van de migranten in de armen van mensensmokkelaars wordt gedreven en onder levensgevaarlijke omstandigheden illegaal de oversteek maakt om zich vervolgens in Nederland te melden om legaal asiel aan te vragen. Dit systeem zal door deze wetten en ook door het EU-pact niet veranderen. Is de minister het met mijn fractie eens dat dit perverse systeem alleen tot een einde kan worden gebracht als opvang in de regio plaatsvindt en aldaar de gehele asielaanvraag doorlopen kan worden? Tot slot de grote vraag die boven dit debat hangt. Gaan deze nieuwe wetten de asielinstroom daadwerkelijk naar beneden brengen? Dat is ook mijn vraag aan de minister.

We spreken vandaag over een samenhangend pakket aan wetsvoorstellen, dat beoogt de asielinstroom te beperken en procedures te versnellen. Doel is om het systeem en de instroom weer beheersbaar te maken. Dat is extreem hard nodig, want op dit moment volgt uit de cijfers van de IND dat de totale asielinstroom gemiddeld 1.000 personen per week bedraagt. Een aanzienlijk deel van deze asielzoekers heeft uiteindelijk geen recht op verblijf en blijft toch. Dat brengt mij dan ook bij het volgende. Uit de brief van de IND van 27 januari 2026 blijkt dat de dienst bij een instroom van circa 25.000 aanvragen in staat is de wettelijke termijnen te halen en de instroom bij te houden. Bij een structureel hogere instroom zullen opnieuw achterstanden ontstaan. De IND gaat uit van een ingroeipad, waarbij volledige implementatie pas in 2027 wordt bereikt. Heb ik het juist dat met voornoemde totale asielinstroom deze doelstelling op voorhand al onhaalbaar lijkt en wat betekent dit voor de asielketen?

De heer Janssen i (SP):

Een korte verhelderende vraag. Mevrouw Van Bijsterveld sprak net over de cijfers van de IND, 1.000 instromers per week. Baseert zij zich daarmee op het persbericht van de IND?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Die cijfers kunt u vinden op de website van de IND. Het gaat over de totale asielinstroom. Dat zijn dus niet alleen de eerste aanvragen, maar ook nareis. Het is een cumulatief getal. U kunt die cijfers opmaken uit de IND-website.

De heer Janssen (SP):

Er is ook nog steeds een wekelijks persbericht. Ik ga er morgen ook nog iets over zeggen. Het is een wekelijks persbericht. Alleen omvat die instroom van 1.000 niet alleen mensen die zich in Ter Apel melden en die aan de poort staan. Dat is maximaal de helft en de andere helft is nareis, interne verhuizingen et cetera. Ik dacht dat ik mevrouw Van Bijsterveld hoorde zeggen dat er iedere week 1.000 mensen nieuw binnenkomen in Nederland.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dat heb ik niet gezegd.

De voorzitter:

U bent het met elkaar eens.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ja, we zijn het eens. Ik heb "de totale asielinstroom" gezegd en zo staat het ook op de IND-website. Dat is inderdaad cumulatief: de eerste aanvragers, maar ook nareizigers. Het is een grotere groep. Dat zijn we helemaal met elkaar eens.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Daarom heb ik het ook niet "de eerste aanvraag" genoemd, maar "de totale asielinstroom".

Waar was ik gebleven? De IND geeft in voornoemde brief aan voor bestaande aanvragen ook extra capaciteit vrij te maken, maar alles lijkt erop gericht om vanaf 12 juni aanstaande geen achterstanden meer te laten ontstaan. Kan de minister toezeggen dat er voor de bestaande aanvragen geen zogeheten pardonregeling komt om de voorraad weg te poetsen?

Voorzitter. Ten aanzien van het tweestatusstelsel: het onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden is logisch en verdedigbaar. Wie individueel wordt vervolgd, verkeert in een andere situatie dan iemand die vlucht voor een algemene conflictsituatie. Het beperken van nareis tot het kerngezin en het stellen van aanvullende eisen aan subsidiair beschermden draagt bij aan het beheersen van de instroom.

Dan de asielnoodmaatregelenwet. Deze wet zet in op verkorting van procedures, het terugdringen van stapeling van aanvragen en het versterken van het tijdelijke karakter van verblijf. Onze fractie steunt het verkorten van de verblijfsduur en het afschaffen van de permanente vergunning. Asiel moet tijdelijk zijn. Als bescherming niet langer nodig is, moet terugkeer daadwerkelijk plaatsvinden. Ook het aanscherpen van opvolgende aanvragen is noodzakelijk. Het huidige systeem biedt te veel ruimte voor herhaalde aanvragen met minimale variaties, wat leidt tot langdurige procedures en een hoge belasting van de IND.

Dan de strafbaarstelling van illegaal verblijf en de voorliggende novelle. Laat ik daar helder over zijn: onze fractie steunt het uitgangspunt dat illegaal verblijf niet vrijblijvend kan zijn. Wie hier niet mag blijven en weigert te vertrekken, overtreedt de wet. Daar moeten consequenties aan verbonden kunnen worden. De novelle die voorligt, neemt een belangrijk bezwaar van velen weg. Humanitaire hulp wordt expliciet en ondubbelzinnig uitgezonderd van strafbaarstelling. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat niemand die zorg verleent, onderwijs biedt of simpelweg hulp geeft vervolging hoeft te vrezen.

Door veel partijen wordt bovendien de suggestie gewekt dat Nederland met het strafbaar stellen van illegaliteit een uitzonderlijk harde en onmenselijke koers inslaat. In meerdere Europese landen bestaan echter strafrechtelijke sancties voor het niet naleven van een vertrekplicht of een inreisverbod. Nederland staat daarin dus niet op zichzelf. In dit vraagstuk moet helder zijn dat eerst de EU-Terugkeerrichtlijn helemaal doorlopen moet zijn voordat überhaupt tot strafbaarstelling en vrijheidsstraffen gekomen kan worden. Er moet dus heel wat water door de Rijn stromen, wil je uitkomen bij strafbaarstelling.

Voorzitter. We moeten dan ook niet doen alsof deze maatregel een wondermiddel is. Strafbaarstelling op zichzelf zorgt namelijk niet voor terugkeer, maar is wel een nuttig instrument binnen een breder pakket. Tijdens de technische briefing van onze Kamer op 20 januari jongstleden was nog niet bekend wat het vervolgingsbeleid van het OM wordt. Mijn vraag aan de minister: is dit inmiddels wel bekend? En zo ja, wat is het beleid? Ligt de prioriteit bij terugkeer en vertrek in plaats van bij het opleggen van een straf? Hoeveel mensen verwacht de regering überhaupt op deze gronden te vervolgen? Zijn de uitvoeringsorganisaties, met name de Dienst Terugkeer en Vertrek, voldoende toegerust om dit instrument toe te passen? Staat dit het terugkeertraject niet juist in de weg?

Voorzitter. Dan het bredere kader. Deze wetten worden gepresenteerd als onderdeel van de implementatie van het Europese Migratiepact. De effectiviteit van dit beleid staat of valt met de werking van het Europese systeem. Daar zit een fundamenteel probleem. Veel landen lijken niet klaar voor de uitvoering, waardoor het maar de vraag is of na 12 juni aanstaande daadwerkelijk sprake is van een gesloten grensprocedure aan de buitengrenzen van Europa. Als lidstaten de buitengrenzen niet goed dichthouden en mensen alsnog kunnen doorreizen, wat dan? Gaat de regering na 12 juni aanstaande monitoren wie Nederland nog binnenkomt, waar zij vandaan komen, waarvandaan zij zijn doorgereisd, welke nationaliteit ze hebben? Uit de werking van het Asielagentschap zou blijken dat als het pact werkt niemand meer naar Nederland komt, want wij gaan het afkopen. De theorie zou dus maken dat er direct minder instroom komt. Als dat niet zo is, wat gaat de minister dan doen?

Uit de eerdergenoemde brief van de IND van 20 januari 2026 blijkt bovendien dat de registratie van vreemdelingen tussen lidstaten onvoldoende plaatsvindt, omdat er momenteel geen structuur is voorzien voor het uitwisselen van screeningsformulieren tussen de lidstaten. Deelt de minister de zorg dat het ontbreken van gegevensuitwisseling tussen lidstaten kan leiden tot dubbele screeningsprocedures en mogelijke veiligheidsrisico's? Zo ja, is de minister voornemens om dit gebrek in Europees verband te agenderen in de JBZ-Raad en te pleiten voor een structurele gegevensuitwisseling tussen lidstaten?

Voorzitter. Onze fractie vindt dat Nederland binnen de bestaande kaders alles moet doen om de instroom te beperken. Dat betekent ook dat we verder moeten kijken dan deze wetten alleen. Dat begint bij het inwilligingspercentage en bij de terugkeer. In die zin verbaast het mijn fractie dat de werkinstructies van de IND openbaar worden gemaakt, zoals het recente voorbeeld dat voor Eritreeërs het asielbeleid werd verruimd door ook de civiele dienstplicht op te nemen voor het kunnen verkrijgen van een verblijfsvergunning. Is de minister het met mijn fractie eens dat als het inwilligingspercentage ten opzichte van andere landen hoger is, dat een aanzuigende werking blijft hebben en dat zolang herkomstlanden hun onderdanen weigeren terug te nemen, het systeem lek blijft? Het is daarom terecht dat er wordt ingezet op meer druk op deze landen. Kan de minister de laatste stand van zaken aangeven voor landen waarmee afspraken zijn gemaakt?

Voorzitter. Een ander punt van zorg is de uitvoerbaarheid. De IND, de rechtspraak en de keten als geheel staan al onder druk. Tegelijkertijd leiden deze wetten tot meer complexiteit en naar verwachting vooral in het begin tot meer procedures. De algemene vraag aan de minister is dan ook of de uitvoering hier nu echt klaar voor is. Of creëren we een systeem dat op papier strenger is, maar dat in de praktijk volledig vastloopt?

Voorzitter. Tot slot. Deze wetten zetten stappen in de richting van een strenger en meer beheersbaar asielbeleid. Onze fractie ziet dat en steunt die richting. Maar binnen het huidige Europese en internationale kader blijven de mogelijkheden beperkt. Zolang terugkeer niet wordt afgedwongen en Europese regels niet worden nageleefd, zullen nationale maatregelen slechts gedeeltelijk effect hebben. De fundamentele vraag blijft daarom of we met deze maatregelen het probleem daadwerkelijk oplossen of slechts beheersen binnen de grenzen van wat juridisch mogelijk is. Wij horen graag een reflectie van de regering daarop.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dank, voorzitter. De asielwetten die we vandaag bespreken, de Wet invoering tweestatusstelsel, de Asielnoodmaatregelenwet en de novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf, zijn onmenselijk, onrechtvaardig en onuitvoerbaar. Dit zeggen de meer dan 100 organisaties die zich hebben verenigd in de campagne Stop de asielwetten. Mijn fractie, die de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in de Eerste Kamer, is het hier hartgrondig mee eens. Er is al een hoop gezegd in dit debat, maar ik vind het belangrijk om ook vanuit het perspectief van de Partij voor de Dieren deze wetten te beschouwen.

Voorzitter. Ik vraag de minister om puntsgewijs te reflecteren op de volgende problemen rond de voorgestelde wetten. Door deze wetten worden mensen zonder verblijfspapieren, die hier vaak al jaren wonen, werken en bijdragen aan de samenleving, strafbaar. Mensen die als illegaal worden bestempeld, dreigen nog verder in de anonimiteit te verdwijnen. Ze zijn bang om hulp te vragen of gebruik te maken van voorzieningen. Ik heb een aantal van hen mogen spreken in de afgelopen tijd. Zij hebben hun persoonlijke zorgen met mij gedeeld.

Maar het is nog fundamenteler. Deze voorgestelde wetten vertegenwoordigen een politiek die in het Engels "othering" wordt genoemd. Ik heb hier in eerdere debatten over asiel al naar verwezen. Het betekent het zich distantiëren van een "other", vaak een andere groep. Met de voorgestelde wetten worden asielzoekers als een andere groep dan Nederlanders gezien, wat een levensgevaarlijk en onacceptabel uitgangspunt is. We zijn allemaal mensen.

De wetten gaan bovendien de problemen in de asielopvang en het proces van besluitvorming niet oplossen, maar verergeren. Er is geen aantoonbaar effect van deze wetten op het aantal mensen die in Nederland asiel aanvragen. Door de toenemende procedures, langere wachtrijen en meer beroepen zal de druk op de uitvoeringsorganisaties alleen maar toenemen. De wetten werken dus averechts.

Voorzitter. Er is geen asielcrisis. Er is oorlog, er is geweld en er is discriminatie, waar mensen voor vluchten. Dat is de crisis: de crisis van schendingen van mensenrechten en de crisis van schendingen van het internationaal recht. De Partij voor de Dieren is blij dat Nederland mensen opvangt die vluchten voor oorlog, geweld of discriminatie, gewoon zoals het hoort in een beschaafd land. 75% van de aanvragen wordt toegewezen. Dat betekent dat deze mensen terecht een asielaanvraag hebben gedaan en recht hebben op asiel. De enige manier om het aantal vluchtelingen wereldwijd te verminderen, is het tegengaan van oorlog, geweld, discriminatie en klimaatverandering, onder meer door in te zetten op internationale samenwerking en diplomatie.

Het probleem is dus niet het aantal asielzoekers. Het probleem is dat het asielsysteem is vastgelopen. Asielzoekers wachten simpelweg te lang op een besluit. We moeten dus investeren in de uitvoeringscapaciteit, in tegenstelling tot daarop te bezuinigen, zoals voorgaande kabinetten deden.

Voorzitter. Door de voorgestelde wetten wordt gezinshereniging strenger. Eerdere sprekers hadden het daar ook al over. De Asielnoodmaatregelenwet sluit bepaalde groepen, zoals ongehuwde partners, pleegkinderen en meerderjarige kinderen, uit van gezinshereniging. Lhbtqi'ers die niet mogen trouwen in hun land van herkomst, worden dus in het Nederlandse asielbeleid opnieuw gediscrimineerd. Voor subsidiair beschermden zijn er extra eisen, waardoor gezinshereniging vaak feitelijk onmogelijk wordt. Wat de Partij voor de Dieren betreft is dit onacceptabel. Gezinnen horen samen te kunnen zijn.

De wetten voeren het tweestatusstelsel weer in, terwijl dat juist afgeschaft werd omdat het leidde tot extra werk. De vergunning voor bepaalde tijd wordt beperkt tot drie jaar en asielzoekers krijgen na vijf jaar geen vaste verblijfsvergunning, waardoor integreren onmogelijk wordt. Strengere regels in de procedure, zoals het afschaffen van de voornemenprocedure, kunnen onzorgvuldige besluitvorming veroorzaken. En de nieuwe regels gelden ook voor asielzoekers die nu al een aanvraag hebben gedaan, wat strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

Voorzitter. De lijst van instituties, organisaties en deskundigen die kritiek of zorgen hebben geuit over deze voorgestelde wetten, is bijna oneindig: de Raad van State, het College voor de Rechten van de Mens, de Adviesraad Migratie, het COA, de IND, de VNG, de politie, de Inspectie JenV, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Dienst Justitiële Inrichtingen, VluchtelingenWerk, de Nederlandse orde van advocaten, kerken, zorgverleners, artsen en onderwijzers. Wie is er eigenlijk voor deze wetten, vraag ik me af.

Voorzitter. Deze wetten zijn overbodig. Het zijn wetten die door minister Faber van de PVV zijn ingediend als symboolpolitiek. Het overgrote deel van deze wetten wordt ook geregeld in het Europees Asiel- en Migratiepact, dat op 12 juni in werking treedt. Dat is over minder dan twee maanden! De Partij voor de Dieren heeft ook fundamentele kritiek op dit pact — laat daar volstrekte helderheid over zijn — maar het is een feit dat het in juni in werking treedt.

Een van de grote verschillen tussen de wetten die we vandaag behandelen en het pact is inderdaad de veelbesproken strafbaarstelling van illegaliteit. Die is in de wet opgenomen door een amendement van de PVV en het is juist inderdaad een van die onderwerpen waar terecht zo veel zorgen over zijn. Mensen zonder verblijfspapieren worden gecriminaliseerd en of de bescherming van mensen die hen helpen standhoudt voor de rechter, is nog onzeker.

Eigenlijk zouden alle leden van de Eerste Kamer tegen deze wetten moeten stemmen, omdat ze, gezien de aankomende uitvoerings- en implementatiewet van het Asiel- en Migratiepact, overbodig en onuitvoerbaar zijn. Deze wetten boven op het Asiel- en Migratiepact vragen te veel van de uitvoeringorganisaties op het gebied van asiel. Als we onze rol als Eerste Kamer, het zorgdragen voor kwalitatief goede wet- en regelgeving, serieus nemen, moeten we deze wetten, nog afgezien van de morele bezwaren, verwerpen. Ik kijk met name naar het CDA, omdat het ons zo'n beetje wekelijks herinnert aan onze rol als Eerste Kamer.

Voorzitter. Zoals ik al zei, overlappen deze wetten in grote mate het Asiel- en Migratiepact en voegen ze er een aantal extra maatregelen aan toe. Hiermee vertegenwoordigen deze wetten dus een zogenaamde kop op Europese wetgeving. Eerdere sprekers hadden het hier al over. Veel met name rechtse partijen in deze Kamer zijn tegen koppen op Europese wet- en regelgeving. De VVD, het CDA, de SGP, BBB, JA21, PVV en Forum hebben zich allemaal tegen koppen op Europese beleidsregels uitgesproken en laten dit nou juist de partijen zijn die overwegen voor deze wetten te stemmen. Maar als deze partijen oprecht tegen nationale koppen op Europees beleid zijn, zouden ze juist tegen deze wetten moeten stemmen. Het CDA heeft in de Tweede Kamer afgelopen januari op de vraag "Betekent dit voor het CDA dat er helemaal geen nationale koppen meer zouden moeten zijn, op geen enkele manier, nergens, nooit?" als antwoord gegeven: "In de basis is het antwoord daarop ja." Ook in het coalitieakkoord staat het: "Onze ambitie blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen." Dus de VVD en het CDA zouden tegen deze wetten moeten stemmen als ze hun eigen coalitieakkoord serieus nemen. Dus ik stel nog één keer de vraag aan de minister die meerdere malen is gesteld in het schriftelijke overleg: is het kabinet bereid de wetten in te trekken? Ze zijn, gezien het pact, overbodig. Ze leggen te grote druk op de uitvoeringsorganisaties op het gebied van asiel en ze vertegenwoordigen een kop op Europees beleid. Ik overweeg op dit punt een motie.

Voorzitter. De pleisters die nu in het debat hier en daar worden geplakt op een klein aantal pijnlijke punten in deze wetten, zijn niet voldoende om de fundamentele problemen van deze wetten op te lossen. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister, en voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Van Hattem i (PVV):

Heel kort. Ik hoor u de hele tijd over die koppen op Europese wetgeving, maar er werd net duidelijk onderscheid gemaakt tussen koppen op Europese wetgeving en onnodige koppen op Europese wetgeving. Laten we duidelijk zijn: onnodige koppen op Europese wetgeving hoeven niet, maar in dit geval is het iets wat keihard nodig is dat wij vanuit nationaal beleid aan nationale wetgeving doen.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dan heeft de heer Van Hattem niet goed geluisterd naar de quotes die ik heb gebruikt in mijn eerste termijn. Veel partijen in deze Kamer en ook in de Tweede Kamer hebben zich tegen koppen op Europees beleid uitgesproken, of ze nou nodig zijn of niet. Dat klopt dus niet. Er zijn partijen in deze Kamer die tegen koppen op Europees beleid zijn; dat geldt overigens niet voor de Partij voor de Dieren.

De heer Van Hattem (PVV):

Er werd een vraag gesteld aan de minister en het coalitieakkoord werd geciteerd en er werd een motie overwogen, maar het citaat uit het coalitieakkoord ging juist over onnodige koppen op Europees beleid. Naar mijn overtuiging is in dit geval geen sprake van een onnodige kop. Is het voor mevrouw Visseren-Hamakers toch nog mogelijk om een onderscheid te maken tussen nodige koppen en onnodige koppen?

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt, of hij deze drie wetten ziet als nodige of onnodige koppen op Europees beleid. Het standpunt van de Partij voor de Dieren is dat de drie wetten die hier liggen, een overbodige kop op Europees beleid zijn, omdat het Europese pact al te streng is volgens de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Even kort een puntje van orde. Ik heb alle respect voor de bijdrage van mevrouw Visseren-Hamakers, de Fractie-Visseren-Hamakers, de Partij voor de Dieren en Volt. Volt sprak namens de Partij voor de Dieren. Meestal zegt mevrouw Visseren-Hamakers dat zij de enige woordvoerder is namens de Partij voor de Dieren, maar nu heeft ze dat in het hele debat niet gezegd, maar noemt ze steeds de Partij voor de Dieren, terwijl de Partij voor de Dieren al gesproken heeft via Volt. Het wordt wat ingewikkeld op deze manier, want we hebben niet twee fracties in de Eerste Kamer van de Partij voor de Dieren.

De voorzitter:

Voor alle duidelijkheid: mevrouw Visseren-Hamakers spreekt namens de Fractie-Visseren-Hamakers.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik zal even reageren op uw interruptie. Ik heb aan het begin van mijn betoog inderdaad verhelderd dat mijn fractie de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in deze Kamer. Het is een beetje ongemakkelijk om deze discussie hier nu met een vertegenwoordiger van de fractie van de Partij voor de Dieren als voorzitter te voeren, dus ik wil het eigenlijk hierbij laten.

De voorzitter:

Dat lijkt me ook niet zinvol voor dit debat, dus dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Dank, voorzitter. Vandaag staan we bij een waterscheiding: gaan we de Rubicon over? Het motto hier moet zijn "lever maatwerk". Voor ons liggen twee asielwetten en één novelle. Wij hopen dat dit de politie en de IND concreet gaat helpen om het land veiliger te maken. Gaan deze twee wetten en de novelle de asielstroom echt beperken? We hopen het van harte. Je kunt op verschillende manieren kijken naar illegalen of ongedocumenteerden; ze bestaan uit heel veel verschillende groepen. We hopen dat u maatwerk wilt leveren. Het WODC schatte in 2020 dat er 23.000 tot 58.000 ongedocumenteerden in Nederland zijn. Volgens IND-medewerkers die ik sprak en kerkelijke hulpverleners zijn het er zeer waarschijnlijk meer. Eén IND-man zei mij dit weekend nog, met cijfers van de IND zelve, dat er 200.000 illegalen in België zijn en in Nederland waarschijnlijk in Nederland al snel anderhalf keer meer, dus 300.000. Het verschil tussen het laagste en het hoogste cijfer uit serieuze bronnen — 23.000 versus 300.000 — is significant onwerkbaar. Deelt u de opvatting dat de overheid deze groepen duidelijk in beeld moet krijgen en houden, ook uit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid, voor die mensen en ook voor ons? De novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf ligt lastig bij in ieder geval ongedocumenteerden, hulpverleners, politie, IND en gemeenten. Met al die mensen heb ik proberen te spreken. Ubi bene, ibi patria. Waar het goed is, is mijn vaderland, schreef onze grote humanistische filosoof Erasmus. Wij begrijpen dus dat gelukszoekers hierheen komen. Dat zouden wij misschien zelf ook doen. Het wordt alleen onwerkbaar als we iedereen hier toelaten. We moeten dus grenzen stellen. Dat is niet leuk, maar wel begrijpelijk. Deelt de regering deze visie?

A. Diverse jongeren die ik gesproken heb, ook jongeren die ongedocumenteerd zijn, minderjarig en meerderjarig, maken zich zeer grote zorgen. Ze hebben geen Nederlandse nationaliteit en hun ouders ook niet. Een deel van hun ouders werkte hier als schoonmaker, zorgverlener, medewerker in slachthuizen of seizoensarbeider in kassen et cetera. Ik heb er acht gesproken. Deze scholieren, studenten, jonge werkenden, mensen maken zich echt zorgen. Ze zijn hier geworteld en niet in een andere taal of cultuur. Deze scholieren en studenten hopen dat u toch enige toezegging kunt doen, ook op basis van wat er hier eerder is gezegd, wat er wel of niet in de novelle staat en wat wel of niet in de memorie van toelichting zit. Ik heb huilende leerlingen aan de deur gehad. We hopen dus dat u nadenkt over een soort tussenstatus, zoals in diverse landen mogelijk is. Welk perspectief biedt u deze jongeren en welke garanties?

B. Ik heb diverse hulpverleners gesproken, onder andere vanuit de katholieke kerken en het Leger des Heils. Ik ben ook door vier bisschoppen gebeld. Zij vragen zich af of het criminaliseren van ongedocumenteerden echt gaat helpen. Dat is de perceptie. We hopen dat u die perceptie weg kunt nemen. Vreemdelingendetentie kan immers nu al. Leiden de voorgestelde wetten en novelle echt concreet tot meer middelen en een betere aanpak van overlast door illegalen? Wij vernemen graag een concreet antwoord en ook veiligheidsgaranties voor hulpverleners die bed, bad, brood leveren. Of het waterdicht is? Het lijkt erop. We horen graag een harde toezegging.

C. Dit is geen tijd voor utopieën. Ik heb diverse politiemensen gesproken, zowel hoog aan de top — die zijn hier aanwezig geweest — als ook lokaal, in dit geval in Utrecht en Amsterdam. Mij valt op dat de mensen hoog in de boom redelijk kritisch zijn. Zij vragen zich af of deze wetten en novelle gaan helpen bij de asieluitdagingen, terwijl de lokale agenten toch echt wel mogelijkheden zien. Dat wil ik wel gezegd hebben en als u dat echt wilt, laat ik dat de griffier zien. Ik geef één heel concreet voorbeeld, namelijk het Bollendak in het centrum van Utrecht. De politie vertelt me dat er 242 overlastgevers in beeld zijn, waarvan ongeveer de helft meerderjarig is. Een deel is illegaal en al dan niet bij het COA betrokken, waarvan 162 Syrische, Algerijnse en Marokkaanse jongeren. Er is dus wel heel duidelijk een specifiek probleem. Mogelijk kan deze wetgeving helpen, maar we moeten niet de verkeerde mensen criminaliseren. Stam- en gangconflicten worden hier uitgevochten, vertelde de agent. Wij denken dat dit soort wetten wel degelijk kunnen helpen om mensen die misbruik maken, aan te pakken. De nieuwe A-status en B-status kunnen de politie helpen, hebben die drie agenten tegen mij gezegd. "Dan weet ik sneller waar ik aan toe ben en heb ik mogelijkheden om te ingrijpen waar het nodig is."

Een zeer dringend probleem dat ik van die 23 politiemensen te horen kreeg, is: heeft de politie wel voldoende capaciteit? Ik geef maar één voorbeeld. Sinds 2012 is de politie in Utrecht nauwelijks gegroeid in fte terwijl er veel meer mensen wonen, werken en crimineel gedrag vertonen. Er zijn dus veel meer politieagenten nodig. Die werken voor onze veiligheid. Die hebben wel wat vragen over de arbeidsvoorwaarden gesteld. We hopen dus dat u te zijner tijd — het hoeft niet per se morgen — daar aandacht aan wilt besteden. Hoe krijgt u meer politie? Hoe krijgt u meer geld en betere arbeidsvoorwaarden voor deze mensen?

Ik denk dan niet alleen maar aan die politie, maar ook aan de IND. Ik heb drie mensen gesproken die bij de IND werken. Zij hebben aangegeven dat er wel mogelijkheden in deze wetgeving zitten, maar dat zij wel een paar concrete vragen hebben. Daar kom ik zo op. De politie gaf nog een paar suggesties. We kunnen moeilijk alles prioriteit geven. Als we tien dingen prioriteren, wordt het voor hen veel moeilijker. Ik heb even een heel concreet punt, waaraan voor een gedeelte al gewerkt wordt. We hopen dat u daar aandacht voor heeft, namelijk de psycholance. Ongeveer 80% van de politieoproepen is gerelateerd aan zorg en veiligheid, bijvoorbeeld psychiatrische patiënten. Voor een gedeelte zijn dat ook de overlastgevende ongedocumenteerden. Kunt u op een moment te zijner tijd — het hoeft niet per se morgen — daarop ingaan en daar meer aandacht aan besteden, ook om het echte politiewerk, het echte veiligheidspolitiewerk, aan de politiemensen over te laten en de zorg aan de echte zorgmensen? Bij de politie in Utrecht zit 7,3% ziek thuis, dus het ziekteverzuim is zó hoog. Er moet dus echt wat aan die capaciteit en de prioriteit worden gedaan, maar daar heb ik nog niet heel veel over gehoord. We hopen dat u daar concreet op in kunt gaan. De medewerkers op de werkvloer bij de IND gaven mij duidelijk aan redelijk blij te zijn en ook wel mogelijkheden te zien, maar ze willen wel duidelijkere regels, snellere procedures en concretere resultaten kunnen boeken op korte termijn. We hopen dat u deze observatie deelt en ook duidelijkheid verschaft.

D. Meerdere wethouders en burgemeesters heb ik gesproken. Zij maken zich veelal zorgen over de gevolgen van deze drie wetten. Ze zijn bang dat 70% à 80% van de illegalen onderduikt en buiten beeld komt. Ziet het kabinet dit ook zo? Zo ja, wat ga u hieraan doen? Zo nee, wat gaat u dan ondernemen?

Dan twee problemen die ik eerder heb aangekaart. Ik vraag naar de stand van zaken. Eén: femicide. Een derde wordt gepleegd door Syrische nieuwkomers. Iedere week één vrouw in Nederland dood, iedere week een paar vrouwen gewond. Dat is toch echt wel een probleem. Dus graag de stand van zaken qua voorlichting, betere preventie, een plan van aanpak zou ik bijna zeggen, lik-op-stukbeleid, vroegsignalering door hulpverleners. We horen graag wat u gaat doen.

Het tweede concrete punt waarop ik eerder heb geduid is dat slechts 20% van de uitgeprocedeerde asielzoekers terugkeert naar het land van herkomst. Heeft u al plannen voor — nou, noem er drie — bijvoorbeeld de Noord-Afrikaanse landen Marokko, Algerije en Tunesië? Die krijgen vrij veel geld via de NDICI-gelden, de voormalige ENI-gelden van de Europese Unie. Daar levert Nederland ook een behoorlijke bijdrage aan. Nederland levert ook geld aan ontwikkelingssamenwerking. Bent u bereid dat in te zetten als pressiemiddel om ervoor te zorgen dat die landen wel de uitgeprocedeerde asielzoekers terugnemen? Welke landen gaat u prioriteren en hoe gaat u dat aanpakken? Deze akkoorden, we hopen dat u erin slaagt.

Voorzitter. Idealisme is mooi, realisme is een deugd. Als de minister onze zorgen kan wegnemen, als de minister onze vragen en toezeggingen beantwoordt op een wijze waar wij fiducie in hebben, dan willen wij graag voor deze wetten stemmen. Het kan wél. We hopen het. Nederland verdient het, u verdient het en ook de ongedocumenteerden verdienen duidelijkheid. Dan denk ik ook aan die scholieren die nu echt in zak en as zitten. Ik denk ook aan de politie, die nadrukkelijk aan mij vraagt: we hebben grote behoefte aan duidelijke kaders en dito bevoegdheden. Wij hopen dat u concrete toezeggingen doet, alstublieft.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Een interruptie van de heer Schalk.

De heer Schalk i (SGP):

Respect voor alle gesprekken die heer Walenkamp heeft gehouden. Hij heeft één formulering gebruikt waar ik een vraag over heb. Het hoeft niet lang, maar kan hij in één zin vertellen wat hij bedoelt met een tussenstatus?

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

Er zijn diverse landen, bijvoorbeeld bepaalde staten in Amerika, waar een tussenstatus bestaat voor jongeren die een opleiding volgen en die eigenlijk geen recht hebben op opvang. Zij kunnen dan ook een bsn-nummer krijgen. Dat terwijl een sofinummer vanaf 1992 in Nederland niet meer mogelijk is voor deze groep, en sinds de Koppelingswet van 1998 ook niet meer. Wij zoeken naar een tussenoplossing. De tussenstatus is een mogelijkheid — als u een betere mogelijkheid heeft, horen wij dat graag — om deze jongeren kansen te bieden.

De heer Dittrich i (D66):

Een korte vraag aan de heer Walenkamp. Hij vertelde ons dat hij door drie bisschoppen is gebeld. Nou wil ik helemaal niet weten hoe die gesprekken en zo zijn gegaan, maar ik weet wel dat de bisschoppen de heer Walenkamp echt met klem hebben verzocht om juist tegen deze wetten te stemmen vanwege de kwestie van strafbaarstelling illegaliteit. Ik wil toch nog het volgende vragen aan de heer Walenkamp. Ik hoorde hem net tegen de minister zeggen: als u met goede antwoorden komt, gaan wij voorstemmen. Hoe moet ik dat zien in verhouding tot wat de bisschoppen met klem met u besproken hebben?

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

De bisschoppen hebben een brief gestuurd, overigens samen met de heer Van Ekris namens de protestantste kerken. Het is goed om dat ook aan te geven. Ik heb vervolgens een gesprek gehad met mensen die ertoe doen. Het lijkt me onfatsoenlijk om uit die inhoudelijke gesprekken te citeren. Heel kort gezegd heeft de bisschop die die brief heeft geschreven, gezegd: denk aan je geweten. Daar heeft hij ook al eerder in allerlei krantenartikelen naar verwezen, dus ik denk dat ik daar wel uit kan citeren. Hij heeft een aantal punten aangedragen, waaronder: niet criminaliseren. Daar heb ik dus concrete vragen over gesteld. Ik denk dus dat uit de wetsgeschiedenis, de memorie van toelichting en de novelle blijkt dat bij toepassing van de wetten bijvoorbeeld die scholieren, die studenten, niet actief zullen worden vervolgd. We hadden het over artikel 140 en artikel 131, die gaan over opruiing en mensenhandel. Ik heb echt de indruk dat deze minister van goede wil is. We geven hem graag de kans om hier serieus op in te gaan.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Lievense. Hij heeft laten weten met minder tijd toe te kunnen. Hij zegt nu dat hij zijn best gaat doen. We verheugen ons erop. Ik moet er nog even aan toevoegen dat hij namens BBB spreekt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Lievense i (BBB):

Beste voorzitter. Vandaag spreken we over twee ingrijpende wetsvoorstellen, twee maanden voor de inwerkingtreding van het Migratiepact. We spreken vandaag over de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Die wetten komen niet uit de lucht vallen en zijn het antwoord op een werkelijkheid die inwoners van Nederland dagelijks ervaren in hun wijk, hun dorp, hun stad. De fractie van BBB ziet in het land een verschil in ervaring tussen inwoners van de Randstad en inwoners van het platteland. Ik zal daar later in mijn betoog nog op terugkomen.

Voor de BoerBurgerBeweging staat één uitgangspunt centraal: Nederland moet weer grip krijgen op migratie. Volgens mij zijn we het daar, nu bijna alle sprekers zijn geweest, allemaal over eens. Die grip moet er komen voor onze inwoners, voor onze gemeentes en, last but not least, voor alle regio's die in vele vormen al jaren onevenredig belast worden.

Deze wetsvoorstellen staan niet op zichzelf. De koerswijziging die nu voorligt, twee maanden voor de inwerkingtreding van het Migratiepect of -pact, of hoe je het ook uitspreekt … Dank u wel. Het is laat, hè? Het is laat. Het is een pactje! De koerswijziging is voor het overgrote deel al ingezet met de Europese regels. Voor het gemeenschappelijk immigratiebeleid van de EU geldt de gewone wetgevingsprocedure. Die is geregeld in artikel 294 van het EU-verdrag. Dat heb ik me allemaal keurig laten uitleggen. Dat kunt u begrijpen. Het is een bijzonder ingewikkeld artikel. In de praktijk bestaat de procedure veelal uit veel onderhandelingen tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Dat is de zogenaamde triloog en die kwam al een aantal keer in betogen van collega's voorbij. Uiteindelijk moeten zowel de Raad als het Europees Parlement instemmen met een wetgevingshandeling.

Of het nou een pect of een pact is, of dat iemands telefoon afgaat, meneer Dittrich … Mijn tijd stond stil, hoor! Zo hebben we alle twee iets, meneer Dittrich. Ik vervolg mijn betoog.

Het akkoord op hoofdlijnen is het resultaat van de onderhandelingen. Nu gaat zijn telefoon weer af!

(Hilariteit)

De heer Lievense (BBB):

Voorzitter, ik wacht even tot de heer Dittrich uitgebeld is! Ik weet niet met wie hij belt, maar …

De voorzitter:

Dit was inderdaad een onaangekondigde interruptie. U mag wat mij betreft uw betoog vervolgen.

De heer Lievense (BBB):

Voor de kijkers thuis: de heer Dittrich vertrekt op dit moment met zijn telefoon naar de ministerskamer.

(Hilariteit)

De heer Lievense (BBB):

Zo snel kan het gaan. Hij loopt zo de ministerskamer in! Maar goed, de minister zit hier nog tegenover me.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Lievense (BBB):

Uiteindelijk moeten zowel de Raad als het Europees Parlement instemmen met een wetgevingshandeling. In dit geval gaat het om de negen verordeningen en één richtlijn van het Migratiepact. Het akkoord op hoofdlijnen is het resultaat van de onderhandelingen tussen het voorzitterschap van de Raad en de vertegenwoordigers van het Europees Parlement. Daarna is er nog verdere uitwerking nodig, waarna de formele goedkeuring door de Raad en het Europees Parlement volgt. In dit geval heeft de Raad op 14 mei 2024 de formele goedkeuring verleend, en het Europees Parlement al op 10 april 2024. Nederland is dus op 14 mei 2024 formeel akkoord gegaan met het Europese Migratie- en Asielpact.

Voorzitter. Het is ten aanzien van dit Europese wetgevingsproces goed om te benadrukken dat de Nederlandse regering al sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, in 2009, geen instemming van de Kamers meer nodig heeft om in de Raad akkoord te gaan met voorstellen. Het Verdrag van Lissabon heeft, zoals u weet, de positie van het rechtstreeks gekozen Europese Parlement versterkt. De Nederlandse wetgever, dus de Staten-Generaal en wij als Eerste Kamer, heeft in de laatste fase voor de ratificatie van het Verdrag van Lissabon in 2007, het instemmingsrecht op JBZ-terrein sterk afgebouwd. Ook dat hoorde ik al tussen de regels door bij een aantal collega's. Wij als Kamers hebben nu uitsluitend nog een controlerende rol.

Voorzitter. Het is voor de fractie van de BBB belangrijk om hierbij terug te gaan in de geschiedenis, en daarbij de partijen die hier vandaag het woord voeren en die indertijd betrokken waren bij de behandeling en het besluit om te komen tot het verdrag, te wijzen op de gevolgen. Die gevolgen maken nu dat ze impliciet bijna al hebben ingestemd met dat Migratiepact en die vele overkoepelende maatregelen die wij nu terugzien in de wetgeving die nu in de asielwetten voor ons ligt. Ik neem u mee in een overzicht van hoe de belangrijkste partijen zich opstelden tijdens die parlementaire behandeling. Dat gebeurde allemaal tijdens het kabinet-Balkenende IV.

Het CDA was duidelijk voor ratificatie en de Partij van de Arbeid ook. De ChristenUnie was indertijd kritischer dan de coalitiepartners, maar was uiteindelijk eveneens voor. En vanuit de oppositiepartijen was de VVD ook voor ratificatie. D66 was zeer uitgesproken voor. De heer Dittrich zal dat nu vast horen in de ministerskamer. GroenLinks was ook voor. Expliciete tegenstanders waren de SP, de PVV en de Partij voor de Dieren. Dat gaf een politieke dynamiek. Er was zodoende een ruime … Daar is minister Dittrich weer, wilde ik bijna zeggen, want ik zie de heer Dittrich weer uit de ministerskamer komen. Bent u klaar met bellen, meneer Dittrich? Er was zodoende dus een ruime parlementaire meerderheid voor ratificatie. De steun kwam zowel van regeringspartijen CDA, Partij van de Arbeid en ChristenUnie als van een groot deel van de oppositie, namelijk VVD, D66 en GroenLinks. De tegenstanders heb ik zonet ook al benoemd. Het verdrag werd dus uiteindelijk bij ruime meerderheid in beide Kamers geratificeerd.

Voorzitter. Hiermee is reeds in 2007, en in 2009 met de inwerkingtreding, een van de belangrijkste parlementaire bevoegdheden uit handen gegeven. Sindsdien kennen we de complementaire behandeling. Dat is overigens een van de dingen die ik hier keurig heb geleerd van onze medewerkers toen ik net Kamerlid was. Een van die medewerkers die in het begin altijd moest uitleggen hoe die complementaire behandeling van Europese wetgeving nu precies werkte, zit hier nu ook. Dat wil zeggen: over voorstellen in overleg kunnen treden met de regering en daar te trachten bij te sturen. Tevens betekent het dat wij als medewetgevers sinds 2009 medeverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de Europese wetgeving en we zodoende in het geval van het Migratiepact verplicht zijn om onze nationale wetgeving in lijn met die Europese wetgeving op orde te brengen. De wetten die nu voorliggen geven vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Migratiepact op 12 juni 2026 al grotendeels invulling daaraan. Het is ongeveer tussen de 60% en de 80%.

Voorzitter. Via de complementaire procedure zijn de Nederlandse Staten-Generaal nadrukkelijk betrokken geweest bij dit Migratiepact. Het parlement heeft zich uitgesproken en heeft de regering meegegeven dat zij moest instemmen met dit pact. Ik heb hier nog een heel mapje, maar ik zal u een gedeelte van mijn spreektekst besparen. Ik gaf al aan dat ik in de stukken vooral ook mevrouw Karimi heel veel zie terugkomen. Ik zie heel veel collega's hier die heel druk doende zijn geweest met het Migratiepact en met al die regels daarin. Maar eigenlijk miste ik juist daar, op dat moment, de scherpte die ik vandaag in het debat hoorde, van: die Europese regels gaan straks gelden en dan móéten we daar iets mee en dan móéten we ze gaan invoeren. Die scherpte miste ik bij die complementaire behandeling, die eigenlijk een beetje achter de schermen plaatsvindt. Wel in het openbaar uiteraard, want alles is openbaar wat wij doen met de schriftelijke behandeling, zowel in Tweede Kamer als Eerste Kamer, maar er is geen debat meer over. Dat is pas als er een uitvoeringswet komt of, zoals in dit geval, er asielwetten op tafel liggen die in de mooie vorm een jaar eerder aangenomen hadden moeten worden. Dan pas krijg je echt een plenair debat waarin iedereen zijn zegje gaat doen.

Voorzitter. De nieuwe minderheidscoalitie van D66, CDA en VVD heeft ervoor gekozen — ik pak even een zijstraatje — om de Spreidingswet voorlopig in stand te houden, om zo een rechtvaardige verdeling over gemeenten te borgen. De BBB betreurt dit ten zeerste, maar constateert dat dit voor de steun van een aantal oppositiepartijen een politieke realiteit is. U zult begrijpen dat wij kritisch blijven op de uitwerking van deze wet. Want wat zien wij in de praktijk? Dat de lasten van opvang onevenredig drukken op kleinere gemeenten en plattelandsgemeenschappen, terwijl de grote Randstadsteden, met grote bevolkingsaantallen en een reeds aanwezige infrastructuur, relatief minder impact ervaren per inwoner. Laat ik dit concreet maken. In Zierikzee, met net 12.000 inwoners, op mijn prachtige eiland Schouwen-Duiveland, zijn 250 asielzoekers in de noodopvang geplaatst. Dat heeft een enorme impact op de gemeenschap. Dit is namelijk meer dan 2% van de bevolking in één keer. Dat raakt scholen, zorg, woningmarkt, veiligheid en de sociale cohesie. Vergelijk dit met een stad als Amsterdam, met bijna een miljoen inwoners, of Rotterdam, met bijna 700.000 inwoners, of Utrecht, met bijna 400.000 inwoners. Daar is de relatieve impact per inwoner fundamenteel anders. En dat is geen waardeoordeel over stad of platteland; dat is een kwestie van schaal, draagkracht en sociale structuur. In kleine gemeenschappen kent men elkaar. Veranderingen zijn er direct voelbaar. De absorptiecapaciteit, maatschappelijk, bestuurlijk en sociaal, is simpelweg anders dan in grootstedelijk gebied, gebieden die al decennialang gewend zijn aan migratiestromen. Anders is dit met de huisvesting van statushouders. Dat gaat op een veel geleidelijker schaal. Wel blijven wij van mening dat statushouders en eigen inwoners bij huisvesting op gelijke voet behandeld moeten worden. BBB vindt dat de Spreidingswet in zijn huidige vorm onvoldoende rekening houdt met die verschillen. Het is ook onbegrijpelijk dat dit door de nieuwe minderheidscoalitie niet gezien en erkend wordt. Wij blijven voorstander van een snelle intrekking van deze wet.

Voorzitter. Draagvlak is geen rekensom. Draagvlak laat zich niet afdwingen via een verdeelsleutel. Dat toonde ik net ook al aan bij die Spreidingswet. Noaberschap, oftewel nabuurschap, betekent ook rekening houden met de draagkracht van een gemeenschap. Wanneer inwoners het gevoel krijgen dat zij disproportioneel bijdragen aan een nationaal probleem, dan ontstaat vervreemding. Dat is precies wat wij in veel regio's zien gebeuren. De regio mag geen afvoerputje worden van landelijk beleid. Grip op instroom is daarom niet alleen een migratievraagstuk, het is ook een leefbaarheidsvraagstuk.

Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):

Ik zit gewoon goed naar de heer Lievense te luisteren. Ik denk dat hij allemaal argumenten geeft vóór de Spreidingswet. Hij zegt dat hij dat niet een goede wet vindt, terwijl deze wet juist op al deze elementen is gebaseerd, namelijk: een goede verdeling; wat de draagkracht is van een gemeente; wat de economische status is; of ze het aankunnen; wat ze al doen. Dat zou dus toch juist betekenen dat alle gemeenten in Nederland, ook die grote steden, hun verantwoordelijkheid moeten gaan nemen? Daar wordt het juist op berekend.

De heer Lievense (BBB):

Met spreiden is niks mis. Ik gaf dat net ook al aan, hè. Ik gaf het verschil aan met een noodopvang, met 250 gewoon als minimum. Schouwen-Duiveland is een eiland met allemaal kleine dorpen. De stad Zierikzee heeft 12.000 inwoners. Dat noemen wij een "stad" bij ons. Het eiland eronder, Noord-Beveland, heeft zes kleine dorpen. Tholen ligt ernaast. Tholen-stad heeft rond de 7.000 inwoners. Dus wij hebben in dat gebied met elkaar gezegd: als het móét komen ... Want ook daar kenden wij natuurlijk in die tijd allang die aanwijsbevoegdheid van de minister. Er was nog geen Spreidingswet op het moment dat het besluit genomen was, er was wel allang een aanwijsbevoegdheid. Dus als het móét komen en wij zouden niet met een oplossing komen, dan ging de minister uiteindelijk een keer zeggen: "Dan komt die hier." En dan hadden we helemaal geen invloed. Wij hebben toen dus de koppen bij elkaar gestoken om het met elkaar te regelen. We hebben gezegd: nou, dan doen we het in de grootste kern. We hadden er liever 125 gehad, bijvoorbeeld, maar dat kon niet. We moesten er 250 nemen. We hadden bijvoorbeeld ook liever een grotere opgave in statushouders gehad, want bij statushouders gaat het veel geleidelijker. We hadden een andere verdeling dus beter kunnen managen dan dit. Overigens is het bij ons hartstikke goed gegaan, hoor, met de opening van de noodopvang, zal ik er gelijk maar bij vertellen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Maar dit is de kern van de Spreidingswet: alleen als gemeenten er samen niet uitkomen, komt de minister. Overigens is de vraag dan wel: hoe? Dat blijft altijd ingewikkeld, want hoe ga je als minister een azc starten? Maar dat terzijde. Maar dat is precies wat er in deze gemeenschap is gedaan ...

De heer Lievense (BBB):

Nee, dit hebben wij samen ...

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Men ging samen kijken ...

De heer Lievense (BBB):

Maar nu komt ie ...

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dat is ...

De voorzitter:

Sorry, maar u spreekt door elkaar heen.

De heer Lievense (BBB):

Tja, ik ben ook zó enthousiast!

De voorzitter:

Mevrouw Van Toorenburg maakt even haar vraag af.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ik ken het, meneer Lievense! Het had mij kunnen overkomen.

Maar het is juist de hele strekking van de wet dat gemeenschappen denken: deze gemeente doet een beetje meer statushouders en wij doen een beetje meer Oekraïners. Alleen als het helemaal aan het eind allemaal niet lukt, zou de minister kunnen komen met een dwingende aanwijzing of een indeplaatsstelling. Maar ik vind het juist mooi dat de heer Lievense de hele Spreidingswet gewoon nog eventjes goed beargumenteert.

De voorzitter:

De heer Lievense, tot slot.

De heer Lievense (BBB):

Nee, dat doe ik niet, want wij hebben deze keuze gemaakt voordat de Spreidingswet er was. Maar vorige week kwam de vraag bij het gemeentebestuur van Schouwen-Duiveland binnen om nog eens 250 in de noodopvang te gaan plaatsen, terwijl er net één van 250 is geopend. Nou, dank u wel voor de Spreidingswet.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Dan zeg je nee.

De heer Lievense (BBB):

Ja, maar u weet hoe het werkt. Er wordt nu ook nee gezegd, maar alleen de vraag al. Alleen de vraag al.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ja, alleen de vraag al. Heeft de heer Lievense van BBB die vraag ook gesteld aan de inwoners van Schouwen-Duiveland? Zaten zij te wachten op 250 asielzoekers op hun eiland? Of is dit ook weer door de gemeente neergelegd in de trant van "we moeten dit nu eenmaal omdat de minister het vraagt"? Er werd overigens net gezegd dat er een aanwijzingsbevoegdheid was, maar die was er juist niet, want er was destijds een discussie over de Noordoostpolder waarbij verondersteld werd dat die aanwijzingsbevoegdheid er was, maar die bleek niet te bestaan.

De heer Lievense (BBB):

Ik heb het over 2014.

De heer Van Hattem (PVV):

Ja, dat klopt. We hebben het over een paar jaar geleden. Maar er heeft nooit een aanwijzingsbevoegdheid bestaan. Daar werd mee gedreigd, maar die was er niet en veel gemeentes zijn daarin getrapt. Maar mijn vraag is: heeft u ook aan de inwoners gevraagd of zij zaten te wachten op die 250 asielzoekers?

De heer Lievense (BBB):

De vraag stellen is ook het antwoord krijgen. Wij zijn in overleg gegaan met de inwoners. Het is altijd stom om over jezelf te praten, maar op dat moment zat ik zelf in de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland. Het is een kleine gemeenschap, dus je komt elkaar overal tegen. Dit komt ook gelijk in de krant en je gaat dan gelijk bij iedereen langs om te kijken hoe het valt. Dat is dus uw vraag. Dan is het antwoord dus: ja. Maar ik weet niet of dat uw vraag beantwoordt.

De voorzitter:

De heer Van Hattem, tot slot.

De heer Van Hattem (PVV):

Er werd inderdaad over gesproken, maar hebben de inwoners er ook echt iets over te zeggen gehad?

De heer Lievense (BBB):

Jazeker.

De heer Van Hattem (PVV):

Is er echt naar ze geluisterd? Als ze bijvoorbeeld hadden gezegd "nee, we willen het echt niet", zou er dan ook keihard zijn gezegd "nee, we doen het niet" in plaats van "tja, anders gaat de minister een al dan niet veronderstelde aanwijzingsbevoegdheid gebruiken"?

De heer Lievense (BBB):

Ik kan heel concreet ingaan op dit punt, maar er zijn twee verkiezingen overheen gegaan en alles is nog steeds hetzelfde. Het zal overal anders zijn, maar ik gebruikte het als voorbeeld om mijn betoog aan te kleden.

De voorzitter:

Ik denk inderdaad dat het zo voldoende is.

De heer Lievense (BBB):

Ik kan u er helemaal over bijpraten, hoor.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar we zijn het er wel over eens dat die Spreidingswet zo snel mogelijk van tafel moet.

De heer Lievense (BBB):

Ja, daar zijn wij het nog steeds over eens. Ook met deze uitleg over hoe wij het zelf hebben gedaan, ben ik het er daar nog steeds met u over eens.

De Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel als noodzakelijke correctie zijn juist daarom vooruitlopend op het Migratiepact noodzakelijk: snellere procedures, heldere statusverschillen en effectievere terugkeer verminderen de druk op het systeem als geheel. Minder druk betekent minder noodopvang. Dat hoorde ik mevrouw Van Toorenburg namens het CDA ook al aangeven in haar betoog. Minder noodopvang betekent een minder onevenredige belasting van kleine gemeenten, is mijn betoog daarachteraan. Het tweestatusstelsel herstelt bovendien een onderscheid dat in veel andere Europese landen al gebruikelijk is. Ook dat heb ik al bij vele collega's gehoord. Tijdelijke bescherming moet ook daadwerkelijk tijdelijk zijn. Dat is eerlijk tegenover de samenleving en tegenover mensen die echt bescherming nodig hebben.

Voorzitter. De weg is ingezet met het Europees Migratiepact. De Spreidingswet blijft vooralsnog helaas in werking. Juist daarom is het van belang dat wij nu zorgen voor een beheersbaar, uitvoerbaar en rechtvaardiger asielstelsel. BBB kiest voor grip op instroom, een eerlijke verdeling met oog voor draagvlak, kracht en bescherming van de leefbaarheid van stad en platteland en voor beleid dat uitvoerbaar is, niet uit hardheid en niet uit polarisatie, maar uit verantwoordelijkheid voor heel Nederland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord nu aan de heer Van der Goot. De heer Van der Goot is van de fractie OPNL.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Dank u wel, voorzitter. Nog acht minuten en dan zit het erop voor vandaag.

Terwijl wij ons in de Eerste Kamer buigen over onze eigen asielwetgeving, hebben wij ons als fractie natuurlijk met onze achterban gebogen over wat voorligt. We weten dat de samenleving vraagt om iets te doen aan de instroom en dat er wetgeving dient te komen. Daar is in de Tweede Kamer over gestemd. De rol van de Eerste Kamer — ik heb dat al geprobeerd in de interruptie bij mevrouw Kaljouw — is om op grond van de rolneming die we hebben te kijken naar rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en effectiviteit en naar zaken die daarmee samenhangen. Dat bepaalt ons oordeel over dit wetsvoorstel. Onze fractie hecht eraan om dat met de Kamer te delen en niet te zeggen: wij hebben een klap gedaan en dat was het.

Terwijl wij ons in de Eerste Kamer buigen over onze eigen asielwetgeving, zijn de nieuwe asielwetten van België door de rechter teruggefloten; dat is al vaker gezegd. Het Grondwettelijk Hof, de constitutioneel rechter in België — die hebben wij niet — heeft op 26 februari 2026 bepalingen uit het Belgische gezinsherenigingsbeleid per direct onverbindend verklaard. Wat was er aan de hand? De bepalingen rondom gezinshereniging die van toepassing waren op subsidiair beschermden, waren mogelijk in strijd met het Europees recht. Het gevolg van deze prejudiciële vraag is dat in België in deze vorm voorlopig geen onderscheid meer mag worden gemaakt tussen nareizende familieleden van vluchtelingen.

Voorzitter. De Eerste Kamer heeft de taak om te controleren of wetsvoorstellen voldoen aan internationaal en Europees recht. Als de rechtmatigheid van het tweestatusstelsel in ons buurland ter discussie staat, kunnen we hier niet aan voorbijgaan. De Belgische rechter heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof in Luxemburg. Het is goed voorstelbaar dat hierover ook in Nederland duidelijkheid zal worden gevraagd. Ik vraag de minister dan ook om een reactie op de suggestie van de Commissie Meijers om het tweestatusstelsel pas in te voeren zodra er duidelijkheid bestaat over de rechtmatigheid van de bepalingen rond gezinshereniging.

Voorzitter. Wij spreken vandaag over politiek en inhoudelijk zwaarwegende wetsvoorstellen. Al decennia verdeelt het asielvraagstuk de Nederlandse samenleving en houdt het ook het politieke debat stevig in zijn greep. Juist daarom is het van belang dat we toewerken naar oplossingen die zowel effectief zijn als breed gedragen worden. Het is goed dat het kabinet de ambitie heeft uitgesproken om tot een meer bestendige en evenwichtige aanpak te komen. Vanuit die invalshoek heeft de OPNL-fractie naar deze wetsvoorstellen gekeken. Daarbij hechten wij groot belang aan het advies van de Raad van State en de zorgen die door uitvoeringsinstanties naar voren zijn gebracht, zoals de politie, de IND en verdere instanties van de asielketen. Mijn fractie wenst een asielregime dat streng is maar ook rechtvaardig, rechtsstatelijk én uitvoerbaar. Tegen die achtergrond rijzen bij ons een aantal fundamentele vragen, ten eerste over de verhouding tot het Europees Asiel- en Migratiepact. Op 12 juni treedt het in werking. Hoe verhouden de voorliggende wetsvoorstellen zich tot dit pact? Er is vandaag veel over gezegd. Ik zal het hierover korter houden, want is bijna middernacht.

Ten tweede de uitvoerbaarheid. De Raad van State en anderen zijn kritisch, zeker ook waar het het tweestatusstelsel betreft. Het beeld ontstaat dat het stelsel, zoals nu ingevuld, nauwelijks bijdraagt aan het oplossen van bestaande knelpunten maar wel leidt tot extra druk op de uitvoering, terwijl juist de uitvoering ook nu al een probleem is. Hoe beoordeelt de minister dat?

Ten derde de rechtszekerheid. Diverse maatregelen treden onmiddellijk in werking en grijpen in op lopende procedures. De Raad van State spreekt in dat verband van "een onaanvaardbare aantasting van de rechtszekerheid". Mijn fractie deelt die zorg. Mijn vraag aan de minister is: hoe wordt voorkomen dat mensen gedurende hun procedure geconfronteerd worden met veranderende regels?

Ten slotte de vraag in hoeverre deze wetsvoorstellen daadwerkelijk bijdragen aan het ontlasten van de asielketen. Ook daarover bestaat gerede twijfel, zoals ook tijdens de hoorzitting in oktober tot uitdrukking werd gebracht. Als de minister die twijfel niet deelt, kan hij dan onderbouwen of en hoe de wetsvoorstellen de asielketen daadwerkelijk zullen ontlasten?

Voorzitter. Ik ben de laatste spreker vanavond. Laat ik afsluiten met het volgende. Na alles wat we vandaag van verschillende kanten, van het maatschappelijk veld tot de uitvoeringsinstanties, hebben gehoord, dringt zich één beeld op. De wetten die hier voorliggen, vormen geen stevig bouwwerk. De constructie daarvan rammelt. Degenen die er straks mee moeten werken en leven, waarschuwen dat het zo niet kan. Het lijkt op daadkracht om daadkracht, en dus wordt er voortgebouwd alsof het voldoende is dat er iets op papier staat, in plaats van dat het in de praktijk ook staat als een huis. Het lijkt op een oud-Hollands kinderliedje: "Er was eens een mannetje dat was niet wijs, die bouwde zijn huisje al op het ijs." U weet hoe het met dat huisje afloopt als het voorjaar wordt. Daar wringt het. Juist een dossier dat de samenleving zo verdeelt, vraagt om wetgeving die niet alleen politiek draagvlak zoekt, maar ook bij de rechter standhoudt. Maatschappelijke verdeeldheid vraagt juist om solide wetgeving, wetgeving die werkt, die uitvoerbaar is en die recht doet aan de complexiteit van het asielvraagstuk. Ik roep het kabinet dan ook op die verantwoordelijkheid te nemen en te kiezen voor zorgvuldigheid en houdbaarheid in plaats van politieke druk van de korte termijn en het turen in de achteruitkijkspiegel naar de peilingen. De OPNL-fractie wacht met belangstelling de beantwoording van de minister af.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is de heer Nicolaï. Gaat uw gang.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Het wordt echt één minuut. Ik heb een paar wetstechnische vragen die niet zo pasten in het mooie betoog van mevrouw Perin. De eerste vraag voor de minister. Klopt het dat artikel 108a op alle vreemdelingen betrekking heeft die geen verblijfstitel hebben en niet alleen op asielzoekers?

De tweede vraag. Geldt voor een vreemdeling die niet ongewenst is verklaard of aan wie geen inreisverbod is opgelegd, een wettelijke verplichting om Nederland te verlaten als hij geen verblijfstitel heeft of krijgt? Zo ja, in welk wettelijk voorschrift is die verplichting vastgelegd?

De derde vraag. In de beantwoording van de vragen over de novelle schrijft u: het onderhavige wetsvoorstel brengt geen verandering in de reikwijdte van bestaande strafbepalingen. Zie ik het goed dat de novelle dus geen betrekking kan hebben op handelingen die vallen onder andere delictsomschrijvingen, zoals bijvoorbeeld die in artikel 140 Strafrecht en artikel 131 Strafrecht zijn vervat?

En mijn laatste vraag. Als een organisatie vluchtelingen zonder verblijfstitel publiekelijk oproept om zich bij de organisatie aan te sluiten en gebruik te maken van door haar geregelde faciliteiten die het mogelijk maken om hun verblijf in Nederland nog voort te zetten, voldoen de leden van de organisatie dan aan de delictsomschrijving van artikel 140 Strafrecht of artikel 131 Strafrecht?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de beraadslaging tot dinsdag 14 april om 10.00 uur.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik sluit de vergadering. Ik wens u allemaal wel thuis.