Parlementair jaar 2025/2026, 18e vergadering
Aanvang: 13.30 uur
Sluiting: 20.47 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Voorzitter: Vos
Tegenwoordig zijn 67 leden, te weten:
Van Aelst-den Uijl, Van Apeldoorn, Bakker-Klein, Van Ballekom, Baumgarten, Beukering, Bezaan, Van Bijsterveld, Bovens, Crone, Dessing, Dittrich, Fiers, Van Gasteren, Goossen, Griffioen, Van Gurp, Hartog, Van Hattem, Holterhues, Huizinga-Heringa, Janssen, Janssen-van Helvoort, Jaspers, Kaljouw, Kanis, Karaaslan-Kilic, Karimi, Kemperman, Van Kesteren, Klip-Martin, Kluit, Van Knapen, Koffeman, Kroon, Lagas, Lievense, Van der Linden, Martens, Van Meenen, Meijer, Moonen, Musa, Van den Oetelaar, Perin-Gopie, Petersen, Prins, Ramsodit, Recourt, Rietkerk, Van Rooijen, Roovers, Rosenmöller, Van de Sanden, Schalk, Straus, Van Strien, Talsma, Thijssen, Van Toorenburg, Veldhoen, Visseren-Hamakers, Vogels, Vos, De Vries, Walenkamp en Van Wijk,
en de heer Van den Brink, minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De voorzitter:
Ik open de vergadering van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van dinsdag 24 februari 2026. Ik heet de leden, de medewerkers, de aanwezigen op de publieke tribune en iedereen die deze vergadering via de livestream volgt van harte welkom.
De voorzitter:
Ingekomen zijn berichten van verhindering van de leden:
Van der Goot, Doornhof en Panman, wegens verblijf in het buitenland;
Nicolaï, wegens bezigheden elders.
Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter:
Collega's. Vandaag vier jaar geleden, op 24 februari 2022, viel Rusland Oekraïne binnen. Ik heet de ambassadeur van Oekraïne, de heer Andriy Kostin, van harte welkom in de Eerste Kamer. Vandaag gaan de Oekraïners daarmee hun vijfde oorlogsjaar in: jaren van bezetting van een deel van het land en van aanhoudende beschietingen van andere delen. Daarbij kwamen deze winter ook nog een ongekende kou en het stelselmatig uitschakelen van de energievoorziening door de Russen. De moed van de Oekraïners om desondanks door te gaan en niet op te geven is bewonderenswaardig en verdient nog altijd onze steun.
Anastasia Afanasieva, afkomstig uit Charkiv, schreef het gedicht Kou. Daaruit komt deze strofe:
Aan de smalle splinter van de winter
Van een straat, aan een idiote buurvrouw
En haar idiote hond
Zullen we nu aankondigen:
glorie.
Aan stille en kale takken van populieren
Aan gezichten die ook stil zijn
In de splinter van de winter
Van een wind, zeg:
glorie.
Aan een stem die je niet hoort
De echte
Stem, koud, uit steen gehouwen in
een bot:
glorie.
Aan niemand, onbekend
Eén blauw op wit
En stilte die de winter versplintert:
glorie.
Collega's. Ondanks de bijtende kou van deze winter wens ik de Oekraïners de warmte van de glorie, van vrede en van vrijheid toe, zo snel als mogelijk.
Aan de orde is de beëdiging en installatie van mevrouw M. Karaaslan-Kilic (D66).
De voorzitter:
Nu is aan de orde de installatie van mevrouw Kilic-Karaaslan. Ik deel aan de Kamer mede dat door mij zijn benoemd tot leden van de commissie tot onderzoek van de Geloofsbrieven van het benoemde lid der Kamer, mevrouw Kilic-Karaaslan: mevrouw Perin-Gopie van Volt als voorzitter, de heer Lievense van BBB als lid, en mevrouw Bakker-Klein van het CDA als lid.
Ik deel aan de Kamer mede dat de ingekomen missives van de voorzitter van het centraal stembureau en de geloofsbrieven van mevrouw Kilic-Karaaslan in handen zijn gesteld van de commissie tot onderzoek van de Geloofsbrieven.
Het is mij gebleken dat de commissie haar taak reeds heeft verricht. Ik geef derhalve het woord aan mevrouw Perin, voorzitter van de commissie tot onderzoek van de Geloofsbrieven van mevrouw Kilic-Karaaslan, tot het uitbrengen van rapport. Nee, ik geef het woord aan mevrouw Bakker.
Mevrouw Bakker-Klein i (voorzitter van de commissie):
Ik heb iets meer stem dan mevrouw Perin. De commissie welke de geloofsbrieven van het benoemde lid van de Kamer, mevrouw M. Kilic-Karaaslan heeft onderzocht, heeft de eer te rapporteren dat de geloofsbrieven en de daarbij ingevolge de Kieswet overlegde bescheiden in orde zijn bevonden. Het rapport van de commissie is neergelegd ter Griffie ter inzage voor de leden. De commissie adviseert de Kamer mevrouw Kilic-Karaaslan als lid van de Kamer toe te laten.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Bakker-Klein voor het uitbrengen van rapport en de commissie voor het verrichten van haar taak. Ik stel aan de Kamer voor het advies van de commissie te volgen en het volledige rapport in de Handelingen te doen opnemen. Kan de Kamer zich hiermee verenigen? Dat is het geval.
Daartoe wordt besloten.
(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De voorzitter:
Ik verzoek de Griffier mevrouw Kilic-Karaaslan binnen te geleiden en ik verzoek alle leden te gaan staan.
(Mevrouw Kilic-Karaaslan wordt binnengeleid door de Griffier.)
De voorzitter:
Dan gaan we allereerst over tot het afleggen van de eed door mevrouw Kilic-Karaaslan. Ik lees daartoe het formulier voor.
"Ik zweer dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.
Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."
U steekt de twee voorste vingers van uw rechterhand aaneengesloten op en zegt daarop: "Zo waarlijk helpe mij God almachtig."
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.
De voorzitter:
Ik wens u van harte geluk met uw benoeming en installatie, en verzoek u de presentielijst te tekenen. Ik schors de vergadering voor een kort ogenblik, zodat de collega's u kunnen feliciteren, maar niet dan nadat ik u als eerste heb gefeliciteerd. Ik verzoek u zich op te stellen voor het rostrum.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Aan de orde is de herdenking van de heer L. Coppoolse (CDA) en de heer ing. J. de Graaf (CDA).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de herdenking van de oud-Eerste Kamerleden de heer Coppoolse en de heer De Graaf. Ik verzoek de leden en alle overige aanwezigen in de zaal en op de publieke tribune die daartoe in de gelegenheid zijn, te gaan staan.
Collega's, wij hebben de goede gewoonte om de oud-leden die ons zijn ontvallen hier te herdenken. Vandaag gedenken wij twee oud-leden: Lous Coppoolse, die op 19 september 2025 is overleden op 79-jarige leeftijd, en Jan de Graaf, die op 21 september is overleden op 84-jarige leeftijd. Ik heet ook hun familie van harte welkom bij deze herdenking.
Coppoolse en De Graaf waren in 2007 tegelijkertijd enkele maanden lid van de Eerste Kamer, beiden voor de CDA-fractie. Ze hielden zich in die periode met hetzelfde onderwerp bezig en overleden ook twee dagen na elkaar.
Laurens Coppoolse werd op 17 november 1945 geboren in Grijpskerke. Hij volgde in Middelburg de kweekschool en haalde later zijn MO aardrijkskunde. Lous Coppoolse werkte 28 jaar als docent, eerst in het basisonderwijs en daarna als leraar aardrijkskunde in het voortgezet onderwijs.
Sinds 1965 was hij politiek actief, eerst binnen de ARP en na de fusie binnen het CDA, onder meer als lid van het partijbestuur. "Alleen toen ik moest afstuderen, heb ik de politiek even laten liggen", zei hij eens. Tussen 1987 en 1995 was Coppoolse lid van Provinciale Staten en van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Ook daar was hij verantwoordelijk voor onderwijs, naast een aantal andere onderwerpen. Als gedeputeerde werd hij geroemd om zijn betrokkenheid, luisterend oor en duidelijke koers. "Een idealist met een missie", volgens dagblad De Stem.
Het zal dan ook niet verbazen dat hij zich ook in de senaat met onderwijs ging bezighouden, toen hij op 16 januari 2007 lid werd van de Eerste Kamer. Hij hield zich in het bijzonder bezig met een wetsvoorstel dat tot doel had schooluitval van minderjarige jongeren tegen te gaan door de invoering van een kwalificatieplicht tot de 18de verjaardag. In zijn maidenspeech pleitte Coppoolse voor een uitzondering voor jongeren met een autistische aandoening. "Voor vele van deze jongeren zou dit een zegen zijn, want voor hen is het echt niet haalbaar om te voldoen aan die kwalificatieplicht."
Jan de Graaf werd op 19 juni 1941 geboren in Nes. Na de Hogere Landbouwschool in Leeuwarden ging hij werken voor de Rijksdienst voor IJsselmeerpolders in Lelystad en Leeuwarden. Later werkte hij in verschillende functies bij Rijkswaterstaat. Intussen was ook hij lid geworden van de ARP en later het CDA.
In 1981 werd De Graaf gekozen als lid van Provinciale Staten in Friesland en negen jaar later als lid van de Tweede Kamer. Daar hield hij zich bezig met infrastructuur en pleitte hij voor de aanleg van de Hanzelijn. Bij zijn afscheid vatte Voorzitter Deetman zijn bijdragen in de Tweede Kamer als volgt samen: "Van Bosnië tot bosbouw en de polders niet vergetend".
Vervolgens werd De Graaf lid van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten van Flevoland, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor zorg, welzijn en financiën. Van maart tot juni 2007 was hij lid van de Eerste Kamer. Samen met Lous Coppoolse volgde hij de behandeling van het wetsvoorstel voor een kwalificatieplicht in het voortgezet onderwijs.
Zijn politieke carrière leek hij af te sluiten als gemeenteraadslid in Dronten, maar als kers op de taart werd hij van 2012 tot 2014 — hij was inmiddels 71 jaar — wethouder van Dronten. In die positie verzette hij zich tegen het voorstel van minister Plasterk om Flevoland, Noord-Holland en Utrecht samen te voegen tot een superprovincie.
Jan de Graaf was als volksvertegenwoordiger bewoner van alle kamers in het huis van Thorbecke en dat is niet velen gegeven.
Lous Coppoolse en Jan de Graaf waren kort lid van deze Kamer, maar hun inzet, ervaring en deskundigheid bleven niet onopgemerkt.
Dat ons respect voor hun persoon en hun verdiensten voor de samenleving en de Nederlandse parlementaire democratie tot steun mag zijn voor hun familie en vrienden.
Ik verzoek eenieder om een moment stilte in acht te nemen.
(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)
De voorzitter:
Dank u wel. Ik nodig u uit om de condoleances over te brengen aan de familie. Wij gaan rond 14.10 uur verder met de stemmingen. Let u daarbij op de stemmingsbel.
Ik schors de vergadering tot 14.10 uur.
De vergadering wordt van 13.53 uur tot 14.04 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik meld in aanvulling op de eerdere mededeling het volgende.
Ingekomen is een bericht van verhindering van het lid:
Marquart Scholtz, wegens verblijf in het buitenland.
Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter:
De vastgestelde notulen van de plenaire vergadering van 10 februari 2026 liggen ter inzage bij de Griffie. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich hiermee heeft verenigd.
Daarnaast ligt een lijst bij de Griffie ter inzage met door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstellen en de commissies waaraan ik deze wetsvoorstellen heb toegewezen.
Ik deel aan de Kamer mee dat op advies van de commissie I&A/JBZ vandaag de plenaire behandeling zal plaatsvinden van het voorstel voor de Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen (36859). De behandeling start vanmiddag om 14.30 uur met de eerste termijn van de kant van de Kamer en zal na de pauze worden voortgezet. Direct aansluitend aan de beraadslaging zal de stemming over het wetsvoorstel plaatsvinden. Het aangepaste vergaderschema is zojuist per mail onder alle leden verspreid.
Dan is aan de orde het voorstel om de vervaltermijn van de volgende aangehouden moties met twaalf weken te verlengen:
-
-de motie van het lid Van Rooijen c.s. over het halfjaarlijks toesturen van een overzicht vermogensontwikkeling van de Nederlandse pensioenfondsen (36578, letter D);
-
-de motie van het lid Van Rooijen c.s. over het verschaffen van informatie door de ingevaren pensioenfondsen (36578, letter E).
Op grond van artikel 67, eerste lid, van het Reglement van Orde zullen de moties heden, 24 februari, van rechtswege vervallen. Kan de Kamer instemmen met het voorstel tot verlenging van de termijn van aanhouden? Dat is het geval. Wenst een van de leden aantekening? Dat is niet het geval. Daarmee zijn de moties aangehouden.
Op verzoek van de D66-fractie heb ik op grond van artikel 30 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer het lid Karaaslan-Kilic aangewezen als lid van:
-
-de commissie voor Binnenlandse Zaken in plaats van het lid Griffioen;
-
-de commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei in plaats van het oud-lid Aerdts;
-
-de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in plaats van het oud-lid Aerdts;
-
-de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in plaats van het lid Griffioen.
Op verzoek van de D66-fractie heb ik op grond van artikel 30 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer het lid Griffioen aangewezen als lid van de commissie voor Financiën in plaats van het oud-lid Aerdts.
Op verzoek van de D66-fractie heb ik op grond van artikel 30 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer het lid Van Meenen aangewezen als lid van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Tevens heb ik op verzoek van de VVD-fractie het lid Musa aangewezen als lid van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ten slotte heb ik ingevolge artikel 31 van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer het lid Griffioen benoemd als ondervoorzitter van de commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad, in plaats van het oud-lid Aerdts.
Aan de orde is de behandeling van:
- het wetsvoorstel Uitvoering van verordening (EU) 2022/2560 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (Uitvoeringswet verordening buitenlandse subsidies) (36671);
- het wetsvoorstel Verlenging en wijziging van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering) (36784);
- de brief van de voorzitter van de commissie DIGI en de voorzitter van de commissie EZ/KGG aan de Voorzitter van de Eerste Kamer over het plaatsen van een parlementair behandelvoorbehoud bij Omnibus Digitaal COM(2025)837 en Omnibus AI COM(2025)836 (EK, D) (36890, letter D).
De voorzitter:
Dan zijn aan de orde twee wetsvoorstellen en een voorstel van de voorzitter van de commissie voor Digitale Zaken en de voorzitter van de commissie voor Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei over het plaatsen van een parlementair behandelvoorbehoud bij Omnibus Digitaal COM(2025)837 en Omnibus AI COM(2025)836, die als hamerstuk kunnen worden afgedaan. De nummers en de titels van de wetsvoorstellen en het voorstel voor het plaatsen van een parlementair behandelvoorbehoud staan op de agenda van de Kamer.
Wenst een van de leden stemming? Dat is niet het geval. Dan zijn de wetsvoorstellen en het voorstel voor het plaatsen van een parlementair behandelvoorbehoud aanvaard.
Verlangt iemand aantekening? Dat is niet het geval.
Stemming Nieuw Wetboek van Strafvordering
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering) (36327).
(Zie vergadering van 10 februari 2026.)
De voorzitter:
Dan zijn nu aan de orde de stemmingen. Ik heet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die namens de regering bij de stemmingen aanwezig is, van harte welkom. U heeft de eer om als eerste bewindspersoon het nieuwe kabinet hier te vertegenwoordigen. Ik feliciteer u met uw benoeming.
Hebben voldoende leden de presentielijst ondertekend? Dat is het geval.
Op verzoek van de heer Dittrich stel ik voor zijn motie (36327, 36636, letter L) aan te houden. Op verzoek van de heer Nicolaï stel ik voor zijn motie (36327, 36636, letter M) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Ik heb begrepen dat de heer Recourt ook een motie wil aanhouden, namelijk die met de letter K. Intrekken zelfs, sorry. Ik heb dat vanwege de haastige spoed die vandaag onze Kamer ten deel is gevallen, net pas gehoord.
Aangezien de motie-Recourt c.s. (36327, 36636, letter K) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.
Dat betekent dat wij geen moties hebben om over te stemmen. Wij stemmen nu dus alleen over het wetsvoorstel.
Wenst een van de leden een stemverklaring over het wetsvoorstel af te leggen? Dat is het geval. Ik zie de heer Dittrich.
De heer Dittrich i (D66):
Dank u wel, voorzitter. Het is 100 jaar geleden dat het Wetboek van Strafvordering werd ingesteld. We gaan het nu helemaal veranderen. Het is een schoolvoorbeeld geweest van hoe wetgeving gedaan moet worden: met een wetenschappelijke commissie, alle betrokken uitvoeringsorganisaties, en de Tweede Kamer, die daar een aparte commissie voor had. Uiteindelijk is het hier in de Eerste Kamer gekomen. Er is een breed draagvlak voor in de samenleving. Daarom zal de fractie van D66 met vreugde voor dit wetsvoorstel stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de andere leden nog een stemverklaring af te leggen? Dat is niet het geval.
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, de SP, de PvdD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, 50PLUS, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat het is aanvaard.
De fractie van OPNL is afwezig.
Stemming Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering) (36636).
(Zie vergadering van 10 februari 2026.)
De voorzitter:
Wenst een van de leden een stemverklaring over dit wetsvoorstel af te leggen? Dat is niet het geval.
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, de SP, de PvdD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, Fractie-Visseren-Hamakers, 50PLUS, Fractie-Beukering en Fractie-Walenkamp voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat het is aanvaard.
Ik merk op dat de fractie van OPNL afwezig is.
Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de stemmingen. Ik schors tot 14.30 uur, waarna wij verdergaan met de behandeling van de Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen.
De vergadering wordt van 14.12 uur tot 14.29 uur geschorst.
Aan de orde is de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (36859).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de behandeling van het wetsvoorstel 36859 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken. Ik heet de minister van Asiel en Migratie van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik wil u feliciteren met uw benoeming en maak u erop attent dat u het spits afbijt in het parlement namens het nieuwe kabinet.
De beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ook ik heet de minister welkom en feliciteer hem met zijn benoeming. Eerlijk gezegd had ik hem en onszelf een andere start van zijn ambt toegewenst, na twintig maanden van chaos en bestuurlijke onmacht op het departement Asiel en Migratie. Dat hij hier vandaag zit als minister van het gisteren aangetreden kabinet-Jetten, nog voordat de Tweede Kamer de regeringsverklaring heeft kunnen horen en daarover heeft kunnen debatteren, is niet alleen een novum in onze parlementaire geschiedenis. Het is ook een duidelijk teken van de puinhoop van een erfenis die vorige bewindspersonen van VVD en PVV op dit dossier hebben achtergelaten. In de afgelopen twintig maanden leek de politieke profilering met harde en soms …
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik wil me toch even distantiëren van de laatste uitspraak van mevrouw Karimi over de bewindspersonen van PVV-huize, want dit wetsvoorstel is in november van 2025 ingediend. Daar hebben wij dus part noch deel aan gehad.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat moet ik corrigeren, meneer Van Hattem. Die derde evaluatie van de wet heeft onder leiding van minister Faber plaatsgevonden.
De heer Van Hattem (PVV):
Dat is de evaluatie, maar de indiening van het wetsvoorstel en de veel te korte termijn waar we het nu over hebben is geheel buiten de schuld van mevrouw Faber te rekenen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De puinhopen zijn veel groter. Ik zal daar zo meteen verder iets over zeggen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
In de afgelopen twintig maanden leek de politieke profilering met harde en soms discriminerende retoriek namelijk belangrijker dan het oplossen van reële problemen. Het resultaat is zichtbaar: een gepolariseerde samenleving en groeiende haat tegen en discriminatie van vreemdelingen en mensen die er anders uitzien. Ook verkeert de uitvoering van de asiel- en migratieketen in zwaar weer, staat de samenwerking met medeoverheden onder druk en zien mensen die tijdens de asielprocedure aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, hun rechten geschonden. Duizenden kinderen gaan niet naar school, procedures duren jaren, dwangsommen lopen op tot miljoenen en de kosten stijgen explosief.
Niet alleen heeft geen enkel wetsvoorstel onder leiding van de vorige ministers de eindstreep gehaald, ook de uitvoering bevindt zich in een desolate toestand. Natuurlijk verwacht niemand dat deze minister op zijn eerste dag alles met een toverstok oplost, maar hij kent het dossier goed vanuit zijn eerdere rol als woordvoerder — dat kan van veel andere ministers niet gezegd worden. Politiek gezien is het bovendien een feit dat hij vanaf het moment van beëdiging verantwoordelijkheid draagt voor het handelen van zijn voorgangers. Daarom wil ik, voordat ik op het onderwerp van dit debat inga, eerst weten wat zijn persoonlijke visie is. Deelt hij deze analyse en wat zijn zijn prioriteiten, gezien de dramatische staat van het departement?
De heer Lievense i (BBB):
Ik zit heel erg te denken of dit buiten de orde van het voorstel is. Want volgens mij hebben wij het over de wet over biomedische gegevens en niet over de ambities van de minister op dit moment.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik volg mijn betoog: natuurlijk is dat onderdeel van het debat. Wij hebben voor het eerst een nieuwe minister op bezoek. Ik mag de minister natuurlijk bevragen over zijn visie op het departement, want hij heeft "ja" gezegd tegen dit ambt. Ik denk dat hij mans genoeg is mijn vraag te beantwoorden. Wat wil hij als eerste aanpakken en hoe wil hij, als we ervan uitgaan dat hij vier jaar minister blijft, herinnerd worden?
Voorzitter. Ik kom bij het voorliggende wetsvoorstel. Ik denk dat wij definitief afscheid kunnen nemen van het idee dat deze Kamer een chambre de réflexion zou zijn. Op 12 februari 2026, twaalf dagen geleden, heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken, aangenomen. Ik zeg erbij dat dat gebeurde na een niet geheel zorgvuldige procedure. Op 18 februari, tijdens het reces van de Eerste Kamer, stuurde de vorige minister van Asiel, minister Van Weel, een brief naar deze Kamer met het verzoek om de wet vandaag te behandelen en dezelfde dag een stemming te houden. De reden was dat zonder wetswijziging de nationale bevoegdheid op 1 maart 2026 vervalt en alle gezichtsopnamen en vingerafdrukken dan zouden moeten worden vernietigd.
Hier komt mijn eerste concrete vraag. Klopt de redenering van de minister eigenlijk wel? Hoezo moeten alle gegevens worden vernietigd? In veel gevallen geven Europese verordeningen een rechtsbasis voor deze bevoegdheid. Met dit argument wordt een zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel door deze Kamer onmogelijk gemaakt. Kan de minister bevestigen dat, mocht deze wet niet worden aangenomen — die kans bestaat namelijk altijd — echt alle gegevens zullen moeten worden vernietigd? Zo nee, wat vindt hij ervan dat zijn voorganger zo'n stellige zin opneemt in zijn brief aan de Kamer? Er is altijd een kans dat een wet niet wordt aangenomen. Nu er nog maar vier dagen tot de fatale datum resten, vraag ik de minister welke voorbereidingen de IND heeft getroffen om in dit geval te opereren. Kiest de IND voor bewaren, wat volgt uit het Europees recht, of voor vernietigen omdat de nationale grondslag wegvalt?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel schaadt, kortom, de horizonbepaling. Hier begint de kern van het probleem. Tijdelijkheid was destijds de waarborg. Juist die waarborg wordt nu onder tijdsdruk verwijderd. De minister schrijft bovendien dat later een nieuw wetsvoorstel met een nieuwe horizonbepaling zal volgen. Dat is wederom een ongelofelijke uitspraak. Het advies van de Raad van State, waarop ik later in mijn betoog uitvoeriger zal terugkomen, was duidelijk: maak de bevoegdheid niet permanent. Daar trok de regering zich niets van aan. Vervolgens, om de behandeling toch tijdig door de Tweede Kamer te krijgen, zegt de minister toe om met een nieuwe wet met een horizonbepaling te komen. Noemt de minister dit "zorgvuldige wetgeving"? Er wordt dan een tijdelijke wet permanent gemaakt, om die dan over een paar maanden weer tijdelijk te maken. Bovendien, hoe kunnen we ervan uitgaan dat een nieuw wetsvoorstel kan rekenen op een meerderheid, zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer? Wat is het oordeel van deze minister over deze gang van zaken? Het is al vijf jaar bekend dat deze bevoegdheid op 1 maart 2026 zal vervallen. Waarom is dit voorstel niet tijdig ingediend? Als er een nieuwe horizonbepaling nodig is, waarom staat die dan niet in dit wetsvoorstel?
De mogelijkheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen, werd in 2014 ingevoerd via de Wet biometrie in de vreemdelingenketen.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Mevrouw Karimi kiest haar eigen woorden. Ik snap heel goed wat zij zegt. Ik denk dat de meesten hier in de Kamer het er helemaal met haar over eens zijn dat dit nooit zo had mogen gaan. Wel ben ik benieuwd wat mevrouw Karimi nodig heeft om dat bij deze minister voor elkaar te krijgen, gelet op het feit dat zij wel uiteindelijk een horizonbepaling wenst te krijgen. Ik denk namelijk dat heel veel leden hier in de Kamer denken dat we eigenlijk die kant op zouden moeten, maar wat heeft zij nodig om dat voor elkaar te krijgen? Kan zij dat alvast formuleren?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Jazeker. Dat is een goede vraag. Ik kom daar in mijn betoog op terug. Ik heb namelijk vijf verzoeken aan de minister. Ik wil het wel onderbouwen aan de hand van de gegevens over de historie van dit wetsvoorstel. Dit verhaal bestaat namelijk al twaalf jaar. Wij praten dus niet over iets nieuws, wat nu begonnen is. Dit is twaalf jaar geleden begonnen. Als u mij toestaat, kom ik daarop.
Juist vanwege de ingrijpende aard van biometrie, unieke persoonlijke gegevens die op deze manier worden verzameld en verwerkt, koos de Tweede Kamer met een amendement van D66 bewust voor een horizonbepaling van zeven jaar. Die tijdelijkheid was geen formaliteit maar een bewuste waarborg: voortzetting mocht alleen plaatsvinden na evaluatie en politieke heroverweging. Nut, noodzaak en effectiviteit moesten worden aangetoond. Evaluaties na invoering concludeerden dat biometrie in de praktijk nuttig werd gevonden, maar dat harde kwantitatieve onderbouwing beperkt bleef. Toen de horizonbepaling in 2021 afliep, koos de regering, mede op advies van de Raad van State, niet voor een definitieve invoering, maar voor een tijdelijke verlening van vijf jaar. De staatssecretaris schreef toen expliciet dat een empirische motivering op basis van kwantitatieve gegevens niet kon worden gemist bij een beslissing over definitieve voortzetting. Daarom zou hij, de heer Van der Burg, zorgen dat er één registratiefaciliteit zou worden ingericht en onregelmatigheden uniform zouden worden geregistreerd, zodat er een stevig kwantitatief beeld zou ontstaan richting 2026.
Dat was de afspraak: tijdelijkheid bleef bestaan zolang de onderbouwing nog niet overtuigend was. Mijn fractie, de PvdA-fractie, en de D66-fractie stelden in deze Kamer destijds kritische vragen over het gebrek aan kwantitatieve onderbouwing, onduidelijke wettelijke grondslagen bij uitvoeringsorganisaties zoals COA, privacy, doelbinding en toezicht. Op basis van toezeggingen konden wij uiteindelijk instemmen met de verlenging. Wat waren de toezeggingen? Centrale registratie zou worden ingevoerd, de Autoriteit Persoonsgegevens zou worden betrokken en een data protection impact assessment zou plaatsvinden. Dat waren de toezeggingen. De regering schreef bovendien: er zal binnen de Wet Coa een expliciete grondslag worden gecreëerd voor het verwerken van bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens. Dit zal worden meegenomen in het wetstraject, waarin een expliciete wettelijke basis voor het door het COA verwerken van biometrische gegevens wordt gecreëerd. Bij mijn weten is dit nooit gebeurd. Hoe staat het er nu eigenlijk voor met biometrische-gegevensverwerking bij het COA? Waar is het wetsvoorstel gebleven?
In november 2021 werd nogmaals bevestigd dat uniforme definities in een registratiefaciliteit zouden worden ingevoerd en dat deze faciliteit de basis zou vormen voor een evaluatie richting 2026, maar in december 2022 — hier komt het — werd deze lijn verlaten. In een brief meldde de staatssecretaris dat er geen aparte registratiefaciliteit kwam. Daarmee trok de staatssecretaris ook een streep door zijn toezegging; dus geen advies van de Autoriteit Persoonsgegevens en geen data protection impact assessment. Daarmee verdween precies het instrument dat nodig was om de beloofde onderbouwing te leveren om privacyrechten van vreemdelingen beter te beschermen. Daarmee ontstaat opnieuw dezelfde spanning: de waarborg van tijdelijkheid blijft wel bestaan, maar de beloofde onderbouwing wordt niet geleverd en rechtswaarborgen blijven zwak.
De derde evaluatie, uit 2024, vormde de basis voor het huidige wetsvoorstel. Dit was wederom een evaluatie die geen overtuigende onderbouwing kon leveren voor nut, noodzaak en proportionaliteit van het verzamelen van biometrische gegevens, zoals tien vingerafdrukken en gezichtskenmerken van álle vreemdelingen. Bovendien benoemde de evaluatie fundamentele problemen bij de uitvoering, zoals het niet tijdig verwijderen van gegevens uit de dataopslag. Op basis van die evaluatie ligt een voorstel voor dat de horizonbepaling volledig schrapt en dat door de Eerste Kamer met een ergerniswekkende snelheid moet worden behandeld.
Voorzitter. Tegen deze achtergrond is het advies van de Raad van State essentieel. Dat advies gaat namelijk niet alleen over de vraag of de onderbouwing van het wetsvoorstel voldoende is. De raad wijst mede op basis van de derde evaluatie op een tweede punt, dat minstens zo zorgelijk is: de manier waarop in de praktijk met biometrische gegevens wordt omgegaan. De raad stelt dat het voorstel wezenlijke tekortkomingen kent. Zo is volgens de raad onvoldoende onderbouwd waarom een nationale bevoegdheid nog nodig is naast Europese systemen. Ook ontbreekt een actuele proportionaliteitsafweging nu de tijdelijkheid verdwijnt. Daarnaast uit de raad zorgen over CATCH Vreemdelingen. Ik zou zeggen: what is in a name? Dat is een afkorting, maar iemand heeft er echt goed over nagedacht. De Raad van State stelt vragen over bewaartermijnen en het ontbreken van een structurele evaluatie. Gegevens blijven soms langer aanwezig dan toegestaan. Interne controle en naleving zijn onvoldoende inzichtelijk. De feitelijke praktijk van gegevensverwerking sluit niet altijd aan bij de wettelijke waarborgen die juist bedoeld zijn om deze gevoelige gegevens te beschermen. Met andere woorden, het probleem is niet alleen dat noodzakelijkheid en proportionaliteit onvoldoende overtuigend zijn aangetoond; het probleem is ook dat de uitvoering zelf vragen oproept over zorgvuldigheid en rechtmatigheid. Daarmee maakt de raad duidelijk dat de stap van tijdelijk naar permanent zwaarder moet worden onderbouwd.
Voorzitter. De regering heeft naar aanleiding van het advies enkele aanpassingen gedaan. Zo is de toelichting uitgebreid, zijn de voorwaarden voor het gebruik van gezichtsopnamen in lijn gebracht met die voor vingerafdrukken en is een verkenning aangekondigd naar het systeem CATCH. Dat zijn op zichzelf relevante stappen. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de kern van het voorstel ongemoeid blijft. Er is geen nieuwe horizonbepaling opgenomen, een wettelijke evaluatieplicht ontbreekt en van een fundamentele heroverweging van de gekozen koers is geen sprake. Daarmee blijft de essentie van dit wetsvoorstel ongewijzigd. De tijdelijkheid verdwijnt, terwijl de onderbouwing daarvoor niet wezenlijk sterker is geworden.
Voorzitter. Zoals ik al zei, betreft een belangrijk onderdeel van de discussie het systeem CATCH Vreemdelingen. In dit systeem worden gezichtsopnamen gebruikt die afkomstig zijn uit de Basis Voorziening Vreemdelingen, de centrale vreemdelingenadministratie waarin biometrische gegevens worden opgeslagen voor identiteitsvaststelling binnen de vreemdelingenketen. Deze gezichtsopnamen worden vervolgens beschikbaar gesteld voor gezichtsvergelijking door de politie in het kader van opsporing en vervolging van strafbare feiten. Juist hier ontstaat een juridisch scharnierpunt. De biometrische gegevens zijn oorspronkelijk verzameld voor migratiedoeleinden, maar worden in CATCH Vreemdelingen ingezet voor strafrechtelijke doeleinden. Daarmee is sprake van een duidelijke doelverschuiving, die vragen oproept over rechtmatigheid, proportionaliteit en noodzaak. De Raad van State heeft hierover in zijn advies expliciete opmerkingen gemaakt. De raad vraagt de regering toe te lichten op basis van welke juridische grondslag de verwerking in CATCH Vreemdelingen plaatsvindt, de noodzaak van deze verwerking dragend te motiveren en de bewaartermijnen voor opslag van gezichtsopnames wettelijk te regelen. Daarbij is de raad helder: als het niet mogelijk is, moet de verwerking in deze vorm worden aangepast of worden stopgezet.
Inmiddels is uit de brief van de minister gebleken dat voor het verwerken van biometrische gegevens van alle vreemdelingen in CATCH Vreemdelingen ten behoeve van opsporing en vervolging géén expliciete wettelijke grondslag bestaat. Dat maakt de discussie dus extra urgent, omdat daarmee de vraag ontstaat of de huidige verwerking wel rechtmatig plaatsvindt zolang een nieuwe wettelijke basis ontbreekt. Graag een helder antwoord van de minister op deze vraag.
Daarnaast wijst de Raad van State op de proportionaliteitsvraag. Het systeem bevat gegevens van grote groepen mensen, terwijl niet altijd duidelijk is waarom een zo brede verwerking noodzakelijk is voor opsporingsdoeleinden. Ook de bewaartermijnen en de controle op naleving daarvan vragen om nadere verduidelijking.
Voorzitter. De discussie over CATCH Vreemdelingen raakt daarmee aan een principiële vraag die in dit hele wetsvoorstel centraal staat: hoever mag het hergebruik van biometrische gegevens gaan wanneer deze oorspronkelijk voor een ander doel zijn verzameld? Juist omdat biometrische gegevens bijzonder gevoelig zijn, vraagt dit om een duidelijke wettelijke basis, strikte waarborgen en een overtuigende onderbouwing. En precies hier wordt zichtbaar waarom de discussie over dit wetsvoorstel verdergaat dan alleen technische wetgeving. De koppeling met CATCH Vreemdelingen laat zien dat het niet alleen gaat om de vraag óf biometrische gegevens nuttig kunnen zijn, maar vooral om de vraag hoe zorgvuldig de overheid met zulke ingrijpende bevoegdheden omgaat wanneer doelen verschuiven en juridische grondslagen onder druk komen te staan. Daarop wil ik graag een reactie van de minister.
Dat is niet los te zien van de geschiedenis van deze wet. De bevoegdheid is destijds bewust tijdelijk gemaakt, juist omdat biometrische gegevens diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer en omdat de wetgever vond dat periodieke heroverweging noodzakelijk was. Tijdelijkheid was de ingebouwde waarborg, een moment waarop opnieuw zou worden beoordeeld of nut, noodzakelijkheid en proportionaliteit nog steeds overtuigend konden worden aangetoond. Maar wat we nu zien, is dat juist op het moment waarop de heroverweging zou moeten plaatsvinden, vragen blijven bestaan.
Daarmee komen we bij de kern van dit debat; als zelfs binnen een tijdelijke regeling al discussie bestaat over rechtmatigheid, proportionaliteit en uitvoering, dan is de stap naar permanente bestendiging geen vanzelfsprekende vervolgstap.
Voorzitter. Juist omdat tijdelijkheid … Dat heb ik, denk ik, gezegd.
Nu kom ik bij het antwoord op de vraag van mevrouw Van Toorenburg. Wat zou voor de fractie van GroenLinks-PvdA nodig zijn om vertrouwen in dit wetsvoorstel te krijgen? Allereerst is versterkt en onafhankelijk toezicht op de verwerking van biometrische gegevens noodzakelijk. Het gaat hier om bijzonder gevoelige persoonsgegevens en om een kwetsbare groep. Dat vraagt om toezicht dat zichtbaar onafhankelijk is en dat niet uitsluitend binnen de uitvoeringsketen zelf is georganiseerd. Ten tweede vraag ik de minister om een integrale mensenrechtentoets uit te voeren op de verwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen. Deze suggestie is ook gegeven door Amnesty International tijdens de consultatie over dit wetsvoorstel. Daarbij moet expliciet worden gekeken naar de impact op het recht op privacy en het recht om niet te worden gediscrimineerd. Ook vraag ik de minister in die beoordeling de vereisten van de Europese AI Act en de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over biometrische en genetische gegevens te betrekken.
Verder zijn duidelijke waarborgen nodig om te voorkomen dat biometrische gegevens van vreemdelingen terechtkomen in databanken voor gezichtsherkenningstechnologieën of vergelijkbare systemen die verder reiken dan het oorspronkelijke doel waarvoor deze gegevens zijn verzameld. Specifiek ten aanzien van CATCH Vreemdelingen wijs ik u erop, zoals ik al zei, dat de Raad van State heeft gevraagd om een duidelijke wettelijke basis voor deze verwerking. Inmiddels is erkend dat die niet bestaat. Daarom vraag ik de regering of zij bereid is deze verwerking stop te zetten zolang een toereikende wettelijke basis ontbreekt.
Tot slot acht mijn fractie het van belang dat de jaarlijkse rapportage over onregelmatigheden wordt voortgezet. Juist in een context waarin Europese regelgeving zich snel ontwikkelt, moet jaarlijks inzichtelijk worden gemaakt waarom een nationale bevoegdheid nog noodzakelijk is en voor welke processen binnen de vreemdelingenketen deze daadwerkelijk nodig blijft.
Voorzitter. De minister heeft tijdens de behandeling in de Tweede Kamer al toegezegd dat er een nieuwe wet komt met een horizonbepaling. Verwacht de minister dat die voor de zomer hier bij de Staten-Generaal voorligt?
Voorzitter. Ik hoor graag de reactie van de minister op al deze vragen.
Ik sluit af. De geschiedenis van deze wet laat zien hoe een tijdelijke maatregel geleidelijk structureel wordt, terwijl de beloofde onderbouwing nooit volledig is gebleken. Tijdelijkheid was destijds de waarborg en juist die waarborg verdwijnt nu. Daarmee komen we bij de kern van de verantwoordelijkheid van deze Kamer. Deze Kamer gaat niet alleen over de vraag of een bevoegdheid nuttig kan zijn, maar vooral over de vraag of de overheid zichzelf voldoende begrenst wanneer grondrechten in het spel zijn. Tijdelijkheid was ooit de grens die de wetgever bewust heeft getrokken. Als wij die grens vandaag wegnemen, dan moet buiten twijfel staan dat noodzaak, proportionaliteit en rechtmatigheid overtuigend zijn aangetoond.
Dank u wel.
De heer Lievense (BBB):
Helder betoog. Het is mij helder hoe GroenLinks-Partij van de Arbeid erin staat. Ik heb nog even een nadere vraag over CATCH. Mevrouw Karimi geeft in de vraagstelling ook duidelijk aan dat er geen wettelijke basis is voor CATCH. De Raad van State heeft dat ook aangegeven. Ik heb altijd begrepen dat een rechterlijke machtiging nodig is. Pas op het moment dat die er is, mag dat systeem geraadpleegd worden. Begrijp ik daaruit dat dat voor de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid onvoldoende is?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee. Het systeem werkt namelijk op dit moment zo dat alle gegevens, dus alle biometrische gegevens van de basisadministratie van die vreemdelingenregistratie, worden gekopieerd. Die worden als bulk beschikbaar gesteld aan CATCH Vreemdelingen. Dat mag niet.
De heer Schalk i (SGP):
Ik heb een vraag aan mevrouw Karimi. Ze heeft zojuist een aantal vragen gesteld aan de minister. Het ging een beetje snel, maar ik begreep dat ook gevraagd werd om bepaalde toetsen te doen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Mensenrechtentoetsen.
De heer Schalk (SGP):
Mijn vraag is: bedoelt mevrouw Karimi nu dat dat voor afhandeling van deze wet nog moet gebeuren of zijn deze vragen met name bedoeld voor de verbeterde wet die eraan komt?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik weet ook dat dat voor 1 maart niet gaat lukken. Ik heb ook een motie voorbereid, mocht de minister niet toezeggen, waarin staat dat een toets moet plaatsvinden en dat we dan voor het zomerreces de toets moeten ontvangen.
De heer Schalk (SGP):
Even voor de preciesheid. Dat betekent dat mevrouw Karimi bij een aantal van haar vragen zegt: ik vind dat die meegenomen moeten worden naar het komende wetsvoorstel. Ze heeft die hier genoemd als een soort voorwaarden. Maar dat is onhaalbaar als u nu vraagt om een toets vóór de stemming over de wet die nu voorligt.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb niet om een toets vóór de stemming over deze wet gevraagd.
De voorzitter:
De heer Schalk, tot slot.
De heer Schalk (SGP):
Ik begreep dat mevrouw Karimi op een gegeven moment vroeg om een bepaalde toetsing. Mijn vraag was de volgende. Als het de bedoeling is die toetsing te laten gebeuren voor de volgende wet, dan kan ik het begrijpen, maar dat kan niet voor vanavond.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee, voor vanavond kan het niet.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk.
De heer Schalk i (SGP):
Mevrouw de voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik vandaag ook mag spreken namens de Fractie-Walenkamp en de Fractie-Beukering.
Ik wil heel graag beginnen met felicitaties aan de minister. Van harte Gods zegen toegewenst, en wijsheid bij het werk dat op u wacht. Ik vond het mooi om gisteren te zien dat u ervan uitgaat dat u het niet alleen hoeft te doen. Als je je twee vingers omhoogsteekt en de hulp van God Almachtig inroept, dan weten we dat we daar onze hulp ook van mogen verwachten.
Het is wel heel bijzonder om op je tweede dag hier meteen al te mogen staan, met in de loop van vandaag allemaal mopperende senatoren. Zij mopperen terecht, want, eerlijk is eerlijk, deze procedure is natuurlijk verwijtbaar. Ik wil daar wel meteen bij zeggen dat het deze minister niet persoonlijk verwijtbaar is, maar het proces is wel verwijtbaar. Daar zal de minister vast ook wel iets over willen zeggen.
Hoe dan ook, deze Kamer weet zich geroepen om, zo mogelijk, onherstelbare schade te voorkomen. Ik heb aangekondigd dat ik slechts één vraag ga stellen. Kan de minister klip-en-klaar bevestigen dat het in deze wet vooral gaat om het bestendigen van het beleid en dat het wetsvoorstel een verbetering bevat ter zake de aanpak van strafbare feiten? Ik zie uit naar een ondubbelzinnige reactie van de minister, zodat wij ondanks de gebrekkige procedure onze verantwoordelijkheid kunnen nemen bij de stemmingen in de loop van deze dag.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.
De heer Dittrich i (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik spreek namens D66 en ook namens de Fractie-Van de Sanden. Allereerst een hartelijk welkom aan de minister. Wij wensen hem heel veel succes.
Mevrouw Karimi zei het ook al: het is jammer dat dit het debat is waarbij de minister voor het eerst in de Eerste Kamer optreedt. Het is natuurlijk wel heel erg vreemd dat het wetsvoorstel op 19 november in de Tweede Kamer is ingediend, terwijl de horizonbepaling vervalt op 1 maart. Dat wisten we natuurlijk jaren geleden al. Mijn eerste vraag is dus: waarom pas op 19 november het wetsvoorstel indienen en niet al veel eerder, zodat de Eerste Kamer haar werk goed kan doen?
Om wat tijd te winnen sluit ik me inhoudelijk bij een deel van de vragen van mevrouw Karimi aan, zeker wat betreft de periode 2020-2021, toen wij het vorige wetsvoorstel bespraken. Toen spraken we ook over horizonbepalingen en het belang daarvan, over nut, over noodzaak en over proportionaliteit. Dat zijn allemaal vragen die ook hier weer terugkomen. Ik zou graag aan de minister willen vragen hoe het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken en het komende wetsvoorstel zich verhouden tot de grondrechten, met name het recht op privacy. We hebben namelijk gelezen dat de Tweede Kamer daar in een specifieke commissie aandacht aan heeft besteed en allerlei vragen heeft opgeworpen. Die zijn in de Tweede Kamer echter niet echt beantwoord, omdat de behandeling van het wetsvoorstel daar heel kort was, om het zo maar te zeggen.
Dezelfde vraag heb ik over de verhouding van dit wetsvoorstel en het komende wetsvoorstel tot Europeesrechtelijke regels. Die vraag moet natuurlijk gesteld worden. Kijk bijvoorbeeld naar de Eurodacverordening. Die gaat in op 12 juni 2026. Daarin gaat het ook over de verwerking van biometrische gegevens. Hoe verhoudt die verordening zich tot de wetgeving die hier voorligt?
Voorzitter. Ik zie dat de commissie van de Tweede Kamer vragen had gesteld en ook een technische briefing met alle ketenpartners had voorgesteld over hoe dit wetsvoorstel zich tot die andere zaken verhoudt. Daar is het niet van gekomen. Dat hadden wij in de Eerste Kamer anders heel graag willen doen, zodat we ook de standpunten van de uitvoeringsorganisaties hadden kunnen meewegen. Dat is allemaal niet gebeurd. We hebben wel een brief van de IND gezien, van 19 februari, dus echt heel kort geleden, waarin allerlei rampspoed voor Nederland wordt aangekondigd als het wetsvoorstel niet aanvaard wordt. In Ter Apel zou alles in de soep lopen en allerlei gegevens zouden opeens vernietigd moeten worden. De vraag is: is dat echt zo? Dat vraag ik toch ook aan de minister: klopt het inderdaad dat dat de gevolgen zijn? Europese verordeningen regelen namelijk wel degelijk bepaalde dingen die niet vernietigd hoeven te worden. Graag een reflectie van de minister.
Mevrouw de voorzitter, ik ga afronden. Wij zijn zeer geïnteresseerd in het plan van de minister voor het nieuwe wetsvoorstel. We willen heel graag dat we dat deugdelijk in de Eerste Kamer kunnen behandelen. We willen graag dat het met spoed ingediend wordt, bijvoorbeeld voor het zomerreces.
Tot slot zou ik het volgende willen vragen, kijkend naar de brief van de IND. Stel dat IS-strijders vanuit kampen in Syrië deze kant op komen, maar dat 1 maart gepasseerd is en we geen wettelijke grondslag hebben. Is het dan zo dat mensen die allerlei kwaad in de zin zouden kunnen hebben, niet meer gecontroleerd kunnen worden? Wij voelen ons namelijk een beetje met de rug tegen de muur staan vanwege de spoed. Als het zo is, zouden wij dat een hele slechte zaak vinden. Daarom sluit ik af door te zeggen dat beide fracties op zichzelf — schoorvoetend en onder voorbehoud van redelijke antwoorden van de minister, zeg ik erbij — dan maar akkoord gaan met deze spoedprocedure en met een stemming vandaag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef nu graag het woord aan de heer Van Hattem van de PVV.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Felicitaties aan de minister voor zijn benoeming, en welkom hier in de Eerste Kamer.
Ik kan me eigenlijk voor een deel wel aansluiten bij enkele van de door de vorige sprekers genoemde kritiekpunten over de procedure. Het was inderdaad al twaalf jaar bekend dat de bestaande wet zou aflopen. Ook namens mij dus de vraag: had, mede gelet op de bekende gemiddelde doorlooptijden van wetgevingstrajecten en de positie die de Eerste Kamer heeft, het indienen van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer niet eerder dan eind november 2025 gekund? Daarmee is de Eerste Kamer een beetje voor het blok gezet. Wat de PVV betreft had het wetsvoorstel op zich gewoon afgehamerd kunnen worden, maar we lopen natuurlijk altijd het risico dat het onnodig lang gaat duren. We hebben nu het risico gelopen dat het over 1 maart heen zou moeten worden getild. Dat is zeer onwenselijk, ook gelet op de genoemde mogelijke vernietiging van gegevens. Waarom is er dus vanuit het ministerie niet eerder alertheid geweest op de positie van de Eerste Kamer? Waarom is de Eerste Kamer er niet eerder in het hele voorbereidingstraject proactief door het ministerie alert op gemaakt? Ik hoor het graag.
In de memorie van toelichting vallen ook een aantal zaken op. Zoals gezegd is in de memorie van toelichting al duidelijk aangegeven dat artikel 115 op 1 maart vervalt. Daarmee vervalt de nationale bevoegdheid om biometrische kenmerken af te nemen en te verwerken. Alle gezichtsopnames en vingerafdrukken die op basis van artikel 107 zijn opgenomen, moeten dan worden vernietigd. Dat moet met dit voorstel dus worden voorkomen. In de memorie van toelichting wordt ook duidelijk aangegeven dat partijen in de vreemdelingenketen het belang van de wet unaniem onderschrijven, en dat het gebruik van de geregistreerde biometrische gegevens een integraal onderdeel is van alle processen. Er wordt ook duidelijk aangegeven dat deze wet een aanvulling biedt op de diverse Europese ontwikkelingen, dus dat die daar niet voor in de plaats zou komen. Niet voor niets kregen we een brief van de directie van de IND. De zorgen die de IND uit, lijken mij wel terecht. Kan de minister bevestigen dat de EU-wetgeving niet volledig alle bevoegdheden afdekt, dat dit wetsvoorstel dus inderdaad noodzakelijk is, en dat we vanwege de deadline van 1 maart sowieso niet kunnen wachten tot de invoering van de nieuwe Eurodacverordening op 12 juni aanstaande, zoals door enkele partijen, waaronder de Raad van State, eerder werd gesuggereerd?
Ook lezen we in de memorie van toelichting dat de nationale politie erop gewezen heeft dat afname van biometrie van belang is in het kader van de nationale veiligheid. Ik citeer daaruit: "Hiermee kan worden voorkomen dat mogelijke terroristen onder de radar blijven door eerst een familielid vooruit te sturen dat geen link heeft met terroristische activiteiten, en zich hier vervolgens als dat familielid voor te doen. Deze belangen zijn relevant in relatie tot iedere vreemdeling die rechtmatig verblijf in Nederland verkrijgt, ongeacht op welke titel dat verblijf berust en of die titel voortvloeit uit nationale of Unierechtelijke bepalingen." Dat lijkt me een zeer belangrijk gegeven, omdat — daar werd net ook al aan gerefereerd — in de afgelopen periode, dus ook al voor 1 maart, mogelijk 20.000 IS-terroristen uit kamp Al-Hol in Syrië zijn vrijgelaten. Zij zijn dus mogelijk al in Europa aanwezig. Dat is een gevaar voor de nationale veiligheid, en ook voor onze territoriale integriteit. Terroristen, criminelen en gelukszoekers mogen hier nooit vrij spel krijgen. Alleen al daarom is het van belang dat deze gegevens bewaard kunnen worden.
Dan nog een ander punt. Uit de evaluatie, zo las ik, is gebleken dat in de praktijk de verificatie "aan de hand van biometrische gegevens in sommige gevallen wordt overgeslagen of alleen aan de hand van documenten plaatsvindt. Hierdoor bestaat het risico dat processen in gang worden gezet bij de verkeerde persoon, wat de kans op misbruik of fraude vergroot." Ik hoor graag wat de minister gaat doen om dit soort zaken te voorkomen en om de gegevens die er zijn effectief in te zetten waarvoor ze bedoeld zijn, zodat er niets tussen de regels door kan glippen.
Tot slot, voorzitter. Vernietiging van de gegevens zou een totale asielanarchie in de hand werken, terwijl we onze grenzen juist moeten beschermen en de asielinstroom moeten voorkomen. Daar wil de PVV graag op inzetten. Daarom zullen wij dit voorstel ook van harte steunen en er alles aan doen om er vandaag over te kunnen stemmen, zodat het voor 1 maart is afgedaan. Bij dezen nogmaals de opmerking dat de voorbereiding vanuit het ministerie in de toekomst beter en zorgvuldiger moet.
Ik wil graag afsluiten met een groot woord van dank aan de heer Dragstra, de griffier die zich in het voorbereidingsproces goed heeft ingezet om de commissie zo optimaal mogelijk in stelling te brengen. Heel veel dank.
Tot zover, voorzitter.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Vorige week woensdag ontving deze Kamer een brief van de toenmalig minister van Asiel en Migratie waarin staat dat wij vandaag dienen te stemmen over het wetsvoorstel waarover we nu spreken. Het gaat hierbij om een wetsvoorstel waarvan de behandeling in de Eerste Kamer nog niet eens is begonnen. Wat is de reden voor deze bestuurlijke overval? Wanneer wij niet voor 1 maart instemmen met deze wet zouden alle biometrische gegevens van vreemdelingen vernietigd moeten worden, met desastreuze gevolgen. Wij zijn blij dat de nieuwe minister van Asiel en Migratie, die wij van harte feliciteren met zijn benoeming, slechts één dag na zijn aantreden in staat is om tekst en uitleg te geven over deze gang van zaken.
Voorzitter. Mijn fractie vindt deze gang van zaken echt onbegrijpelijk en dan druk ik mij nog voorzichtig uit. Het is toch niet zo dat het ministerie pas vorige week wist van de fatale termijn van 1 maart? Deze termijn, die samenhangt met de horizonbepaling in de wet, was toch al jarenlang bekend? Mijn eerste vraag aan de minister is: wat is de reden dat er geen tijd is genomen voor een zorgvuldige behandeling in de Eerste en Tweede Kamer? Ik moet het eigenlijk andersom zeggen: in de Tweede en Eerste Kamer. En waarom worden wij op zo'n laat moment, halverwege het reces, op de hoogte gebracht van de noodzaak om de wet zonder verdere behandeling aan te nemen? Graag een reactie van de minister.
Mijn fractie begrijpt dat het eerder de bedoeling was dat de Tweede Kamer over deze wet zou debatteren. Op het laatste moment is over het wetsvoorstel gestemd zonder dat er een debat heeft plaatsgevonden. Naar mijn fractie begrijpt hangt dit samen met de informele toezegging dat er zo spoedig mogelijk een nieuw wetsvoorstel met een nieuwe horizonbepaling aan de Kamer zal worden toegezonden. Voor mijn fractie is een informele toezegging zonder deadline niet voldoende. Wij hebben behoefte aan een duidelijke en harde toezegging. Op welke termijn kunnen we een nieuw wetsvoorstel met horizonbepaling verwachten? Wat ons betreft gebeurt dat het liefst nog voor het zomerreces. Kan de minister dat toezeggen?
Daarnaast heeft mijn fractie nog enkele inhoudelijke vragen. Er is enige overlap met eerdere sprekers, maar laat ik de vragen toch maar opnieuw stellen namens mijn fractie. Zowel de Raad van State als de Autoriteit Persoonsgegevens heeft kritische opmerkingen geplaatst bij dit wetsvoorstel. De Autoriteit Persoonsgegevens meent dat een voortzetting van deze wetgeving, gegeven de huidige omstandigheden, strijdig is met het hogere recht. Kan de minister toelichten waarom er bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel voor is gekozen om de horizonbepaling uit de wet te halen in plaats van om die opnieuw te verlengen? Kan de minister toezeggen dat hij in het komende wetsvoorstel rekening zal houden met de zorgen van zowel de Raad van State als de Autoriteit Persoonsgegevens en dat hij zich uitgebreider zal verhouden tot de noodzaak om een database met biometrische gegevens te laten bestaan? Kan de minister toezeggen dat hij daarbij ook zal ingaan op de verhouding tot het Europees recht en dat hij daarbij onderscheid zal maken tussen situaties waarvoor de Europese wetgever al uitputtende regels heeft vastgelegd, situaties waarvoor de Europese wetgever nog geen regels heeft gesteld en situaties waarvoor de Europese wetgever heeft voorzien in beperktere mogelijkheden voor het verwerken van biometrische gegevens?
Tot slot, voorzitter, vraagt mijn fractie aandacht voor de zogenaamde CATCH Vreemdelingendatabase. Naar aanleiding van kritiek van de Raad van State is er een verkenning gestart naar de rechtmatigheid van deze database. Uit de eerste resultaten van deze verkenning blijkt volgens de toenmalige minister dat de huidige praktijk niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en noodzakelijkheid. Ook ontbreekt volgens de regering de wettelijke grondslag voor het verwerken van biometrische gegevens van alle vreemdelingen in CATCH Vreemdelingen ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Mevrouw Karimi heeft hier uitgebreid naar verwezen in haar bijdrage. Na deze toch wel alarmerende conclusie merkte de toenmalige minister op dat de verkenning pas in het vierde kwartaal zal zijn afgerond. Onze laatste vraag aan de minister is de volgende. Is het mogelijk dat de regering, zoals ook de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing van de Tweede Kamer adviseert, eerder een oplossing vindt voor de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens in de CATCH Vreemdelingendatabase? En kan de minister zich daarvoor inzetten?
Voorzitter. Mijn fractie kijkt met grote interesse uit naar de beantwoording van de minister.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Op zijn tweede werkdag is deze minister niet te benijden. Geconfronteerd met een mogelijk eindige bevoegdheid met betrekking tot biomedische gegevens moet hij nu ineens alle zeilen bijzetten om ons van de noodzaak van deze noodgreep te overtuigen. Welkom in de chambre de réflexion, die vandaag eigenlijk niet zo erg veel kan bezinnen.
Mijn collega's hebben de ministers natuurlijk al gevraagd hoe het nu kon gebeuren dat wij de voorliggende wet met stoom en kokend water moeten behandelen. Ik had even een déjà vu. Dit is niet de eerste keer dat wij in een paar dagen tijd een wet door de Tweede en Eerste Kamer te behandelen en te publiceren hebben. Maar dat was een wet over naked short selling. Misschien herinnert de minister zich nog de totale paniek in Nederland toen er in een paar dagen tijd een wet werd behandeld. Maar we moeten wel zeggen: dat ging louter over geld. Dit gaat over mensen en over mensenrechten. Dan wordt het toch een ander verhaal. Klopt het nu — ik zou wel graag van de minister horen of dat waar is — dat ook de commissie constitutionele toetsing mogelijk een vertragende factor is geweest? Dat kwam dan waarschijnlijk omdat het gewoon nog een beetje wennen was aan die commissie, want daar is veel tijd aan besteed in de Tweede Kamer. Wij horen graag van de minister wat de rol van de commissie is geweest.
Laat mij namens het CDA vandaag vooral gezegd hebben dat wij de noodkreet van de IND zwaar zullen laten wegen. Die komt er kort gezegd op neer dat deze wet beslist nodig is om te voorkomen dat we nauwelijks meer iets kunnen met biometrie in de vreemdelingenketen. Dat zou dramatisch zijn, aldus de IND. Maar we zijn ook niet doof en blind voor de kritische geluiden die zijn opgetekend door bijvoorbeeld het WODC: "Of het uiteindelijke doel van de wet wordt behaald, het verbeteren van de identiteitsvaststelling van vreemdelingen, kon ook in de derde evaluatie niet worden vastgesteld." Dat zou te maken hebben met onder meer de wijze van registratie van identiteitsfraude. Wordt daar nu ook daadwerkelijk iets in verbeterd? Dat horen wij graag van deze minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen van de fractie van 50PLUS.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Mijn fractie heet de minister bijzonder welkom op zijn tweede werkdag en feliciteert hem met zijn benoeming. De 50PLUS-fractie betreurt het dat een wetsvoorstel met stoom en kokend water behandeld moet worden. Dat komt een zorgvuldige behandeling nooit ten goede. Maar in dit geval is het helaas noodzakelijk, omdat het voormalige kabinet dit wetsvoorstel veel te laat heeft ingediend bij de Tweede Kamer, namelijk op 19 november vorig jaar. De Tweede Kamer heeft er na een snelle behandeling, waarvoor zij te prijzen is, voor gezorgd dat het thans bij ons ligt. Onze Kamer wordt geconfronteerd met de deadline dat het wetsvoorstel op 1 maart in werking moet zijn, en dat is voor onze volgende vergaderdag. De vorige minister heeft dit wetsontwerp zelf tot spoed gemaakt door er een deadline aan te koppelen.
Op het moment dat bevoegdheden die bij wet zijn bepaald vervallen — het gaat in casu om de bevoegdheid van de minister tot het verzamelen van gezichtsopnames en vingerafdrukken van vreemdelingen — vervalt ook de bevoegdheid om reeds verzamelde data te bewaren. Let wel: dat betekent dat alle verzamelde biometrie van vreemdelingen in de afgelopen twaalf jaar en drie maanden moet worden vernietigd en na 1 maart aanstaande ook niet meer mag worden afgenomen. Ik verwijs ook naar de eerdergenoemde brief van de IND van 17 februari, waarin wordt gewaarschuwd voor de zeer vergaande consequenties. Of zijn er — dat is een vraag aan de minister namens mijn fractie — Europese regels die vernietiging van de gegevens kunnen voorkomen, mocht het wetsontwerp nu niet worden aanvaard? Graag een reactie. Voor mijn fractie zou dat vernietigen overigens een onaanvaardbare verspilling van publieke gelden en menskracht betekenen. Die investeringen met gemeenschapsgelden zijn gedaan om misbruik en identiteitsfraude te voorkomen of op te lossen.
De handelwijze van het vorige kabinet deugt van geen kanten. We staan met de rug tegen de muur. We staan voor het blok. Eens, maar niet meer. De senaat kan anders haar wetgevende taak niet uitoefenen. De Eerste Kamer is geen stempelkamer of stempelbureau — dat is er alleen bij de verkiezingen. Nood breekt wetten, maar niet op deze manier. Het is voor 50PLUS zonneklaar dat dit voorliggende wetsvoorstel heden ter stemming moet worden gebracht en hopelijk wordt aangenomen; dat is bitter hard nodig.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Lievense van de fractie van de BBB.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter. De Wet biometrie in de vreemdelingenketen uit 2014 heeft het gebruik van biometrische gegevens uitgebreid om identiteitsvaststelling te verbeteren. Dat was indertijd een bewuste keuze. Biometrie is, zoals we al lang weten, nauwkeurig en betrouwbaar, en beperkt identiteitsfraude aanzienlijk. In artikel 115 van de wet is echter vastgelegd dat deze bevoegdheid per 1 maart vervalt. Zonder nieuwe wetgeving moet alles vernietigd worden. Het voorliggende wetsvoorstel voorkomt dat.
Voorzitter. Ik luister naar al onze collega's en denk: er was maar één spreker geweest als we net iets meer voorbereidingstijd hadden gehad, want die had dan namens alle partijen kunnen spreken.
De derde evaluatie verscheen op 26 juli 2024. De Kamers zijn hierover geïnformeerd in november 2024. De conclusie was duidelijk: deze wet vormt een essentiële juridische basis voor biometrie in de vreemdelingenketen. Toch is het wetsvoorstel pas in november 2025 bij de Kamer ingediend. De voorgaande sprekers, de collega's, gaven dit tijdspad ook allemaal aan: dat was ruim een jaar later en slechts enkele maanden voor het vervallen van de bevoegdheid. Namens de fractie van de BBB stel ik, net als iedere andere collega-fractie, daarom de vraag: waarom zo laat? Als in juli 2024 al duidelijk is dat de bevoegdheid essentieel is en in maart 2026 vervalt, waarom wordt er op dat moment dan niet voortvarender gehandeld? Wij behandelen nu wetgeving onder tijdsdruk, terwijl het gaat om bevoegdheden die raken aan fundamentele rechten en gegevensbescherming, zoals mijn collega van GroenLinks-Partij van de Arbeid helder uiteenzette in haar betoog. Dat is bestuurlijk onwenselijk.
Voorzitter. Inhoudelijk bezien is deze bevoegdheid juridisch verdedigbaar: het doel is legitiem, er gelden bewaartermijnen en verstrekking voor opsporing vereist zware voorwaarden. Dat maakt de regeling in beginsel proportioneel, maar proportionaliteit vraagt ook zorgvuldigheid in uitvoering. Ik ben heel erg benieuwd naar de beantwoording, ook van de vragen van collega Karimi over de opslag.
Voorzitter. Ik heb enkele vragen aan de minister. Waarom is niet direct na de evaluatie gestart met de wetgeving? Welke belemmeringen waren er op dat moment? Hoe wordt voorkomen dat bij andere of toekomstige wetgeving met horizonbepalingen, opnieuw tijdsdruk kan ontstaan?
Voorzitter. De inhoud van dit voorstel lijkt noodzakelijk en juridisch houdbaar, maar de totstandkoming roept, zoals ook eerder bij mijn collega, vragen op. Rechtszekerheid vraagt niet alleen om goede wetgeving, maar ook om goed bestuur.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Kaljouw van de fractie van de VVD.
Mevrouw Kaljouw i (VVD):
Voorzitter. In de eerste plaats wil mijn fractie de kersverse minister van harte feliciteren met zijn installatie, die gisteren plaatsvond. Ik wil de minister ook graag feliciteren met het feit dat het zijn eerste optreden in onze Kamer is. Het zal niet zo vaak voorkomen, denk ik, dat een net beëdigde minister per direct een debat in de Eerste Kamer voert.
Voorzitter. Het gaat vandaag over de Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen. Dan praten we over gezichtsopnames en vingerafdrukken bij vreemdelingen. Deze bevoegdheden zijn van groot belang voor de uitvoering.
Voorzitter. Mijn fractie voelt zich ongemakkelijk bij deze procedure, of eigenlijk het ontbreken hiervan. Met andere woorden, we zijn er niet blij mee. Maar we hebben wel oog voor de noodzaak. De gevolgen van het niet in werking treden van deze wet zijn desastreus. Per 1 maart valt dan de wettelijke grondslag weg, zodat aanvragen voor verblijfsvergunningen, gezinsmigratie en studie niet meer behandeld kunnen worden. Bovendien moet dan alle opgeslagen biometrie in de vreemdelingenadministratie vernietigd worden. Dit heeft, zoals iedereen begrijpt, ernstige gevolgen, waaronder vertraging in de behandeling van aanvragen van verblijfsvergunningen.
Het feit dat de noodzaak om deze wet aan te nemen voor mijn fractie onomstreden is en het feit dat de minister heeft toegezegd snel met nieuwe zorgvuldige wetgeving te komen, geven mijn fractie voldoende comfort om voor deze wet te stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de SP.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter. Welkom aan de minister en gefeliciteerd. Het slechte nieuws is dat hij vandaag meteen moet proberen hier iets te repareren. Het goede nieuws is dat Asiel en Migratie weer onder de eindverantwoordelijkheid valt van de uiteindelijk bestuurlijk verantwoordelijke minister op het departement. In dit geval was en is dat de minister die dit wetsvoorstel ondoordacht en veel te laat bij het parlement heeft ingediend: minister Van Weel.
Voorzitter. De Volkskrant bracht gister een bericht over de terugkeer van Asiel en Migratie op het ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarbij werd ook verwezen naar de bijnaam van minister Van Weel, die in het vorige kabinet naast het zijn van minister van Buitenlandse Zaken het ministerie van Asiel en Migratie erbij deed. Het leverde hem de bijnaam "minister Van Veel" op. Wat mijn fractie betreft zou "minister Van Teveel" een betere naam geweest zijn, want wat een bestuurlijk gepruts moeten wij hier vandaag rechtbreien! Ik benoem het maar zoals mijn fractie het voelt. Hoe kunnen wij als Eerste Kamer worden geacht ons werk te doen, namelijk het zorgvuldig toetsen van wetgeving, als een horizonbepaling een paar maanden, paar weken, paar dagen voor de vervaldatum wordt opgemerkt? Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe werkt dit op het ministerie? Hoe werkt dit bij de IND? Graag een reactie.
Voorzitter. Ons is op 18 februari door de minister verzocht om dit wetsvoorstel op 24 februari te behandelen en er op dezelfde dag nog over te stemmen. Het gaat om een wetsvoorstel dat advies c van de Raad van State heeft gekregen. Het is een wetsvoorstel dat zo veel vragen oproept dat de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing van de Tweede Kamer het advieswaardig vindt. Dat advies ligt nog niet voor. Mijn fractie vindt dat zeer problematisch. Er is een brief van 17 februari van de directeur-generaal van de IND aan de minister met het verzoek deze door te sturen naar de Eerste Kamer. Deze brief schetst de gevolgen van het niet-aannemen en -publiceren van deze wet voor 1 maart 2026. Mijn vraag aan de minister is of een soortgelijke brief ook door de directeur-generaal van de IND aan de minister is gestuurd met het verzoek deze door te geleiden naar de Tweede Kamer. Zo nee, waarom is dat niet gebeurd? Was de urgentie nog niet duidelijk? Is de in de brief geschetste rampspoed werkelijk zo ongenuanceerd hard en voor honderd procent afhankelijk van deze wet, is ook mijn vraag aan de minister.
Waarom is er, toen duidelijk werd dat de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede en Eerste Kamer gelet op de tijd voor een probleem zou kunnen zorgen, niet voor gekozen om met spoed een voorstel in te dienen om alleen de datum van de horizonbepaling te wijzigen in plaats van er een inhoudelijk wetsvoorstel van te maken? Waarom is dat eenregelige wetsvoorstel niet gewoon als hamerstuk door de Tweede en Eerste Kamer gehaald, zodat wij wat nu voorligt op een zorgvuldige manier hadden kunnen behandelen?
Dat brengt mij op een aantal inhoudelijke opmerkingen en de vragen van mijn fractie. De Raad van State heeft veel vragen en opmerkingen, maar op een cruciale vraag van de Afdeling advisering van de Raad van State komt een wat mijn fractie betreft zeer verontrustend antwoord van de regering. "De Afdeling adviseert om toe te lichten op basis van welke juridische grondslag het verwerken van gegevens in CATCH-vreemdelingen plaatsvindt, de noodzakelijkheid van deze gegevensverwerking dragend te motiveren en de bewaartermijnen voor de opslag van gezichtsopnamen in CATCH-vreemdelingen wettelijk te regelen. Indien dit niet mogelijk is, adviseert de Afdeling om de verwerking van deze gegevens in deze vorm aan te passen of stop te zetten." Wat doet de regering hiermee? Komt zij met die juridische grondslag, die dragende motivering? Zo niet, wordt de verwerking dan aangepast of stopgezet? Nee, dat gebeurt beide niet; de regering doet het een noch het ander. De regering komt met de aankondiging van een verkenning en volgt het dringende advies van de Raad van State niet op.
Er wordt een verkenning aangekondigd waarbij het uitgangspunt is dat de verwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen in ieder geval zou moeten voldoen aan de eisen die de AVG daaraan stelt. Maar wat zegt de minister hier nu eigenlijk? Betekent dit dat de regering een verkenning doet naar hoe haar handelen in de toekomst kan gaan voldoen aan nu al geldende wetgeving waar iedereen zich al aan moet houden? Is dat wat de minister zegt? Graag hoor ik een ja of een nee van de minister op deze vraag. Mijn vraag is of dit dan betekent dat wij vandaag een wetsvoorstel voor hebben liggen waarvan de regering weet dat de uitvoering ervan in strijd is met de AVG. Graag hoor ik een reactie daarop.
Voorzitter. De vraag die zich ook opdringt, is hoe dit paniekwetsvoorstel past in de komende wijzigingen. Anderen verwezen ook al naar de wijzigingen in Eurodac, die in juni in werking treden. Andere wijzigingen op het gebied van in- en uitreizen en de registratie daarvan treden al eerder in werking, in april. Graag hoor ik ook op dit punt een toelichting van de minister.
Voorzitter. Er gebeurt veel op het gebied van het afnemen, registreren en opslaan van persoonsgegevens; niet alleen van die van vreemdelingen, maar in het algemeen van die van alle burgers. In dit geval gaat het dus om die van vreemdelingen. Terecht zijn ook de European Data Protection Supervisor en de European Data Protection Board hier heel erg kritisch op. Mijn vraag aan de minister is of ook bij dit wetsvoorstel naar die kritische opmerkingen en aanbevelingen is gekeken. Ik vrees echter het ergste, omdat onze eigen Autoriteit Persoonsgegevens ook niet vooraan heeft gestaan in de consultatie bij dit wetsvoorstel.
Voorzitter, afrondend. In coronatijd hebben wij als Eerste Kamer steeds klaargestaan om, als de nood aan de man kwam, te vergaderen en te besluiten. Ik herinner mij een wetsvoorstel waarover wij in het februarireces op een vrijdag met minister Grapperhaus hebben gedebatteerd en ook hebben gestemd. De nood was aan de man. Maar de procedure waar wij nu in zijn gemanoeuvreerd met dit bestuurlijke gepruts van het kabinet, en deze manier om dat nu op te lossen, zijn voor mijn fractie van een heel andere categorie. Een zorgvuldige behandeling wordt ons onmogelijk gemaakt en er zijn grote, inhoudelijke bezwaren die om antwoorden vragen. Het mogelijk instemmen met deze wet is voor mijn fractie dan ook een zeer hoge drempel, zeg ik nu maar. Ik kan niet op voorhand zeggen of we over die drempel heen zullen gaan, maar ik kijk uit naar de beantwoording door de minister.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank, voorzitter. Ook namens mijn fractie van harte welkom aan de minister in de Eerste Kamer.
Mijn fractie, die de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in de Eerste Kamer, sluit zich aan bij de opmerkingen van eerdere sprekers over de problematische besluitvormingsprocedure van deze wet en bij hun inhoudelijke opmerkingen en vragen, vooral die van mevrouw Karimi, de heer Dittrich, mevrouw Huizinga-Heringa en de heer Janssen.
Kortheidshalve heb ik twee aanvullende vragen aan de minister. Ik ben op zoek naar toezeggingen van de minister op deze twee punten. Ten eerste maak ik me met veel collega's zorgen over het voorstel in de wet om de horizonbepaling te verwijderen en de bevoegdheden permanent te maken. De minister heeft in de Tweede Kamer de toezegging gedaan om voor de zomer met een nieuw wetsvoorstel te komen waarmee de horizonbepaling weer zou worden opgenomen in de wet. Dat zou de pijn enigszins verzachten, maar we nemen met dit proces een enorm risico, want een meerderheid voor deze — zo noem ik hem maar — herstelwet in de Tweede en Eerste Kamer is niet gegarandeerd. Ik zou de minister willen vragen om toe te zeggen deze herstelwet, zoals ik hem noem, zo rechtdoorzee mogelijk te maken en een wetsvoorstel voor te bereiden dat alleen de horizonbepaling regelt, en niet allerlei andere zaken mee te nemen in dit wetsvoorstel. Zodoende wordt de kans op een meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer zo groot mogelijk.
Ten tweede zou ik de minister willen vragen om dit wetsvoorstel zo snel mogelijk voor te bereiden. Het zou deze week naar de ministerraad kunnen, want het is tenslotte maar één zin. Het hoeft dus echt niet lang te duren. Daarmee kunnen we de pijnlijke procedurefouten in dit dossier zo snel mogelijk achter ons laten. Met deze werkwijze, op basis van deze twee toezeggingen, wordt het risico zo klein mogelijk gehouden en hebben we voldoende tijd om de inhoudelijke aspecten van de wet zorgvuldig te behandelen en deze problemen aan te pakken op basis van een apart wetsvoorstel dat, wat mijn fractie betreft, ook voor de zomer zou kunnen worden behandeld. Ik kijk uit naar de reactie van de minister.
Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren.
De heer Koffeman i (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil de minister ook hartelijk welkom heten namens de Partij voor de Dierenfractie. We leven mee met de problemen waarmee hij meteen geconfronteerd wordt.
Voorzitter. In deze Kamer beoordelen wij wetgeving op kwaliteit, uitvoerbaarheid en bovenal verenigbaarheid met de rechtsstaat. De Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen vraagt juist om een indringende toets. Het gaat hier om de structurele en langdurige opslag van biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en gezichtsopnames, van mensen waartegen geen strafrechtelijke verdenking bestaat. Biometrie is bij uitstek gevoelige informatie, want die is uniek, onveranderlijk en direct verbonden met de lichamelijke integriteit. Een datalek of oneigenlijk gebruik is onomkeerbaar. Kan de minister aangeven waar de gegevens worden opgeslagen en welke garanties hij daaraan kan verbinden? In welke cloud komen ze terecht?
Met dit wetsvoorstel wordt een tijdelijke praktijk permanent gemaakt. Dat is geen louter technische exercitie, maar een fundamentele keuze over de verhouding tussen Staat en individu, en over een duidelijk ongelijkwaardige behandeling van vreemdelingen en Nederlanders waar het gaat om de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer en de rechten die aan de AVG ontleend kunnen worden.
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing wijst erop dat bij wetgeving die diep ingrijpt in grondrechten een expliciete proportionaliteits- en subsidiariteitstoets onmisbaar is. Die waarschuwing is in deze context des te relevanter, want het structureel opslaan van biometrische gegevens van een brede groep vreemdelingen betekent dat wij een specifieke categorie mensen bij voorbaat onder een regime van intensief datatoezicht plaatsen.
Voorzitter. De vraag die hier voorligt is niet alleen of er een wettelijke grondslag wordt gecreëerd. De vraag is of die grondslag materieel gerechtvaardigd is. Is langdurige opslag noodzakelijk? Zijn de doelen strikt begrensd? Is het risico van function creep, het geleidelijk verbreden van gebruik, daadwerkelijk ondervangen? Zijn de bewaartermijnen proportioneel in het licht van artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet?
Problematisch is ook de CATCH-database. De regering heeft toegegeven dat het onrechtmatig is dat de gegevens van alle vreemdelingen in deze database worden opgeslagen ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Kan de minister aangeven hoe hij deze problemen wil oplossen? Hoe ziet hij dit in relatie tot de gewijzigde Eurodacverordening die op 12 juni 2026 van toepassing wordt, en ook voorziet in mogelijkheden voor het verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingen voor het opsporen en vervolgen van ernstige strafbare feiten?
Voorzitter. De Eerste Kamer is geen politiek forum, maar een constitutionele weegkamer. We hebben niet de mogelijkheid tot constitutionele toetsing achteraf. Wat wij hier aanvaarden, geldt als geldend recht. Dat legt een bijzondere verantwoordelijkheid op ons om scherp te kijken naar noodzaak, proportionaliteit en rechtsstatelijke begrenzing. De Partij voor de Dieren vraagt de minister daarom om een nadere expliciete motivering van de proportionaliteit van bewaartermijnen, om waarborgen tegen doorverschuiving en misbruik, en om redenen waarom minder ingrijpende alternatieven niet toereikend zouden zijn. Wij vragen of de minister erkent dat de door zijn voorganger veroorzaakte tijdsdruk de zorgvuldigheid van het constitutionele debat onder druk heeft gezet.
Voorzitter. Het kabinet confronteert de Eerste Kamer met een catch 22. Juist in het vreemdelingenrecht, waarbij het gaat om mensen in een afhankelijke en kwetsbare positie, behoort de rechtsstatelijke lat hoger te liggen, niet lager. Maar het kabinet vraagt ons met het pistool van tijdsdruk op de borst om de lat lager te leggen. Het gaat hier om de opslag van gevoelige persoonsgegevens van een kwetsbare groep, waarbij fundamentele grondrechten met voeten getreden worden, met een beroep op wettelijke bepalingen en termijnen. Wanneer de minister niet met bevredigende antwoorden komt, zien wij ons genoodzaakt om tegen deze wet te stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de nieuwe minister van asiel en immigratie. Welkom in de Eerste Kamer.
Vandaag bespreken wij niet de noodzaak voor een bestendiging van de bevoegdheden omtrent biometrische gegevens van vreemdelingen. Nee, we hebben het hier over het onzorgvuldig aannemen van het amendement voor een horizonbepaling met het oog op bescherming van de privacy. Waarom hebben partijen de continuïteit van dit uiterst effectieve handhavingsmiddel tegen strafbaarheden van vreemdelingen af laten hangen van een reeks onuitvoerbare evaluaties? Er wordt vandaag terecht schande gesproken over de procedure van deze wetgeving, terwijl het een schande is dat deze wet vandaag überhaupt behandeld dient te worden. Het amendement had nooit aangenomen moeten worden. Na het maken van deze fout hadden wij dit hier vandaag gewoon kunnen afhameren.
Voorzitter. Er is geen nulmeting. Wat overblijft zijn de resultaten met de kennis van nu: 290 gevallen van identiteitsfraude in 2022. Dit wordt "beperkt" genoemd, terwijl dit dus met het gebruik van biometrische gegevens is. Kan de minister aangeven waar deze kwalificatie "beperkt" op is gebaseerd? Kan deze nieuwe minister van asiel en immigratie aangeven hoeveel gevallen van identiteitsfraude blijkbaar acceptabel zijn volgens het ministerie? Dat is een nulmeting die voor ons wenselijk en wél haalbaar is.
Voorzitter. Forum voor Democratie is in principe tegen het vastleggen van data, in het bijzonder persoonsgegevens die kunnen worden gebruikt voor het sturen van gedrag, het volgen van mensen of het controleren van bevolkingsgroepen. Het gevaar schuilt in het beschikbaar hebben van data in combinatie met het gebruik van algoritmen om te controleren en te sturen. We zagen waar dit toe leidde in de toeslagenaffaire.
Maar Forum voor Democratie is ook voor het stoppen van de asielinstroom en het bevorderen van remigratie: niet dwingen maar faciliteren dat mensen weer terugkeren naar hun landen van herkomst waar ze in hun eigen cultuur een veilig bestaan kunnen opbouwen, desnoods met opstarthulp. Dan moet hier echter een sluitend systeem voor zijn dat ook voorkomt dat terugkeerders zich opnieuw, zonder identiteitspapieren, melden aan onze grens en opnieuw asiel aanvragen. Biometrische gegevens van vreemdelingen zijn daarom op dit moment essentieel voor het bewaken van onze grenzen. Alleen om deze reden is Forum voor Democratie tegen het verlopen van de bewaartermijn van biometrische gegevens. Wij zullen voor de bestendiging stemmen en elke vorm van horizonbepaling verwerpen.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de leden nog het woord in de eerste termijn? Dat is niet het geval. Dan schors ik tot 17.45 uur. Dat geeft de minister tijd om de antwoorden voor te bereiden, en dat geeft u de tijd om naar de commissies te gaan en om te eten. Om 17.45 uur gaan we door met de rest van het debat en ik hoop dat we rond 20.00 uur kunnen stemmen, als dat gewenst is.
De vergadering wordt van 15.42 uur tot 17.47 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering, want wij zijn toe aan het antwoord van de regering in eerste termijn. Ik geef het woord aan de minister van Asiel en Migratie.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter. Het is al door velen gezegd: het is niet gebruikelijk om hier als minister al na één dag te staan. Ik kan er zeker eerlijk over zijn dat ik me dat dus ook wel wat anders had voorgesteld. Volgens mij is het ook niet heel gebruikelijk om al zo intensief met senatoren te bellen als je nog niet eens beëdigd bent. Het deed me een beetje denken aan mijn vroegere baan als politiek assistent, waarbij dat heel gebruikelijk was. In deze rol is het toch wat ongebruikelijker, maar we zullen maar zeggen dat het voor het goede doel is.
Als voormalig Kamerlid begrijp ik natuurlijk ook het belang van een zorgvuldig proces. Ik weet hoe belangrijk het is om de tijd te kunnen nemen om belangrijk werk als wetgever goed uit te kunnen voeren. Ook als bewindspersoon hecht ik hier sterk aan. Ik hoop dat het niet nog een keer zal voorkomen dat de procedure zo verloopt. Er is natuurlijk al veel contact geweest tussen mij en u, en tussen mijn voorganger of zijn medewerkers en u. Laat ik herhalen wat ik in diverse gesprekken heb aangegeven: ik begrijp de kritiek op deze situatie. Als antwoord op vragen van verschillende senatoren zeg ik dat ik ook denk dat er eerder contact met de Eerste Kamer gelegd had kunnen worden, op het moment dat voorafgaand aan de Tweede Kamerbehandeling duidelijk werd dat dit in de knel zou gaan lopen. Ik kan niet anders dan constateren dat het om verschillende redenen te lang heeft geduurd voordat dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer lag. Nu is het vijf voor twaalf.
Ik wil ook nogmaals mijn grote waardering uitspreken voor het feit dat uw Kamer niettemin bereid is geweest om mij vandaag in de gelegenheid te stellen om met u in debat te gaan. Hopelijk is dat een basis voor het verantwoordelijkheidsgevoel, waarvan ik zeker weet dat u dat heeft, en voor de manier waarop ik met u hoop samen te werken in de komende jaren. Ik hecht namelijk zeer aan de rol van de Kamers. Zoals gezegd verdient het geen schoonheidsprijs, maar als we er vandaag in slagen om dit wetsvoorstel verder te brengen, dan is het mijn overtuiging dat we hiermee onze uitvoeringsorganisaties een grote dienst bewijzen en dat het ten goede komt aan de veiligheid van Nederland.
Dat wil ik graag toelichten. Op 1 maart vervalt namelijk de nationale bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken in het kader van de uitvoering van de Vreemdelingenwet. Ook moeten dan de biometrische gegevens van vreemdelingen die op basis van deze bevoegdheid zijn afgenomen, worden vernietigd. Dat is een onomkeerbaar proces en zal tot grote problemen leiden bij de IND. Daarnaast zijn er nadelige gevolgen voor de aanvragen. Die hebben we misschien niet zozeer in beeld in de bespreking van vandaag, maar ook voor aanvragers zal gelden dat procedures daardoor nog langer zullen duren, omdat verificatieprocessen veel complexer worden. Dit wetsvoorstel dient dat te voorkomen.
Biometrie is binnen de vreemdelingenketen het enige objectieve identificatiemiddel en wordt gebruikt door alle ketenpartners. Daarmee vormt het de basis van alle kernprocessen voor de IND. U moet dan niet alleen denken aan de verificatie van de identiteitsvaststelling in het kader van de asielaanvraag, maar ook aan de reguliere asielaanvraag, toezicht en vertrek. Bij een asielaanvraag wordt bijvoorbeeld gecontroleerd of iemand is wie hij zegt te zijn en of iemand eerder onder een andere identiteit in Nederland is geregistreerd. De nationale bevoegdheden zijn dan ook onmisbaar voor de vreemdelingenketen. Ook is het de enige manier om buiten de Europese regelingen biometrische gegevens van vreemdelingen nationaal op te slaan en te gebruiken. Ik hoop dat ik daarmee duidelijkheid heb geboden over het belang van het vandaag, en dus voor 1 maart, behandelen van deze wet.
Dat neemt echter niet weg dat uw kritiek op het proces terecht is. Ik deel dan ook de wens om deze materie met een langere procedure opnieuw met u te bespreken. Gedane zaken nemen geen keer, maar ik kan u wel toezeggen dat ik bij u terugkom met een nieuw wetsvoorstel, waarmee de nationale bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken weer een tijdelijk karakter krijgt. Dat is dus niet een toezegging achter de schermen, maar een toezegging voor de schermen van mij als minister, hier in de plenaire zaal van de Eerste Kamer. Dat wetsvoorstel zal ik uiteraard zo snel mogelijk indienen. Ik ben bang dat dat dus mijn eerste wetsvoorstel gaat worden. Nadat mijn eerste keer hier, nu, hierover gaat, zal ook mijn eerste eigen wetsvoorstel hierover gaan. Hopelijk volgen er ook nog wat betere voorstellen dan deze. Mijn inzet is om het nog voor de zomer bij de Tweede Kamer in te dienen.
Nadat ik de vraag van mevrouw Karimi over mijn persoonlijke motivatie en mijn ambities op dit vlak heb beantwoord, ga ik over tot een aantal vragen die ook nog zijn gesteld. Laat ik, voordat ik het hele coalitieakkoord ga voorlezen — dat is een beetje te veel — zeggen dat ik denk dat het asieldebat in Nederland het verdient dat we het tot rust brengen en dat de polarisatie eruit wordt gehaald, dat we de uitvoeringsorganisaties in staat stellen om voorspelbaar beleid te voeren dat langjarig gefinancierd is en dat we tegelijkertijd een antwoord geven op de onrust die er ook al jarenlang is in de samenleving. Dat gaat wat mij betreft langs een aantal lijnen. Dat zal gaan langs de lijn van het beperken van de instroom, het op orde brengen van de opvangketen en het sneller laten participeren in onze samenleving van mensen die mogen blijven, door onze integratie sterk te verbeteren. Dat is mijn persoonlijke inzet. Daarover hoop ik nog vaak met u in gesprek te komen. Dat zal zo zijn, want u heeft volgens mij net een commissievergadering afgerond waarbij een aantal van de wetsvoorstellen die hier ook al liggen, werden behandeld.
Dan zeg ik even iets over het proces. Er is een vraag gesteld over de wijze waarop we hier zijn gekomen. Het originele wetsvoorstel is natuurlijk al uit 2012, of was het in 2014? Het was ergens in die hoek, in 2014 volgens mij. Daarna zijn er allerlei evaluaties geweest. De laatste was in 2023 en is opgeleverd in juli 2024. Dat was het moment dat het vorige kabinet aantrad. Ik denk dus dat die evaluatie er ongeveer lag op het moment dat het kabinet startte. Ik ben vandaag bedolven onder allerlei stukken en nieuwe zaken en dat zal ook voor het vorige kabinet gegolden hebben. Er is op een later moment op basis hiervan besloten om dit wetsvoorstel in te dienen. Daarvoor zijn alle stappen doorlopen. Het is eind april 2025 in consultatie gebracht, wat eind mei 2025 eindigde. Daarna zijn gewoon de stappen van de Raad van State doorlopen: het advies van de Raad van State en het nader rapport. Toen, in november 2025, is het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer, met de oproep tot een spoedige behandeling vanwege die deadline.
Daarna hebben we de situatie gehad van net voor het reces in de Tweede Kamer, waardoor er te weinig tijd is geweest voor een zorgvuldige behandeling hier in deze Kamer. Dat kan ik op dit moment helaas ook niet repareren. Ik kan u alleen zeggen dat ik het zeer waardeer dat we er vandaag alsnog over kunnen spreken. Ook heeft meegespeeld — mevrouw Van Toorenburg van de CDA-fractie vroeg daarnaar — dat de behandeling door de tijdelijke commissie Grondrechten in de Tweede Kamer een nieuwe situatie brengt omdat er een aantal weken overheen gaat voordat er tot behandeling kan worden overgegaan. Ook dat heeft dus meegespeeld.
Voor de ketenpartners is het evident dat de nationale bevoegdheden om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken, in grote mate bijdragen aan de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van het vreemdelingenbeleid. Daarom is er in eerste instantie voor gekozen om deze bevoegdheden definitief te bestendigen nadat er al drie evaluaties over waren geweest.
De voorzitter:
Minister, kunt u iets langzamer praten? Het is voor mij. Het ligt vast aan mij.
Minister Van den Brink:
O ja, is dat fijn? Ik vind het zelf altijd wel prettig, maar ik snap dat het voor anderen soms wat te snel gaat.
De heer Janssen vroeg hoe het heeft kunnen gebeuren dat die horizonbepaling zo laat is opgemerkt. Het is helaas ook een beetje eigen aan de horizonbepaling dat er op een gegeven moment tijdsdruk ontstaat, maar dat had hier natuurlijk sneller onderkend moeten worden. In dit geval moest de laatste evaluatie van de Wet biometrie in de vreemdelingenketen worden afgerond voordat kon worden besloten dat bestendiging van deze bevoegdheden wenselijk is. Die evaluatie is, zoals gezegd, al opgeleverd in juli 2024. Op basis hiervan is besloten te starten met een traject om die bevoegdheid te bestendigen. Toen restte er niet heel veel tijd meer voor het wetgevingstraject.
De vraag van de heer Janssen was ook waarom dat wetsvoorstel in de Tweede Kamer geen hamerstuk is geweest. Die vraag kan ik ook beantwoorden omdat ik daar als Tweede Kamerlid zelf bij was. De wet was als hamerstuk voorgelegd. Daarna is hij onthamerd door mevrouw Westerveld van GroenLinks-PvdA. Daarna is er veel contact geweest omdat de deadline van 1 maart in beeld kwam. Toen is de wet alsnog niet meer behandeld, maar is er wel over gestemd. Dat is uiteindelijk de route geweest zoals die in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden.
De heer Janssen i (SP):
Misschien heb ik te snel gesproken, maar er is een misverstand. Ik heb deze vraag niet gesteld. Mijn vraag was als volgt. Toen duidelijk werd dat de behandeling, met het indienen op 20 november, wel heel erg kort op de datum van 1 maart zou komen te zitten, en de tijdelijke commissie Grondrechten in de Tweede Kamer zich er nog mee ging bemoeien, waarom is er toen niet voor gekozen om een hamerstuk in de vorm van een eenregelig wetsvoorstel te creëren waarin alleen de horizonbepaling met een jaar werd uitgesteld zodat we voldoende tijd overgehouden zouden hebben voor een zorgvuldige behandeling van de inhoud van dit wetsvoorstel? Dat was mijn vraag.
Minister Van den Brink:
Oké. Als die wijziging van de horizonbepaling dan het enige onderdeel van die wet was geweest, dan had dat via een nota van wijziging op die voorliggende wet moeten worden gedaan, want dat was de enige route geweest om de snelheid van het proces nog overeind te houden. Dat had in zichzelf natuurlijk de behandeling van de wet niet versneld; het had mogelijk alleen minder vragen opgeroepen over de achtergronden van de wet zoals u die vandaag wel stelt over alle andere onderdelen, maar het wetsvoorstel lag natuurlijk toen al in de Tweede Kamer.
De heer Janssen (SP):
Een nota van wijziging met alleen deze inhoud, namelijk een verlenging van de horizonbepaling, zou de rest van het wetsvoorstel voldoende tijd hebben gegeven om tot een zorgvuldige behandeling in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer te komen. Mijn vraag is dus waarom daar niet tijdig op is geacteerd, want dat zou alle kou uit de lucht gehaald hebben. Dan hadden we noch in de Tweede Kamer, noch in de Eerste Kamer in deze positie gezeten.
Minister Van den Brink:
Ik snap de vraag heel goed. Ik heb niet helemaal het speurwerk verricht naar de precieze afwegingen die zijn gemaakt, ook door mijn ambtsvoorganger. Ik denk dat er lang verondersteld is dat het wel goed zou komen. Die veronderstelling is in ieder geval niet waar gebleken. Dat is wat ik daarover kan constateren.
De heer Janssen (SP):
Ongeveer tot slot. Als half januari de tijdelijke commissie Grondrechten in de Tweede Kamer nog zegt dat zij dit advieswaardig vindt en dat zij hier nog een advies over wil vragen, lijkt het mij dat alle bellen af moeten gaan om te zeggen dat het, gelet op het februarireces, niet meer gaat lukken om dit nog op een zorgvuldige manier af te ronden. Misschien kan de minister dit dus toch nog even navragen om daar in een, naar ik hoop, hele korte tweede termijn nog even op terug te komen om te zeggen wat de afwegingen zijn geweest. Het kan ook zijn dat er helemaal niet over nagedacht is en dat men gedacht heeft: we laten het op zijn beloop en het zal wel goedkomen. Dat is in dit geval misschien toch wat ongelukkig geweest.
Minister Van den Brink:
Dat het ongelukkig is geweest, weet ik zeker. Mocht er voor mensen die met mij meeluisteren aanleiding zijn om mij daar nog andere informatie over te verstrekken, dan hou ik me aanbevolen, maar ik ben bang dat er niet heel veel meer van te maken is.
De heer Schalk i (SGP):
Dank aan de minister voor zijn uitvoerige toelichting over hoe dat proces nu verlopen is. Daar heb ik één vraag bij. Hij gaf aan dat er toen een nieuw kabinet was aangetreden en dat het onderwerp daardoor misschien wat langer was blijven liggen. Ik denk dat de minister ervan uitgaat dat het huidige kabinet vier jaar gaat draaien, maar we proberen hier ook lessen voor de toekomst te trekken: hoe gaan we nu voorkomen dat we met andere voorbeelden tegen zo'n zelfde probleem aan lopen? Zou je binnen een ministerie dat terugrekenen niet moeten doen bij alle onderwerpen waarbij deadlines gelden?
Minister Van den Brink:
Ik waardeer zeer uw bijna behulpzame vraag, want dat is precies de vraag die ik ook al intern heb uitgezet. Ik wil weten welke horizonbepalingen er nog in andere wetgevingen zitten, om ervoor te zorgen dat we niet opnieuw tegen deze situatie aan lopen. Of je nou in de Eerste of Tweede Kamer actief bent als parlementariër, je weet gewoon dat een doorlooptijd van een wetgevingsproces langer is dan november tot maart. Dat is dus absoluut iets waar we op het ministerie rekenschap van horen te geven.
Er waren ook een aantal vragen over het wetsvoorstel zelf zoals het er nu ligt. De heer Schalk van de SGP vroeg of het wetsvoorstel alleen gaat om het bestendigen van het huidige beleid en of het alleen gaat om strafbare feiten. Het belangrijkste is dat dit wetsvoorstel de nationale bevoegdheid bestendigt om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn er ook nog voorwaarden die in de praktijk al gelden voor de verstrekking van gezichtsopnames van vreemdelingen ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten in de wet vastgelegd. Die waren er al voor de vingerafdrukken, maar die zijn dus ook nu voor de biometrische gezichtsopnames vastgelegd.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat de minister het gedeelte over het proces afgesloten heeft en het nu over de inhoud gaat hebben, maar ik begon mijn betoog eigenlijk met de volgende vraag. Nu wordt er gewoon een enorme druk gezet: er moet over gestemd worden, want het kan het gevolg hebben dat alle gegevens vernietigd moeten worden. De vraag was: klopt dat?
Minister Van den Brink:
Ja, dat klopt, op basis van het feit dat de horizonbepaling gekoppeld is aan het artikel dat gaat over de opslag van die gegevens. Ik kom daar straks verderop in de vervolgvraag nog op terug. We hebben dus aan de ene kant Europese regelgeving die de mogelijkheden biedt om biometrische gegevens op te slaan en we hebben nationale bepalingen. Beide komen in dezelfde database terecht en worden niet geregistreerd als een gegeven dat gekoppeld kan worden aan een Europese regelgeving dan wel een nationale regelgeving. Als die nationale regelgeving komt te vervallen, dan zal dat dus gelden voor de hele database met de biometrische gegevens.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
In principe snap ik dat. Ik snap dat die scheiding nu niet in de database is gemaakt, maar die kan in principe gemaakt worden.
Minister Van den Brink:
Het gaat dan om de vragen in welke tijd, met welke uitvoeringskracht en met terugwerkende kracht dan wel naar de toekomst toe. Dat zijn allerlei variabelen die dan zouden moeten worden beantwoord. Naar de toekomst toe … Dit is techniek en techniek kan vaak heel veel dingen. Ik durf niet zomaar een antwoord te geven op de vraag of het in de uitvoering wenselijk is. Dat zou dan in een uitvoeringstoets moeten worden beantwoord. Maar op dit moment is dat niet mogelijk.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee, het is mogelijk, maar het kost tijd. Misschien moet er dan gekeken worden naar welke onderdelen onder het Europese recht vallen en welke onderdelen niet. In principe kan dat. Mijn vraag was als volgt. Stel je voor dat het wetsvoorstel niet aangenomen wordt. Die kans bestaat. Wij leven in een democratie. Het kan zijn dat een meerderheid hier zegt: dit willen we niet. De vraag was: hoe heeft de IND zich hierop voorbereid? Of heerst er gewoon een tunnelvisie: er is gewoon één richting mogelijk en in die richting bewegen wij ons?
Minister Van den Brink:
Ik heb op mijn bureau niet een plan B aangetroffen waarin beantwoord wordt hoe de IND gaat werken met een niet-aangenomen wetsvoorstel waarmee de database zou verdwijnen. Ik heb die vraag wel gesteld, maar daar is geen oplossing voor, behalve dat je in de praktijk niet meer met biometrische gegevens werkt en die ook niet kan raadplegen. Dat zijn de twee effecten van het niet-aannemen van het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. En wat vindt u dan van deze werkwijze? Het is een uitvoeringsorganisatie. Die moet natuurlijk ook voorbereid zijn op dit soort eventualiteiten. Het is ook gewoon het goed recht van het parlement om te zeggen: deze manier van handelen vinden wij niet goed. Hoe zou u, ook met het oog op de toekomst, op zo'n proces sturing geven?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat het ook een beetje het dilemma weergeeft. Kijk, het is een van de kernprocessen van de IND. In die zin denk ik ook dat het eerlijke antwoord is dat de IND het niet echt voorstelbaar achtte dat een van haar kernprocessen op deze manier niet meer mogelijk zou zijn. Dat is ook de reden waarom de horizonbepaling omgezet is naar een permanente, omdat dit een kernproces is van de IND en het op die manier ook voor de IND noodzakelijk is om hun werk te kunnen doen. Ik denk dat dat het antwoord is.
De heer Dittrich vroeg hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de grondrechten en met name ook de rechten met betrekking tot persoonsgegevens. De verwerking van de biometrische gegevens vormt een inmenging in het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8, EVRM. De biometrische gegevens betreffen ook een bijzondere categorie persoonsgegevens onder artikel 9 van de AVG. Deze inmenging is gerechtvaardigd door een zwaarwegend algemeen belang. Het gebruik van biometrische gegevens is namelijk noodzakelijk voor een zorgvuldige en eenduidige vaststelling van de identiteit van vreemdelingen in de gehele vreemdelingenketen. Dit is van belang voor de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid, en voor het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Dus de inmenging in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer gaat niet verder dan noodzakelijk voor het beoogde doel. Ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in uitspraken geoordeeld dat het belang van de bestrijding van identiteitsfraude dusdanig zwaar weegt dat een inbreuk op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer middels de afname van deze biometrische gegevens kan worden gerechtvaardigd.
De heer Janssen vroeg of bij dit wetsvoorstel ook kritisch is gekeken naar de adviezen van de AP en de European Data Protection Board. Ja, dat is zeker het geval. Bij de voorbereiding en de behandeling van dit wetsvoorstel is rekening gehouden met de kritische opmerkingen en de aanbevelingen. In de toelichting bij het wetsvoorstel en de overige stukken is zo veel mogelijk op die aandachtspunten gereageerd. Tegelijkertijd is ook door verschillende leden gevraagd om ons daar in een toekomstig wetsvoorstel opnieuw rekenschap van te geven. Dat zullen wij met de adviezen die er liggen van de AP en de Raad van State dus ook doen bij het wetsvoorstel dat ik voor de zomer aan u, of in ieder geval aan de Tweede Kamer, hoop aan te bieden.
Een aantal vragen ging over de uitvoeringseffecten. Deze vragen zijn onder andere door GroenLinks-PvdA en D66 gesteld. Het gaat hier ook om de vraag die net al een beetje aan de orde kwam, namelijk of deze gegevens dan worden vernietigd. In de brief aan uw Kamer is opgenomen dat de biometrische gegevens die op grond van de nationale bevoegdheid zijn afgenomen moeten worden vernietigd. Gegevens die op grond van een Europese verordening zijn afgenomen, hoeven niet te worden vernietigd. Deze gegevens bieden geen soelaas voor gebruik in nationale processen. Daarom is de nationale grondslag zo belangrijk. Wanneer dit wetsvoorstel geen doorgang vindt, zullen de gevolgen zoals geschetst door de IND ook echt gaan plaatsvinden. Er ontstaat dan een onwerkbare en onomkeerbare situatie voor de vreemdelingenketen.
Er is nog gevraagd of een soortgelijke brief van de IND als die aan de Eerste Kamer is gestuurd, met de vraag om hierop te acteren, ook eerder al is verstrekt aan de Tweede Kamer. Nee, dat is niet het geval. Er is alleen wel met dezelfde input vanuit de IND via politieke sondering aan Tweede Kamerfracties overgebracht dat dit de risico's zijn die ook door de IND in de brief aan u zijn beschreven. Dus dezelfde informatie was wel binnen de Tweede Kamer bekend, maar niet via het officiële kanaal, maar via politieke sondering.
De PVV vroeg wat wij gaan doen om de gegevens effectief in te zetten en hoe we ervoor zorgen dat er niks door de regels heen kan slippen in verband met de nationale veiligheid. De vreemdelingenketen blijft op grond van de Europese verordeningen gewoon doorgaan met het raadplegen van de Europese systemen op basis van biometrische gegevens. Deze systemen worden geraadpleegd in verband met de vaststelling van de identiteit in het belang van de openbare orde en de nationale veiligheid. De Europese verordeningen voorzien alleen niet in de mogelijkheid om in nationale processen biometrie af te mogen nemen en te verwerken in verband met de identificatie in de vreemdelingenadministratie. Als dit niet meer zou kunnen, kan in alle overige reguliere processen de identiteitsvaststelling nog altijd plaatsvinden op basis van papieren reisdocumenten en visuele controle. Daarom is dit wetsvoorstel ook zo cruciaal om de biometrie te kunnen blijven inzetten.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Ik wil het de minister in zijn eerste debat hier in de Kamer niet meteen lastig maken, maar ergens knaagt er iets. Hoe kan het nou dat de uitvoeringsorganisaties zeggen dat ze hun werk niet op een fatsoenlijke manier kunnen doen als ze deze gegevens niet hebben, terwijl het WODC zegt dat de effectiviteit helemaal niet is aangetoond? Het doet me aan het volgende denken; sta me dat even toe, voorzitter. Een tijdje geleden heeft het WODC een onderzoek gedaan en gezegd: er komt een beetje meer politie op straat en dan hebben we geen cellen meer nodig, want niemand pleegt meer een delict. En zie hier: we hebben een gillend cellentekort. Zijn de evaluaties die het WODC uitvoert wel gedegen genoeg, is mijn vraag. Kan daar ook naar gekeken worden? Als het zo ver uiteenloopt, dan maak ik mij wel zorgen over de gegevens waarop wij sturen en over de vraag op welke evaluaties wij de toets moeten doen.
Minister Van den Brink:
Ik heb natuurlijk een aantal van die evaluaties zelf ook bekeken. Daarin zie je volgens mij vooral, en dat zit ook in de discussie die hier achter weg komt, dat er niet een duidelijk nulmoment is geweest waarop je kon vaststellen wat er zou zijn gebeurd als je die biometrische gegevens niet tot je beschikking hebt. Als je die biometrische gegevens eenmaal wel hebt, is dus eigenlijk niet te bewijzen dat die in zichzelf een verbetering zijn ten opzichte van de situatie daarvoor, want over de situatie daarvoor hebben we geen gegevens. Dat zie je telkens terugkomen in de evaluaties die er zijn geweest. Wat is de effectiviteit en de toegevoegde waarde van die biometrische gegevens? Voor mijzelf is het voorstelbaar dat biometrische gegevens bij het vaststellen van iemands identiteit nogal cruciaal zijn. Als we zelf over de wereld reizen, maken we dat ook mee, want in andere werelddelen moet onze biometrie ook worden afgestaan als we een land in reizen. In die zin snap ik heel goed dat het plaatsvindt. Maar het is misschien een terechte vraag of evaluaties daar in zichzelf een antwoord op kunnen geven. Uit deze evaluatie blijkt dat in ieder geval niet. Daarmee blijft het uiteindelijk een politieke weging, die we hier moeten maken.
De heer Dittrich i (D66):
Ik heb een vraag over de Europese regelgeving. Ik begrijp dat we nationale regels hebben en dat dat ook voor andere Europese landen geldt, maar het is toch veel logischer — daarom vraag ik naar de visie van de minister op dat punt — dat Europa voor alle Europese landen exact hetzelfde gaat regelen voor de verwerking en verzameling van biometrische gegevens?
Minister Van den Brink:
Ja, dat zou idealiter ook zo zijn, denk ik, ware het niet dat we in het asielrecht nog steeds zelf nationale bepalingen inrichten, zelfs als straks het Migratiepact van kracht is, waarmee er nog meer geharmoniseerd wordt, ook op dit onderdeel. Dat gaat bijvoorbeeld om bepalingen omtrent het reguliere verblijf binnen de migratieketen, naturalisatie en inburgering. Ook in die processen vindt gegevensverwerking op basis van deze artikelen plaats. Dat zijn geen Europese competenties, maar nationale competenties. In die zin blijft het ook in de toekomst nog noodzakelijk.
De heer Dittrich (D66):
Maar is er niet een basale horizontale regeling mogelijk voor alle Europese landen voor het verzamelen en verwerken van die biometrische gegevens? Ik begrijp dat dat nu nog niet zo is. Elk land kan daar dan misschien nog een kop bovenop zetten.
Minister Van den Brink:
Het onderscheid is er wel degelijk, maar in de database waarmee wij werken, is dat onderscheid er niet. Daarmee is er dus wel degelijk een vermenging van de data die verkregen is op basis van de Europese verordening en de data die verkregen is op basis van de nationale bepalingen.
De heer Dessing i (FVD):
Ik hoorde de minister net toegeven dat er geen nulmeting is geweest. Ik hoorde in het interruptiedebat tussen het CDA en de minister dat de evaluatie die er is geweest, eigenlijk totaal geen beeld geeft. Wat zegt dat over de vraag of er überhaupt iets te evalueren valt? Dat is tot nu toe dus duidelijk niet of niet goed gebeurd.
Minister Van den Brink:
Het geeft volgens mij aan dat de wetgever en het parlement bij zaken die gaan over de privacy en over grondrechten, zo veel mogelijk zorgvuldigheid proberen in te brengen in het afwegingsproces. Daartoe hebben de evaluaties die er zijn geweest, gediend. Zoals gezegd, zitten daar echter beperkingen aan, omdat sommige dingen niet altijd te bewijzen zijn.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij, uit mijn hoofd, stond in de laatste evaluatie, waarin een aantal gevallen van identiteitsfraude werd vermeld, dat het grootste aantal geregistreerde gevallen van identiteitsfraude afkomstig is uit Europese systemen, niet uit nationale systemen. Klopt dat?
Minister Van den Brink:
Dat antwoord moet ik u schuldig blijven. Ik heb die evaluatie wel gelezen, maar dit onderdeel heb ik nu niet zo paraat dat ik hier een antwoord op kan geven. Mogelijk kunt u mij helpen door het vervolg van de vaststelling van dit feit aan mij te doen toekomen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Mijn punt is: wij hebben er dus bewust voor gekozen om alles in één systeem onder te brengen. Daardoor zitten we nu in deze situatie. Ook al dekt Europese wetgeving een deel, omdat wij ervoor gekozen hebben om geen onderscheid te maken, we zitten in een situatie waarin we voor de hele bulk vastzitten aan dit verhaal. Dat is dus een keuze van onszelf. Daar hebben we nationaal voor gekozen, terwijl de discussie in Europees verband plaatsvindt en voortgaat en terwijl er steeds meer van dit soort gegevens komen. Voor mij is het bewijs daarvan dat er volgens de evaluatie die ik gezien heb, nu meer cijfers en informatie beschikbaar komen over identiteitsfraude via het Europese systeem, maar niet via het nationale systeem. Dat is misschien iets wat u voor de tweede termijn kunt nakijken. Misschien kunt u er dan een antwoord op geven. Daaraan gekoppeld is mijn vraag: is het mogelijk om dat onderscheid vanaf nu te maken? Kunnen wij ons systeem zodanig inrichten dat er niet meer zo'n mix is, zodat we niet iedere keer met dit verhaal geconfronteerd worden?
Minister Van den Brink:
Het feit dat dat waar zou zijn — ik neem dat even aan omdat dat uit die derde evaluatie blijkt — zou mij ook niet gelijk doen concluderen dat we het anders moeten inrichten. Bij gegevensverwerking in databases wordt er natuurlijk ook gezocht naar een zo veilig mogelijke manier van werken. Meerdere databases zijn op zichzelf dus niet veiliger of beter. Het gaat ook over de wijze waarop we het op dit moment hebben geregeld, en of het dan noodzakelijk is om dat onderscheid te maken. Je zou dat onderscheid willen maken mocht je willen betogen dat de biomedische gegevens die we hiermee mogelijk maken niet noodzakelijk zijn. Maar mocht je van mening zijn — in het huidige wetsvoorstel is dat in ieder geval zo — dat zowel de nationale als de Europese biometrische gegevens noodzakelijk zijn, is er op zich geen probleem om die in één database te hebben.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Het gaat erom de grondslag duidelijk te krijgen. Mij gaat het niet om het systeem, maar mij gaat het erom dat de grondslag voor het afnemen en het bewaren van die gegevens duidelijk is. Het gaat natuurlijk niet alleen om asiel of asielprocedures. Het gaat ook om iemand die hierheen wil komen om directeur van Shell te worden. Die gaat door hetzelfde proces. Dat is een enorm aantal gegevens dat bewaard wordt. Mijn vraag is dus: waarom zou je blijven mixen en bewaren, terwijl je ook onderscheid kan maken? Dat is ook inzichtelijker als het bijvoorbeeld vernietigd moet worden.
Minister Van den Brink:
Dat is vanuit de veronderstelling dat je dan alles zou willen vernietigen omdat je die gegevens nationaal niet meer zou willen opvragen. Er is voor ons op dit moment geen aanleiding om een onderscheid in die gegevens te willen maken, behalve dat de grondslag op orde moet zijn. En de grondslag is op orde, omdat in de huidige Vreemdelingenwet is opgenomen dat we die grondslag hebben verstrekt. De vraag is alleen of het parlement bereid is om die grondslag ook naar de toekomst toe te verlengen, en met welke duur het dat zou doen. Het huidige kabinet was van mening dat daar geen horizonbepaling meer aan te pas hoefde te komen. Door de ontstane situatie is er nu gezegd dat we die horizonbepaling gaan terugbrengen. Daarmee kunnen we het debat ook opnieuw voeren over het hele wetsvoorstel. Dat is nu nogal onvolkomen gegaan.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Het gaat erom dat het debat een betekenisvol debat wordt. Wij zullen iedere keer, ook als u met een nieuw wetsvoorstel komt, hetzelfde verhaal krijgen: het is niet mogelijk om het uit elkaar te halen, want het zit allemaal in één systeem en we kunnen niet besluiten om het nationaal niet meer te laten doorgaan, want dan moet alles vernietigd worden. Dat is eigenlijk de logica achter mijn vraag.
Minister Van den Brink:
Oké. Dat brengt mij niet tot een ander antwoord dan het antwoord dat ik tot nu toe daarover gegeven heb. We gaan het debat zeker hervatten bij het volgende wetsvoorstel, als het überhaupt aan bod zou komen. Anders is dat debat ook overbodig, want dan zijn die gegevens niet meer beschikbaar.
50PLUS vroeg of er Europese regels zijn die de vernietiging van gegevens bij het niet aannemen van het wetsvoorstel kunnen voorkomen. Nee, dat is niet het geval. Er zijn geen Europese regels die vernietiging kunnen voorkomen, omdat het behoud ervan zonder wettelijke grondslag onrechtmatig is. Daar is dus geen Europese oplossing voor.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Minister, dank voor het antwoord. Ik stelde de vraag omdat ik na lezing van de stukken vond dat dit niet helder boven tafel kwam. Ik dacht: kan het misschien toch zo zijn dat Europese regels voorkomen dat er vernietigd moet worden als we de wet niet aannemen?
Minister Van den Brink:
Nee. Het artikel waarom het hier gaat, maakt het mogelijk dat die gegevens in de database worden opgeslagen. Zodra dat artikel komt te vervallen, is dus ook de grondslag voor die database komen te vervallen en zullen die gegevens dus ook vernietigd moeten worden, is de stellige overtuiging van iedereen die hierbij betrokken is.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Dat zei u net ook al, maar mijn vraag was of dat niet beter in de gewisselde stukken had kunnen staan. Dan had ik de vraag niet hoeven te stellen en hadden we het risico van wat er zou gebeuren als de wet niet wordt aangenomen, hier niet moeten bespreken.
Minister Van den Brink:
Maar misschien toont dat ook wel aan waarom het zo onvolledig is om de procedure op deze manier te hebben. Anders had u die vraag waarschijnlijk in de schriftelijke ronde gesteld en hadden wij daar heel goede antwoorden op gegeven. Dan hadden we deze verwarring niet meer gehad of deze vraag niet meer gekregen. Dat toont aan waarom zorgvuldige procedures in deze Kamer zo noodzakelijk zijn.
D66 had nog de vraag wat de betekenis zou zijn als IS-strijders deze kant op komen. Als 1 maart is gepasseerd, kunnen zij dan niet meer gecontroleerd worden? Als we geen biometrische gegevens hebben, dan verhoogt dat zeker de fraudegevoeligheid, want zonder biometrie in de reguliere processen, zoals bij gezinsmigratie, kan de identiteit niet met zekerheid worden vastgesteld. Dat kan ertoe leiden dat er mensen worden toegelaten van wie we moeten veronderstellen dat dat onwenselijk is vanwege hun achtergrond.
Er zijn nog een aantal vragen gesteld. Ik wil het eerst nog even hebben over het nieuwe wetsvoorstel. Dat wil ik zo snel mogelijk in procedure brengen. Tegelijkertijd ga ik ervan uit dat uw verzoek om een zorgvuldige behandeling van dit wetsvoorstel ook een oproep aan mij is om het wetgevingstraject op een zorgvuldige wijze vorm te geven. Dat vind ik zelf ook belangrijk. Dat betekent onder meer dat ik de adviesorganen in de consultatie en de Raad van State voldoende gelegenheid moet geven om een advies uit te brengen over het wetsvoorstel. Als ik het op een hele snelle manier doe en in procedure breng, dan zal het voor de zomer aan de Tweede Kamer kunnen worden aangeboden.
Mevrouw Huizinga van de ChristenUnie heeft gevraagd of we kunnen toezeggen dat we in het komende wetsvoorstel uitgebreider zullen ingaan op de zorgen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens. Zij wil dat die noodzaak duidelijker naar voren wordt gebracht. Dat kan ik zeker toezeggen. In de toelichting bij het nieuwe wetsvoorstel zal ik ingaan op de zorgen die in het wetgevingstraject zijn geuit, onder meer door de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens. Ook zal ik daarin nader ingaan op de noodzaak van een nationaal bestand van biometrische gegevens van vreemdelingen en de verhouding daarvan tot de Europese verordening met betrekking tot biometrische gegevens.
Mevrouw Visseren vroeg of we kunnen toezeggen dat in het nieuwe wetsvoorstel alleen de horizonbepaling wordt opgenomen. Dat is waar het artikel in principe op neerkomt, met een hele uitvoerige toelichting op wat ik net al heb toegezegd. In principe zal in het wetsvoorstel enkel een horizonbepaling worden opgenomen. In die zin is het wetsvoorstel zelf vrij overzichtelijk.
Ik heb nog een heel aantal overige vragen. Ik begin met name bij de vragen die door verschillende fracties over CATCH zijn gesteld.
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, is er toch nog een vraag van mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Mijn vraag was iets uitgebreider dan het antwoord van de minister. Mijn vraag was: kunnen we de inhoudelijke discussie en de horizonbepaling scheiden? Aangezien het zo'n simpel wetsvoorstel is, kunnen we het op kortere termijn doen, zodat we niet hoeven te wachten tot voor de zomer. Dan kunnen we het inhoudelijke debat nog voor de zomer voeren en kan het hele simpele wetsvoorstel eerder naar de Tweede Kamer.
Minister Van den Brink:
Ik snap nu iets beter wat achter de vraag zat, maar de procedure gaat niet sneller als het wetsvoorstel simpeler wordt. De processtappen, de consultatie, de adviezen, de weging van die adviezen, een nader rapport en vragen in de Tweede en Eerste Kamer, worden niet anders door het wetsvoorstel uit te kleden. Het kan alleen zijn dat er iets minder vragen in de procedure worden gesteld dan normaal omdat je minder in de toelichting hebt opgenomen. Maar mijn verwachting is dat het niet sneller zal gaan met het wetsvoorstel.
Er zijn een hoop vragen gesteld over alles wat er met CATCH aan de hand is. Er is een wettelijke grondslag voor de politie om in het kader van opsporing en vervolging een bevraging te doen van de biometrische gegevens uit de vreemdelingenketen. Op dit moment is het technisch niet mogelijk om dit direct in de Basis Voorziening Vreemdelingen te doen. Dat is de reden waarom er op dit moment gebruik wordt gemaakt van een kopie. Daar heeft u ook aan gerefereerd. Door mijn ambtsvoorganger is in andere brieven al antwoord gegeven op de vraag hoe dat zit en is gezegd dat er een verkenning zou plaatsvinden. Het voortschrijdend inzicht is inmiddels dat het niet zozeer een verkenning is van de wijze waarop het moet worden opgelost, want dat antwoord is er al. De interpretatie van de grondslag is op dit moment te ruim. Daar komt de opmerking vandaan dat de wettelijke grondslag zou ontbreken, maar de wettelijke grondslag die in de huidige wet zit, wordt te ruim toegepast. Doordat we nu een oplossing voorhanden hebben, waar we nu aan werken, kan er in de huidige Basis Voorziening Vreemdelingen een zoekfunctie worden ingebracht waardoor er niet meer met een kopie gewerkt hoeft te worden. Daarmee wordt het in lijn gebracht met de grondslag die er is. Met deze oplossing komen we tegemoet aan de zorgen van de verschillende fracties en de kritiek van de Raad van State en wordt er conform de wettelijke grondslag gewerkt. Dat is de wijze waarop we willen gaan werken. Daarmee kunnen we deze oplossing al veel sneller aanbieden dan we tot nu toe voor ogen hadden, zoals mevrouw Huizinga vroeg. Als het heel erg meezit, zal dat zelfs al in Q2 van dit jaar kunnen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Daar is inderdaad aan gerefereerd in de brief die in december naar de Kamer is gestuurd. Daarin werd gezegd: dat gaan we onderzoeken; we weten niet of het gaat werken of niet. Begrijp ik nu goed dat u zegt: dat is nu opgelost en het gaat zo werken?
Minister Van den Brink:
De technische kant is in ieder geval in beeld gebracht. Het is nu een uitvoeringskwestie om die technische kant in de praktijk te gaan toetsen en daarna ook gewoon in de praktijk te brengen. Dat is nu de oplossing.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De vraag was: betekent dat dat het echt om individuele gevallen gaat en er dus niet meer een hele bulk gegevens gekoppeld gaat worden aan CATCH Vreemdelingen?
Minister Van den Brink:
Nee. Dat kan binnen de Basis Voorziening. Er hoeft dus niet eerst een kopie gemaakt te worden die in CATCH wordt geplaatst. In de Basis Voorziening kan een zoekfunctie worden ingebracht waardoor er heel gericht gezocht kan worden zonder dat er een kopie in bulk gemaakt hoeft te worden.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Begrijp ik goed dat de IND dat moet gaan doen? Dan krijgen de politie, opsporingsambtenaren en dergelijke dus niet direct de bevoegdheid om in de vreemdelingenadministratie te gaan zoeken? Want dan verandert er eigenlijk niks.
Minister Van den Brink:
Nou ja, er moet nog steeds een machtiging voor zijn. De processtappen blijven dus hetzelfde. Ik moet u nu even onthouden wie dat exact mag toepassen, maar er ligt een rechterlijke machtiging aan ten grondslag. Dat verandert niet in de processtappen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Omdat ik hier gewoon uitvoerig aandacht aan besteed heb, zou ik hier graag een precies antwoord op willen hebben. Een van de verzoeken die ik had, was om daarmee te stoppen tot het heel duidelijk is dat er een wettelijke grondslag voor is en dat het rechtmatig gaat gebeuren. Ik zou daar heel graag een precies antwoord op willen hebben.
Minister Van den Brink:
Zeker. De wettelijke grondslag zien wij dus in het feit dat we het niet meer in bulk gaan kopiëren naar een andere toepassing. Mijn technische devices vertellen me nu dat de politie dit zal kunnen, op basis van een rechterlijke machtiging. Dat is de oplossing die is voorzien.
De heer Janssen (SP):
Ik weet niet of het antwoord op de vraag die ik hierover gesteld heb zo nog komt, maar ik refereerde aan de opmerkingen van de Raad van State en het antwoord van de regering daarop. Daarin werd gesteld: we gaan een verkenning doen en het uitgangspunt is dat we dan gaan voldoen aan de AVG. Mijn vraag is dus: wordt met alles wat de minister net gezegd heeft voldaan aan de AVG, ja of nee?
Minister Van den Brink:
Ik ga ervan uit dat als er een wettelijke grondslag is om dat te doen, we daarmee ook aan de AVG voldoen. Het klopt dat er in die brief werd gesproken over een verkenning. Toen leek het nog alsof dat een hele zoektocht moest worden en het op dat moment ook niet beschikbaar was, maar dat het, afgaande op de informatie, op deze manier zou kunnen worden opgelost. In de tijd tussen die brief en het debat van vandaag is er al een technische oplossing voorzien. Die moet alleen nog toegepast worden en daarna in de praktijk gebracht worden.
De heer Janssen (SP):
Dat denkt de minister, of hij gaat ervan uit, maar mijn vraag is concreter. Voldoet het daaraan, ja of nee? Dat is de hele concrete vraag: niet of de minister denkt van wel, maar of het eraan gaat voldoen. De Raad van State was namelijk heel duidelijk. Die zei: of je komt met een goede wettelijke basis, of je stopt met de verwerking zoals het op dit moment gaat. Dan is mijn vraag: welke van de twee is het? U zegt: wij denken dat er nu een wettelijke basis is. Dan is mijn vraag: voldoet het dan aan de AVG, en per wanneer? Want blijkbaar voldoet het tot dat moment dan niet aan de AVG.
Minister Van den Brink:
Op dat laatste: we zitten dus in die overgangsfase. We hebben namelijk geconstateerd dat de grondslag op dit moment te ruim wordt toegepast; dat staat ook in de brief die de vorige minister heeft gestuurd. Wij kunnen dat dus oplossen door die zoekfunctie in te brengen. Daarmee voldoet het aan de AVG en is er geen andere wettelijke grondslag nodig. Het is in de toepassing van het huidige artikel mogelijk om dit op te lossen.
Dan de vraag wanneer. Q2 is voorzien. Dat betekent dus dat we nu nog in de overgangsfase zitten naar Q2. In die zin is dat dus nog steeds niet opgelost. We komen dan bij het eerdere antwoord dat de risico's die hieraan vastzitten, als zeer hoog worden gezien. Dat is ook een reden voor de politie om te blijven benadrukken dat dit een noodzakelijke toepassing is. We weten dat we dit op de snelst mogelijke termijn moeten oplossen.
De heer Janssen (SP):
Tot slot. Maar dat betekent dus, zoals ik in mijn eerste termijn ook al zei, dat als we instemmen met het voorliggende wetsvoorstel en het van kracht wordt, het voorlopig nog een tijd in strijd zal zijn met de AVG. We moeten dus een wetsvoorstel goedkeuren dat nog een aantal maanden in strijd zal zijn met de AVG.
Minister Van den Brink:
Of het is wat ook door andere sprekers is ingebracht: een bestendiging van de huidige juridische praktijk die we al kenden. Maar we weten dat we die heel snel moeten oplossen. Dat zijn we op dit moment ook aan het doen.
De heer Janssen (SP):
Het allerlaatste dan. De minister bevestigt dus inderdaad dat de huidige situatie niet voldoet aan de AVG. Kijk naar wat de Raad van State daarover zegt. De minister zegt: we blijven nog een tijdje, ook met het nieuwe wetsvoorstel, niet voldoen aan de geldende AVG-wetgeving, maar over een paar maanden komt dat wel goed. Ik vind het een buitengewoon ingewikkelde discussie als u aan ons, als toetsers van wetgeving in de Eerste Kamer, vraagt om akkoord te gaan met een wetsvoorstel waarvan we op voorhand weten — dat wordt door de minister nu aangegeven — dat het niet zal voldoen aan de geldende wetgeving.
Minister Van den Brink:
Ik snap het ongemak. Dat herken ik ook van toen ik ontdekte hoe deze situatie is ontstaan. Maar daarvoor geldt: er wordt al een tijdje en ook op dit moment aan gewerkt om dat op te lossen. Laat ik zeggen dat ik het ook een onwenselijke situatie vind, maar er wordt op dit moment wel aan gewerkt om dat op te lossen.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dit is toch wel een ernstige constatering. Ik ben 'm nog eventjes aan het verwerken. Is er een manier waarop we ons in de tussentijd wél aan de wet gaan houden?
Minister Van den Brink:
Volgens mij hebben we binnen de praktijk zoals we die nu kennen geconstateerd dat die grondslag te breed is. Dat betreft het maken van een kopie van die gegevens uit de basisvoorziening en de koppeling die daarvoor bestaat. We hebben daarvan geconstateerd dat we dat moeten oplossen. We zijn er nu volop mee aan de slag om daaraan te voldoen.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Maar kunnen we in de tussentijd sommige dingen niet doen totdat we alles op orde hebben? Hoe kunnen we ons dus aan de wet houden als Rijksoverheid?
Minister Van den Brink:
Volgens mij is dat precies de vraag die ook door de politie aan ons is voorgelegd. De wenselijkheid om deze gegevens te kunnen raadplegen in het kader van nationale veiligheid wordt door de politie aan ons overgebracht als zeer noodzakelijk. Dat is ook waarom we zo hard werken aan de oplossingen die ik net aan u heb uitgelegd.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Visseren.
Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):
Ik zou toch aan de minister willen vragen om na te denken en in de tweede termijn met een of andere toezegging te komen waarmee we deze situatie kunnen voorkomen in die periode richting Q2.
De heer Dittrich (D66):
Mijn vraag is: bestaat er een risico dat de rechter een streep gaat zetten door dit gebeuren, omdat wij ons niet aan de wet houden?
Minister Van den Brink:
Dat antwoord moet ik u even schuldig blijven. Er zou dan een individuele zaak moeten worden gestart op basis van het delen van die gegevens.
De heer Dittrich (D66):
Ik kan me zomaar een kort geding voorstellen waarin iemand zegt: dit deugt niet, er is geen wettelijke grondslag, de minister erkent het zelf in het parlement en er is nog geen remedie tegen, dus die gegevens mogen niet verwerkt, opgeslagen en gevraagd worden.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: mijn ambtsvoorganger heeft al in december in een brief aan de Kamer toegelicht en beschreven dat die situatie zich heeft voorgedaan. Daarin is aangegeven dat dat onwenselijk is en dat dat dus zo snel mogelijk moet worden opgelost. Dat was op dat moment nog een verkenning naar hoe dat zou moeten gaan. Ik kan u vandaag melden dat we dat al veel sneller kunnen oplossen dan voorzien, door in Q2 al die leemte op te lossen. Als ik daar nog andere informatie over krijg, dan zal ik u daar zeker in de tweede termijn over informeren.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Nog even voor mijn helderheid. Ik heb ook in mijn tekst aangehaald dat er een brief van de vorige minister is geweest, al uit december, die zei: voor wat wij nu doen, is geen wettelijke basis. Toen heeft de minister gezegd: we gaan een verkenning starten en eind volgend jaar zal daar een oplossing voor zijn. Dat is dit jaar. Ik vroeg aan de minister of dat niet sneller kan. Als je zoiets constateert, dan denk je toch: waar zijn we mee bezig? Maar er werd rustig gezegd: we gaan er nog eens een jaartje over doen om te kijken hoe we dit aan gaan passen. Heb ik nu goed begrepen dat de minister zegt: "Wij kunnen dat in Q2. Dat is toch al redelijk snel. In Q2 hebben wij dit onder controle en zorgen wij ervoor dat we niet meer tegen de wet, zonder wettelijke basis, handelen."?
Minister Van den Brink:
We brengen daarmee de praktijk op orde, zoals we hebben geconstateerd in die brief in 2025. Dat doen we, denk ik, een stuk sneller, omdat we op dat moment nog zoekende waren. Zoals u ook verzocht heeft, kunnen we dat ook sneller, door de praktijk daarmee op orde te brengen. Die zal daarmee ook op orde worden gebracht. Dat kunnen we dus een stuk sneller.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik heb toch nog even een vraag naar aanleiding van het interruptiedebatje van zojuist. Er werd vrij stellig geconcludeerd dat door de minister is aangegeven dat de wet eigenlijk niet wordt nageleefd en dat de zaken niet op orde zouden zijn. Ik zou dat hier voor de Handelingen toch even duidelijk geschetst willen hebben, want volgens mij is er wel degelijk een wettelijke basis als dit wetsvoorstel dat vandaag voorligt, wordt aangenomen door deze Kamer en dus ook na 1 maart van kracht blijft. Voor zover er bepalingen uit de AVG van toepassing zouden zijn die overtreden worden: kan de minister aangeven in hoeverre die reparabel zijn, zonder dat daar meteen consequenties aan zitten, zoals het niet meer mogen bewaren van bepaalde gegevens?
Minister Van den Brink:
Het klopt wat de heer Van Hattem zegt. Er is een wettelijke grondslag voor de politie om in het kader van de opsporing en vervolging een bevraging te doen van de biometrische gegevens uit de vreemdelingenketen. Alleen, in de praktijk is de grondslag daarvoor te ruim toegepast. Zo is de formulering geweest in de vorige brief. De oplossing daarvoor was nog niet voorhanden. Daar zou in ieder geval een verkenning naar worden gedaan. Mij is nu gebleken dat die verkenning eigenlijk al bekend is, dus hoe we dat gaan oplossen. Dat zal op hele korte termijn zijn, namelijk in Q2.
De heer Van Hattem (PVV):
Zegt de minister hier dus eigenlijk mee dat het ten aanzien van de bepaling in de AVG een reparabel aspect is, waarbij er niet automatisch consequenties uit zullen voortvloeien waardoor het opslaan, gebruik en beheer van gegevens niet meer mogelijk is?
Minister Van den Brink:
Nee, dat klopt. Dat klopt.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Collega Dittrich vroeg net naar het risico dat een rechter met een kort geding of anderszins de zaak ter beoordeling krijgt. In het verleden hebben we voorbeelden gezien waarin rechters met anticiperende rechtspraak zeiden: oké, er klopt iets niet, maar wij weten dat er een wet aan komt die het repareert en met dat uitzicht tolereren we nu even wat er is. Ik wil de minister daar nog even op wijzen naar aanleiding van de vraag van collega Dittrich. Erkent de minister dat dat fenomeen mogelijk is, zonder vooruit te lopen op wat een rechter beslist?
Minister Van den Brink:
Ik wilde zeggen: dat lijkt me niet helemaal mijn rol. Ik maak echter graag gebruik van uw senioriteit op dit vlak om aan te nemen wat u zegt. Als dat al aan de orde zou zijn, dan zou dat in die zin ... Maar daar is op dit moment geen sprake van. Er is ook niemand die ons daar nu op wijst. We zijn op dit moment bezig om het op te lossen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De vraag is of die praktijk op dit moment, dus nu de regering weet dat je dan gewoon de wet overtreedt, nog steeds toegepast wordt. Worden de kopieën beschikbaar gesteld aan de politie of is men daarmee gestopt?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de juiste formulering is dat de wet een wettelijke bepaling kent waardoor dat mag voor de politie, dat de toepassing daarvan in de uitvoering als te ruim wordt beschouwd en dat daarin de afweging is gemaakt dat de nationale veiligheid die hier ook mee in het geding is, het allerbelangrijkste is. Als dat op dit moment aan de orde zou zijn, dan is dat ook nog steeds mogelijk. Die uitvoeringspraktijk wordt nu zo snel mogelijk op orde gebracht.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat is een herhaling van wat u net zei. Mijn vraag is op basis van de brief die uw voorganger heeft geschreven aan de Kamer. Daarin heeft hij ook nadrukkelijk gezegd: de manier waarop het tot nu toe gegaan is, heeft geen wettelijke grondslag gehad. Dat is dus onrechtmatig geweest. Daar kunt u ook in de beslisnota exact deze formulering voor vinden: dat is onrechtmatig. Mijn vraag is of er op dit moment op dezelfde manier wordt gehandeld of dat men daar op dit moment mee gestopt is.
Minister Van den Brink:
Volgens mij is in die brief de afweging ook al kenbaar gemaakt aan de Kamers. De afweging is dat het in de uitvoeringspraktijk moet worden verbeterd, dat de nationale veiligheid er echter om vraagt om het wel degelijk nog steeds te kunnen toepassen, maar dat we zo snel mogelijk werken aan een oplossing.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De conclusie is dus dat er op dit moment, as we speak, gewoon dezelfde praktijk wordt toegepast. Dat is mijn conclusie. Mijn tweede vraag is: heeft u, nu u aan een oplossing werkt, de Autoriteit Persoonsgegevens om advies gevraagd over de vraag of uw oplossing ook overeenkomt met bijvoorbeeld de AVG? Zo niet, bent u dan bereid om dat te doen?
Minister Van den Brink:
Het antwoord op die tweede vraag, of daar een toets op nodig is, is: volgens mij is dat niet noodzakelijk, want we weten wat we moeten dichten en dat kunnen we ook dichten. In die zin is daar geen nieuwe toets voor noodzakelijk. We weten al waar de leemte in de uitvoering zich voordeed. Dat hebben we ook in die brief gezet. Daar is geen nieuwe, extra toets voor noodzakelijk.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb niet om een extra toets gevraagd, ik heb om een advies van de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd, want de kritiek op deze praktijken is niet mals.
Minister Van den Brink:
Dat is ook de reden dat ik het nu zo snel mogelijk wil aanpassen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Exact. De vraag is dus als volgt. U heeft een oplossing gezocht. Om te voorkomen dat uw oplossing misschien weer hiaten kent, zou het toch goed zijn om daar advies over te vragen?
Minister Van den Brink:
Onze stellige overtuiging is dat het AVG-proof is zoals we het nu oplossen en dat dit dus geen extra advies vergt.
Er waren ook nog vragen over de Eurodacverordening, die ingaat in 2026, en de andere verordeningen ten aanzien van in- en uitreis. Eurodac staat niet in de weg aan nationale wetgeving. Dat geldt zowel voor de huidige Eurodacverordening als voor de nieuwe verordening. De verordeningen die Europese systemen reguleren, zijn naar hun aard primair gericht op samenwerking tussen de lidstaten, bijvoorbeeld met het oog op het kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor een asielaanvraag. Er kunnen dan ook altijd situaties zijn die niet onder het toepassingsbereik van een van deze verordeningen vallen. Voor deze gevallen blijft onderhavig voorstel relevant.
Wat is de stand van zaken van het wetsvoorstel ten aanzien van het COA en de biometrischegegevensverklaring, vroeg mevrouw Karimi van GroenLinks-PvdA. Deze grondslag in de Vreemdelingenwet geldt niet voor het COA. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding dat regelt dat het COA de voor een goede taakuitvoering noodzakelijke gegevens van asielzoekers, waaronder persoonsgegevens, op een rechtmatige, effectieve en zorgvuldige manier kan verwerken. Het gaat daarbij om bijzondere persoonsgegevens, waaronder biometrische gegevens en strafrechtelijke gegevens. Het wetsvoorstel zit in de fase van ambtelijke voorbereiding, waarin nog aan de laatste punten wordt gewerkt, en daarna zal het wetsvoorstel in consultatie worden gebracht.
U vroeg ook nog naar de integrale mensenrechtentoets ten aanzien van de verwerking van die gegevens. Ik vat deze vraag zo op dat dit ziet op eventuele nieuwe wetsvoorstellen waarin de verwerking van persoonsgegevens is opgenomen. Bij de vormgeving van het wetsvoorstel wordt uiteraard betrokken wat de verenigbaarheid met grondrechten is, want ieder wetsvoorstel wordt getoetst aan het hogere recht. Ook zullen we dat beargumenteerd in de toelichting bij het wetsvoorstel aan de orde stellen. Daarbij worden natuurlijk ook de adviezen betrokken van partijen die daarop in de consultatie hebben geantwoord.
Er was nog een vraag over de vereisten van de Europese AI Act en de jurisprudentie. De AI-verordening staat het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie niet in de weg, maar op basis van de AI-verordening moet bij het gebruik van de gezichtsherkenningstechnologie sprake zijn van menselijke tussenkomst. Het kan dus nooit alleen op basis van AI worden toegepast. Als dat een match oplevert, stellen de biometrie-experts van de politie vervolgens vast of er daadwerkelijk sprake is van een sterke gelijkenis. Er is in de praktijk dus altijd sprake van een menselijke tussenkomst.
Tot slot heb ik nog twee vragen van de PVV. Kan de minister bevestigen dat de wet niet alleen bevoegdheden uit de verordeningen afdekt en van belang is voor Nederland? Dat klopt. Het is op meerdere zaken van toepassing, ook op naturalisatie en inburgering.
De Partij voor de Dieren heeft gevraagd in welke cloud de biometrische gegevens worden opgeslagen. Daar is geen sprake van. Er vindt geen opslag plaats in een cloud. De gegevens van de vreemdelingen worden opgeslagen in de Basis Voorziening Vreemdelingen. De Basis Voorziening Vreemdelingen staat in een afgeschermde omgeving binnen Nederland.
Ten slotte de vraag of de termijnen proportioneel zijn in het kader van artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Bij het hanteren van een bewaartermijn van persoonsgegevens wordt altijd zorgvuldig bekeken of deze proportioneel is. Daarbij dient er een balans te zijn tussen het doel van de verwerking en het bewaren van de gegevens, en het belang van de betrokkene. Met dat uitgangspunt zijn de bewaartermijnen proportioneel; die gaan niet verder dan nodig.
Dat waren mijn antwoorden. Soms ging ik veel te snel, maar hopelijk was het een beetje te volgen. Dank u wel.
De voorzitter:
Het was ook uw eerste debat. U heeft nog een vraag van de heer Dessing en daarna van mevrouw Karimi.
De heer Dessing (FVD):
Ik heb een hele heldere vraag gesteld, die totaal afweek van alle andere vragen, en daar heb ik geen antwoord op gehad.
Minister Van den Brink:
Zou u die nog een keer aan mij willen stellen?
De heer Dessing (FVD):
De vraag ging over de 290 gevallen van identiteitsfraude in 2022. Dit wordt "beperkt" genoemd door de minister, ook in de memorie van toelichting, terwijl dit dus is mét het gebruik van biometrische gegevens. De vraag was: kan de minister aangeven waar de kwalificatie "beperkt" op is gebaseerd? Kan hij vervolgens ook aangeven hoeveel gevallen van identiteitsfraude blijkbaar dan wel acceptabel zijn volgens het ministerie?
Minister Van den Brink:
Dat had ik wel ergens in deze set zitten. Bij ons werd dat woord, "beperkt", niet direct herkend als een kwalificatie die wij zelf zouden hebben gehanteerd. U noemde dat wel als een kwalificatie. Ik weet niet of dat in een van de stukken van onze kant zat, of in die van een van de andere partijen die hierover geadviseerd hebben. Op zichzelf is natuurlijk iedere fraude met persoonsgegevens er één te veel. Dat wil je natuurlijk te allen tijde voorkomen.
De heer Dessing (FVD):
Het stond dus wel degelijk in de stukken en de antwoorden van de minister zelf. Vandaar mijn specifieke vraag. Als 290 gevallen als "beperkt" wordt gezien, wat is dan wel acceptabel? Ik begrijp uit het antwoord van de minister dat eigenlijk nul acceptabel is, en niet meer dan dat.
Minister Van den Brink:
Nou, het doel van dit type wetgeving is natuurlijk om de fraude tot een minimum te beperken. Uiteindelijk is het minimum nul, maar we weten dat er toch altijd weleens dergelijke zaken plaatsvinden. Ik vind "beperkt" in dat opzicht niet de goede kwalificatie.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Een aantal van mijn vragen zijn niet beantwoord. Ik heb bijvoorbeeld gevraagd of de minister een toezegging kan doen over onafhankelijk toezicht op de verwerking van biometrische gegevens, dus over extern, onafhankelijk toezicht. Daar heb ik geen antwoord op gekregen.
Ik heb gevraagd om een integrale mensenrechtentoets. De AI Act en dat soort dingen zouden daar een onderdeel van zijn. Daar heeft u ook geen antwoord op gegeven.
Ik heb gevraagd: kunt u duidelijke waarborgen geven over dat biometrische gegevens van vreemdelingen niet terechtkomen in databanken voor gezichtsherkenningstechnologieën? Dat is op dit moment namelijk een heel groot probleem.
Ik heb gevraagd om jaarlijkse rapportages. Die kregen we tot nu toe wel. Ik heb gevraagd of bij de jaarlijkse rapportages ook aangegeven kan worden hoe Europese wetgeving zich verder aan het ontwikkelen is.
Op al deze vragen heb ik geen antwoord gehad.
Minister Van den Brink:
Of ik heb het niet heel goed toegelicht. Wat betreft uw eerste vraag over dat onafhankelijke toezicht: dat is gewoon de Autoriteit Persoonsgegevens. Die ziet daarop toe en kan dat ook in de praktijk toetsen als zij daartoe aanleiding ziet. Op die manier denken wij dat dat ook nu al door de AP kan worden gedaan.
De vraag over de integrale toets heb ik proberen te beantwoorden, maar dat is mogelijk niet goed genoeg overgekomen. Wij zien die als onderdeel van de wetgeving die we u gaan aanbieden. Bij iedere wetgeving wordt die toets natuurlijk gedaan. We toetsen de wetgeving op grondrechten. Ook de adviezen die daarover worden gegeven, nemen wij mee in de toelichting op een wetsvoorstel. Op die manier denken wij dat wij die toetsing doen.
Op uw vraag over de gezichtsherkenning kom ik terug in de tweede termijn.
De voorzitter:
Dan constateer ik dat wij aan het eind … Mevrouw Karimi nog.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
En jaarlijkse rapportages?
Minister Van den Brink:
Ook daar kom ik op terug in de tweede termijn.
De voorzitter:
Ik heb begrepen van de fractie van GroenLinks-PvdA dat zij een dik half uur schorsing wil?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
40 minuten, voorzitter.
De voorzitter:
Ik geef u …
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De GroenLinks-PvdA-fractie wenst 40 minuten schorsing.
De voorzitter:
Ik geef u 30 minuten. Ik snap dat het belangrijk is. We hebben op zeer korte termijn besloten om dit wetsvoorstel te behandelen. Ik begrijp dus dat er tijd nodig is, maar ik verzoek u om het in 30 minuten te doen. Dan schors ik de vergadering tot 19.20 uur.
De vergadering wordt van 18.52 uur tot 19.21 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn aangekomen bij de tweede termijn van de kant van de Kamer. Mevrouw Karimi komt er zo aan. Ik wil alvast het woord geven aan de heer Schalk van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Dank, voorzitter. Ik haast me om mijn halve minuut in te gaan vullen, mede namens de leden Beukering en Walenkamp. Het is natuurlijk ontzettend jammer dat mevrouw Karimi nu mijn bijdrage niet hoort, maar goed.
Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik hoor dat de minister tempo gaat maken voor het nieuwe wetsvoorstel. Ik constateer dat een belangrijk deel van de memorie van toelichting vanavond al is geformuleerd. We zien dan ook uit naar hele spoedige wetgeving. Mijn fractie zal het voorliggende wetsvoorstel steunen. Ik wens nogmaals de minister wijsheid toe in zijn complexe taak.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan krijgt de heer Dittrich het woord.
De heer Dittrich i (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister. Ik moet zeggen dat dit niet een debat is dat mijn fractie, D66, geruststelt. De minister heeft gezegd dat een situatie die qua uitvoering onrechtmatig is in Q2 wordt gerepareerd. Op de vraag van mevrouw Karimi of het in strijd met de wet handelen nu is gestopt, heb ik geen helder antwoord gehoord. Ik ben dan ook benieuwd hoe zich dat vertaalt, mocht er een rechtszaak worden aangespannen. Maar goed, dat zullen we zien.
Wat ik wel goed vind, is dat de minister duidelijk heeft gezegd: ik zeg toe dat er voor de zomer een wetsvoorstel met een horizonbepaling zal worden ingediend bij de Tweede Kamer. Daar wil ik graag de toezegging bij hebben dat daar ook een uitvoerbaarheidstoets bij zit. Daar hebben wij in de Eerste Kamer ook een motie over aangenomen waarin staat dat bij al dit soort wetten de uitvoeringsinstanties expliciet moeten zeggen: wij kunnen dit goed uitvoeren.
Ik kom al tot mijn conclusie, mevrouw de voorzitter. Wij willen geen risico nemen en de kans niet vergroten dat bij gebrek aan biometrische controle allerlei kwaadwillende lieden of mensen met een valse identiteit ongemerkt Nederland in kunnen komen. Daarom zullen wij voor het wetsvoorstel stemmen, maar wel contrecoeur.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef nu het woord aan mevrouw Karimi voor haar bijdrage in de tweede termijn.
Mevrouw Karimi i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister natuurlijk voor zijn beantwoording. Nogmaals, het is zijn eerste debat in deze Kamer. Dit is natuurlijk niet het begin dat hij zich had gewenst en voorgesteld, maar ik dank hem voor de uitvoerige beantwoording.
Ik ontvang nog een aantal antwoorden op mijn vragen in de tweede termijn. Ook zou ik nog een keer het volgende verzoek aan de minister willen doen. Het volgende wetsvoorstel zit eraan te komen. De minister heeft gezegd dat het voor de zomer zal plaatsvinden en daar zijn wij eigenlijk content mee. Het verzoek is of er dan ook een onderzoek gedaan kan worden naar registreren op basis van grondslag. Kunnen wij de database zodanig organiseren dat de grondslag ook geregistreerd wordt? Ik denk dat dat voor het debat behulpzaam zou zijn.
Het tweede punt is het volgende. De wens die wij hebben geuit voor een mensenrechtentoets gaat verder dan het meenemen van adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens of de Raad van State. Het gaat echt om een extra mensenrechtentoets. Ik zou dus ook graag willen dat het wetsvoorstel hier begeleid wordt door een uitgebreide mensenrechtentoets.
Voorzitter. Ik kom tot de kern van mijn tweede termijn, namelijk het punt dat voor mijn fractie doorslaggevend zal zijn in ons stemgedrag. Het debat heeft namelijk heel erg duidelijk gemaakt dat de manier waarop de gegevens vanuit de basisregistratie van vreemdelingen worden gebruikt door de politie en opsporingsautoriteiten en -diensten eigenlijk niet voldoet aan wat er zou moeten gebeuren in een rechtsstaat, namelijk dat de overheid zich aan de wet houdt. Zoals de minister heeft gezegd, wordt de wet te ruim toegepast. Eerlijk gezegd treedt de overheid daardoor buiten de wet. Dat is ongepast in een rechtsstaat, zeker als het gaat om mensen die in kwetsbare situaties kunnen zitten, bijvoorbeeld asielzoekers, vluchtelingen en mensen die vanwege gezinshereniging een aanvraag hebben gedaan. De minister heeft geweigerd, als ik het zo mag zeggen, om toe te zeggen dat daar onmiddellijk mee wordt gestopt. U zegt dat het klopt dat er wordt gewerkt aan een oplossing. In het antwoord op mijn vraag wilde de minister niet toezeggen dat de overheid zich vanaf morgen gewoon volledig en voor honderd procent aan de wet houdt. Dat is voor mijn fractie onacceptabel. De minister wilde de Autoriteit Persoonsgegevens zelfs niet om een advies vragen, bijvoorbeeld ten aanzien van de oplossing die we willen. Dat leidt ertoe dat ik nu een motie wil indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat biometrische gegevens die oorspronkelijk zijn verzameld voor migratiedoeleinden via het systeem CATCH Vreemdelingen worden ingezet ten behoeve van opsporing en vervolging van strafbare feiten;
constaterende dat met deze toepassing derhalve wordt gehandeld buiten de grondslag die de wet biedt en daarmee in strijd met de wet;
verzoekt de regering de verwerking van biometrische gegevens uit de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) in CATCH Vreemdelingen buiten de wettelijke grondslag met onmiddellijke ingang te staken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Karimi, Veldhoen en Recourt.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter C (36859).
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik zou u willen verzoeken om deze motie eerst in stemming te brengen, voordat het wetsvoorstel in stemming wordt gebracht.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik heb een verduidelijkende vraag bij deze motie. Wat wordt er met "verwerking" bedoeld? Gaat het om enkelvoudige verwerking of systematische verwerking? Hoe moet ik dit duiden.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik bedoel in de huidige praktijk. Dank voor die vraag, want u geeft mij ook de mogelijkheid om dat duidelijk te maken. Het gaat om de huidige praktijk. De minister heeft in een interruptiedebat met mij het antwoord gegeven dat deze huidige praktijk op dit moment wordt voortgezet. Nu wordt de praktijk gewoon gehandhaafd. De hele basisregistratie van de vreemdelingen, allemaal, wordt namelijk gekopieerd en ter beschikking gesteld van CATCH Vreemdelingen, en dat moet onmiddellijk stoppen.
De heer Van Hattem (PVV):
Nou heb ik wel in de stukken gelezen dat er juridisch gezien toch mogelijkheden zijn voor zo'n doeldoorbreking. Als nu blijkt dat de wettelijke grondslag toch in voldoende mate aanwezig is, wat ik de minister volgens mij in zijn eerste termijn ook al heb horen zeggen, wat wil mevrouw Karimi met deze motie dan nog concreet bewerkstelligen? Wil ze bewerkstellingen dat er helemaal geen gegevens van vreemdelingen meer kunnen worden verwerkt, waardoor de hele vreemdelingenketen eigenlijk, zeg maar, in de soep loopt? Wat is dan het uiteindelijke resultaat van deze procedure?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Die verkenning heeft volgens mij plaatsgevonden, want dat zei de minister. Die zei: het kabinet had in antwoord op het advies van de Raad van State in de brief geschreven dat het een verkenning ging doen. Inmiddels is de verkenning afgerond en heeft het kabinet vastgesteld dat het buiten die bevoegdheid treedt of — dat is volgens mij de formulering die de minister gebruikte — die bevoegdheid "te ruim heeft toegepast" en daarmee eigenlijk onrechtmatig handelt. "Te ruim toepassen" is dus de definitie van "onrechtmatig handelen". Wij zeggen: minister, u bent op zoek naar een oplossing en u zegt dat die oplossing eraan zit te komen, maar staakt u alstublieft deze praktijk zolang de oplossing er niet is.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Wat ik begrepen heb, is dat het alleen op sommige punten onvoldoende duidelijk is en dat dat reparabel is. Dan is mijn vraag aan mevrouw Karimi, die nu met een motie komt waarin ze zegt dat we moeten stoppen met het op die manier verwerken van gegevens: wat wordt uiteindelijk het resultaat als de minister geacht wordt daarmee te stoppen? Moeten er dan geen gegevens meer worden verwerkt, met alle risico's van dien? We hebben het hier namelijk onder andere over het opsporen van strafbare feiten, terrorisme en andere ernstige zaken die de Nederlandse samenleving kunnen schaden en de vreemdelingenketen eigenlijk op zijn kop gaan zetten. Is de inzet van die motie dat dan waard ten opzichte van hetgeen waarvan de minister zelf zegt dat het reparabel is?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De minister krijgt, als bijvoorbeeld een persoon van een strafbaar feit wordt verdacht, volgens wettelijke bepalingen het verzoek om een onderzoek te doen. Daar wil de minister dan in de basisadministratie van vreemdelingen naar zoeken. Dan wordt het gewoon allemaal handmatig gedaan. Je gaat dus niet een bulk van gegevens kopiëren en aan de politie geven. Je gaat dus niet van die honderdduizenden mensen die eigenlijk geen enkel strafbaar feit hebben gepleegd en niets in hun dossier hebben staan, de gegevens allemaal aan de politie doorgeven. Nee, de zaak wordt dan voor onderzoek overgegeven. Dat geldt dan voor de periode waarin er geen oplossing is. Er wordt dus niets op zijn kop gezet, meneer Van Hattem.
De heer Lievense i (BBB):
Even over dat laatste, over dat technische punt. Ik vroeg aan het begin al naar de rechterlijke machtigingen, want het is een zeer zware procedure om in het systeem te mogen zoeken. We spreken iedere keer over "een bulk". Het lijkt nu net alsof we doen voorkomen dat die bulkgegevens een voor een zomaar door iemand bekeken worden. Dat is natuurlijk niet zo, want zoals mevrouw Karimi terecht zei, wordt er wel een bulk ter beschikking gesteld, maar die bulk wordt door een geautoriseerd persoon met een rechterlijke machtiging automatisch doorzocht. Er wordt gelogd wat er bekeken wordt. Als er onrechtmatig in gekeken wordt, gelden er allerlei sancties, want dat is onrechtmatig handelen. Ik probeer mee te zoeken met mevrouw Karimi: maken we het nu niet nodeloos ingewikkeld? Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat er een verkenning moet plaatsvinden en dat dit opgelost moet worden, maar maken we het nu niet nodeloos ingewikkeld voor die paar maanden? Ik hoorde immers ook een toezegging — nou, het was nog niet echt een exacte toezegging — dat er voor de zomer een nieuw voorstel ligt. Kunnen we het nu niet gewoon even houden bij deze zware maatregelen? Ik begrijp uw betoog, maar maken we het niet ingewikkeld?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nou, laten we het omdraaien. Als een burger op het gebied van belastingen of op een ander gebied een wet te ruim toepast en er dan achter komt dat dat onrechtmatig is, zegt de overheid: dat moet terug. U weet door de hele toeslagenaffaire toch hoe de overheid met burgers omgaat als zij bijvoorbeeld één kleine fout hebben gemaakt? Nu heeft dezelfde overheid zelf vastgesteld dat zij eigenlijk onrechtmatig aan het handelen is, maar zij gaat daarmee door totdat ze een oplossing heeft gevonden. Dat doen we in een rechtsstaat niet. Dat is eigenlijk de verantwoordelijkheid van deze Kamer. Ik dacht dat we van de toeslagenaffaire de les hadden geleerd dat we er bij dit soort wetsvoorstellen op letten dat dat niet gebeurt.
De heer Lievense (BBB):
Ik wil geen vergelijking maken. Ik snap wat mevrouw Karimi bedoelt, maar we hebben het hier over een zoektocht met biometrische gegevens in een geautomatiseerd systeem. Dat systeem wordt pas doorzocht bij zware misdrijven. We hebben het niet over overtredingen. We hebben het niet over door rood rijden. Als iemand iets verkeerd doet bij de Belastingdienst, is die persoon al bekend bij de Belastingdienst. Dan hoeft dit systeem niet doorzocht te worden. Ik ga weer luisteren — ik luister heel de avond en middag al naar u — maar ik denk dat dit voorstel zoals het er nu ligt voor onze fractie te ver gaat.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Ik sluit aan op de vragen van collega Lievense. Bij de stemmingen over de wet vanavond is de vraag: hoe zwaar wegen we de gevolgen van het afstemmen? Bij de motie — als ik u goed beluister, maar ik moet 'm nog lezen — is dezelfde vraag aan de orde: wat zijn de consequenties als de motie wordt aanvaard? Ik heb het gevoel dat we bij het stemmen over de motie ook de vraag moeten stellen: wat zijn de consequenties als de motie wordt aanvaard? De minister moet er straks nog op reageren en ik zal de vraag ook zelf stellen. Mijn vraag is dan: valt het dan vanaf 1 maart voor die maanden stil? Realiseert u zich wat u met deze motie — nog los van de stemming, want die komt daarna — al wil bereiken? Eigenlijk zegt u: de motie loopt vooruit op de stemming. Maar waarom wachten we dan niet op de stemmingen en waarom dient u een motie in?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat is een hele goede vraag. Wat is de consequentie hiervan? Zoals ik al in antwoord op de vraag van de heer Van Hattem heb gezegd, is de consequentie dat de politie of opsporingsdiensten geen toegang krijgen tot de bulk van biometrische gegevens van honderdduizend mensen. Zij kunnen wel gericht een verzoek doen. Dat moet dan handmatig. Ze krijgen geen toegang tot biometrische gegevens. Er kan dan gezocht worden en er kan een antwoord op gegeven worden. Kost het meer tijd? Ja, het kost meer tijd, maar de rechtsstaat kost misschien meer tijd.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik zal dan straks aan de minister de vraag stellen wat hij vindt van die motie van u. Mij is dat niet duidelijk. Volgens mij zijn de consequenties van die motie, mocht hij worden aangenomen, bijna dezelfde als dat de wet wordt verworpen. Dat willen we niet. Mocht dat niet zo zijn, dan moet u dat straks nog maar even met de minister wisselen. Ik kom ook nog aan de beurt. Mij is de strekking van de motie niet duidelijk. Ik heb het gevoel dat-ie heel dicht zit bij het afstemmen van het wetsvoorstel. En dan doen we het twee keer.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee, nee, nee, voorzitter. Dat is echt onjuist. Het spijt me heel erg, meneer Van Rooijen. Dat is echt onjuist. Het wetsvoorstel gaat over het verzamelen en bewaren van gegevens voor identiteitsvaststelling en het voorkomen van identiteitsfraude in de vreemdelingenketen. Dat is echt een heel ander verhaal. Het doel van het wetsvoorstel is namelijk biometrische gegevens verzamelen. Tegelijkertijd heeft in de afgelopen jaren een soort doelvervreemding — als ik het zo mag zeggen — plaatsgevonden. De gegevens zijn namelijk massaal gebruikt voor strafvervolging. Dat kan plaatsvinden als er een rechterlijke uitspraak ligt of als er een bevoegdheid is. Dat is prima. Maar de praktijk van nu is dat de politie en de opsporingsdiensten gekopieerd toegang hebben tot de totale gegevens. Daar wil de minister een oplossing voor vinden omdat het onrechtmatig is. Daar heeft de Raad van State ook een punt van gemaakt. Wat het advies van de Raad van State is, is voor u ook altijd een belangrijk punt. De Raad van State zegt: zolang de rechtmatigheid niet gegarandeerd is, stopt u er maar mee. Mijn fractie zegt eigenlijk hier wat de Raad van State heeft geadviseerd: zolang het probleem niet opgelost is, stopt u met deze werkwijze.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Rooijen.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik zal de minister straks ook duidelijk om een antwoord vragen op deze motie.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Prima.
De heer Schalk i (SGP):
Ik hoor mevrouw Karimi via haar motie vooral reflecteren op het gedeelte waarvan de minister denk ik klip-en-klaar heeft aangegeven dat bepaalde toepassingen te breed of te ruim zijn gebruikt.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Exact.
De heer Schalk (SGP):
Maar ik heb haar niet horen reflecteren op iets wat ik de minister daarbij een paar keer heb horen zeggen, namelijk dat geaccepteerd wordt dat de nationale veiligheid boven het overtreden van die wet gaat. Zou mevrouw Karimi daar ook op kunnen reflecteren?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Absoluut. Dank u wel voor deze vraag. Ik ben een beetje verbaasd over deze vraag, moet ik zeggen. Wat zou het dan betekenen als wij zouden zeggen dat de nationale veiligheid altijd boven rechtmatigheid gaat, boven rechtmatig handelen? Dat is geen echte steekhoudende argumentatie. Dat zou geen steekhoudende argumentatie moeten zijn voor deze Kamer. Het is ook bij de rechter niet steekhoudend om te zeggen dat het ging om de nationale veiligheid en dat we daarom de rechten niet hebben gerespecteerd.
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dan dat we dat ongetwijfeld nog zullen horen van de minister, maar mevrouw Karimi weet ongetwijfeld net als ik dat op het moment dat je een beroep doet op de nationale veiligheid, je dan meteen ook praat over subsidiariteit en proportionaliteit.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Exact.
De heer Schalk (SGP):
U hoeft niet verbaasd te zijn over mijn vraag. Ik sta hier niet om te zeggen: joh, het is toch de nationale veiligheid, laat maar gaan. Maar als de minister aangeeft dat de nationale veiligheid aan de orde is, dan zou een reflectieve vraag kunnen zijn: klopt dat ook ten aanzien van subsidiariteit en proportionaliteit? Dan zou uw motie dus eigenlijk desastreus kunnen zijn.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De cirkel is rond, want ik begon mijn betoog in de eerste termijn met de melding dat juist proportionaliteit en juist rechtmatigheid dingen zijn die niet beantwoord zijn in dit hele wetsvoorstel, laat staan in deze koppeling met CATCH Vreemdelingen, waarbij sowieso gewoon echt een uitgebreidere toepassing heeft plaatsgevonden dan eigenlijk toegestaan was. Dus ook het doen van een beroep op de nationale veiligheid kan geen argument zijn om deze praktijk structureel voort te zetten. In individuele gevallen zou het kunnen, maar niet structureel, zoals eigenlijk de minister nu van plan is om daarmee door te gaan.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Schalk.
De heer Schalk (SGP):
Ik denk dat de minister daar misschien nog wel op gaat reageren, maar laat ik het dan zo zeggen: mevrouw Karimi begon haar betoog in de eerste termijn inderdaad met subsidiariteit, maar dat ging toen niet over dit aspect. Ik geef juist aan dat bij het uitvoerige interruptiedebatje dat hier in de Kamer gevoerd is door verschillende leden rondom dit thema de minister continu heeft gezegd: we weten dat het buiten de orde is. Het zou in eerste instantie aan het einde van dit jaar opgelost worden, maar dat wordt nu al in Q2 gedaan. Misschien gaat hij nog verder versnellen. Laten we het hopen. Maar vervolgens heeft hij nadrukkelijk juist aan dit onderdeel de nationale veiligheid gekoppeld. Dat zal ook voor mijn fractie een belangrijke grond zijn voor hoe we naar een motie van deze strekking gaan kijken.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De minister zal zeker antwoord geven hierop, maar door een beroep te doen op de nationale veiligheid kan je niet doorgaan met onrechtmatig handelen. Ook als overheid kan je dat niet doen.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik heb nog een ander punt. Ik heb de fractie van GroenLinks-PvdA vaak in dit huis horen pleiten voor het belang van uitvoeringstoetsen en voor het belang van de reactie van uitvoeringsorganisaties. Ik zie mevrouw Karimi knikken. Daar is ze het mee eens. Toch hoorde ik haar in de eerste termijn een beetje laatdunkend spreken over de brief die door de directeur van de IND aan onze Kamer is gestuurd hierover. Hoe verhoudt die reactie, waaruit toch enige argwaan sprak — klopt dat wel, die brief? — zich tot de gevraagde reacties van uitvoeringsorganisaties en de uitvoeringstoetsen die GroenLinks-PvdA zegt na te streven?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
De heer Van Hattem heeft gelijk. Wij vinden uitvoeringsorganisaties en uitvoeringstoetsen heel belangrijk. Maar misschien heeft hij niet al te nauwlettend geluisterd. Mijn punt ging over de brief van de minister waarin staat dat eigenlijk alle informatie moet worden vernietigd. Ik heb helemaal niet gerefereerd aan de brief van de IND, want de brief van de IND is juist genuanceerder. Daarin wordt juist een onderscheid gemaakt tussen gegevens die geregistreerd zijn of kunnen zijn op basis van Europees recht en gegevens die geregistreerd zijn op basis van nationaal recht. Zij zeggen daarover dat het moeilijk voor hen is om die dingen uit elkaar te houden. De minister heeft dat tijdens het debat ook gezegd.
De heer Van Hattem (PVV):
Goed dat mevrouw Karimi dat nuanceert ten aanzien van de IND. Maar in de memorie van toelichting staat nadrukkelijk dat de partijen in de vreemdelingenketen unaniem het belang van deze wet onderschrijven en dat het gebruik van de daarin geregistreerde biometrische gegevens een integraal onderdeel is van alle processen. Het gaat dus ook om de gezichtsherkenning en al die punten waar mevrouw Karimi vandaag namens GroenLinks-PvdA tegen ageert. De partijen in de vreemdelingenketen, de uitvoeringsorganisaties, zeggen dit nadrukkelijk. Hoe kijkt mevrouw Karimi dan aan tegen het belang van de uitspraken van de uitvoeringsorganisaties die er wel om vragen?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat is ook exact de reden geweest waarom wij vijf jaar geleden voor de verlenging gestemd hebben. Toen zijn er een aantal toezeggingen gedaan aan ons, bijvoorbeeld dat er een nationaal register zou komen, dat er een impact assessment zou komen en dat de Autoriteit Persoonsgegevens zou adviseren. Dat is allemaal niet gebeurd. Nu is er een evaluatie geweest, waarin inderdaad staat dat alle ketenpartners vinden dat het nuttig en zinvol is; dat snap ik. Ik begrijp ook wat de minister zegt, namelijk dat de IND al die kernprocessen zo georganiseerd heeft; tot uw dienst. Onze taak hier is echter om te kijken wat de consequenties zijn en of het rechtmatig is. Wordt het principe gevolgd dat het recht op privacy en de mensenrechten beschermd moeten worden? Dat is eigenlijk het verhaal dat ik vandaag probeer te houden, namelijk: ja, dit is een hele makkelijke manier om dingen te doen, maar hoe zit het eigenlijk met andere principes in onze rechtsstaat, onze geliefde rechtsstaat? Ik sta hier namens mijn fractie om te knokken voor de rechtsstaat.
De heer Van Hattem (PVV):
Mevrouw Karimi vertelt het allemaal vol overtuiging, maar tegelijkertijd heeft de minister nadrukkelijk toegezegd met een nieuw wetsvoorstel te komen. Nu wordt hier eigenlijk een vrij ingrijpende en verstrekkende motie neergelegd. Die kan grote consequenties hebben als die hier wordt aanvaard. Er is echter juist een aanbod gedaan: dit soort zwaarwegende kwesties en alle mogelijke zaken kunnen besproken en gerepareerd worden bij het wetsvoorstel dat we binnen afzienbare tijd tegemoet mogen zien. Daarbij maakt mevrouw Karimi van sommige dingen misschien heel terecht een punt. Waarom komt zij dus nu met deze motie, terwijl de mogelijkheid gewoon geboden wordt om daar in alle zorgvuldigheid bij stil te staan? Hiermee wordt nu ingegrepen in bepaalde zaken, waardoor de uitvoeringsorganisaties in de problemen kunnen komen, waarvan mevrouw Karimi, of in ieder geval de GroenLinks-PvdA-fractie, zegt die hoog te achten.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Ik probeer het nog een keer toe te lichten. Dit gaat niet over de kern van de wetsvoorstellen, namelijk het verzamelen en bewaren van biometrische gegevens ten behoeve van identiteitsvaststelling en ter voorkoming van identiteitsfraude. Dat is eigenlijk het doel van het wetsvoorstel. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat die gegevens op een onrechtmatige manier gebruikt zijn in de afgelopen jaren. Daar wordt nu een oplossing voor gezocht. Tot dan zeggen we: stop daarmee.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik heb de motie nu voor me. Ik had hem al goed begrepen, denk ik. Het verzoek dat u doet in de motie is om "de verwerking van biometrische gegevens uit de Basis Voorziening Vreemdelingen (VBA) in CATCH Vreemdelingen buiten de wettelijke grondslag met onmiddellijke ingang te staken". "Met onmiddellijke ingang." Realiseert u zich wat de gevolgen zouden zijn van de motie? Die dient u niet in om 'm te laten verwerpen; die dient u in in de hoop dat wij 'm steunen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Jazeker.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Realiseert u zich wat u aan ons vraagt door deze motie in te dienen en in stemming te brengen nog voordat het wetsontwerp in stemming komt? Dit is … Ik moet geen adjectieven gebruiken, maar mijn fractie zal die motie niet steunen, de wet overigens wel. Ik vraag me af of u de verstrekkende portee van de motie wel goed doorheeft.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Jazeker, dat hebben we.
De heer Janssen i (SP):
Ik hoor collega's verzuchten: zullen we doorgaan? Ik heb het nu aangehoord, maar ik hoor de hele tijd dat er toch vrij selectief naar een deel van de motie gevraagd wordt. Ik denk dat ik het goed begrijp en ik vraag mevrouw Karimi even om daar een bevestiging van te geven. Volgens mij zegt zij: "Het wordt nu te breed toegepast, waardoor het onrechtmatig is. Versmal dat tot wat rechtmatig is." Meer dan dat vraagt zij niet. Ik hoor de hele tijd maar "staken, staken, staken". Er staat, zeg ik ook in de richting van de heer Van Rooijen: "Staak wat nu te breed is en waardoor het onrechtmatig is. Versmal het tot wat rechtmatig is." Is dat hetgeen wat mevrouw Karimi met deze motie beoogt?
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Exact! Dank u wel, meneer Janssen.
De voorzitter:
Meneer Van Rooijen nog, voor een laatste toelichting.
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik denk dat de minister het verlossende woord moet spreken; dat is ook zijn verantwoordelijkheid. Als we de motie op allerlei verschillende manieren gaan lezen, dan kunnen we er eigenlijk niet eens goed over stemmen.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Nee, het staat hier gewoon. De minister heeft zelf gezegd: het is te breed. Wat niet te breed is, blijft doorgaan. Daarom heb ik ook gezegd: "Je kunt het handmatig doen. Dat blijft doorgaan. Dat gaat niet veranderen." Dat heb ik allemaal al gezegd. U wilt gewoon niet horen wat ik zeg, meneer Van Rooijen.
De voorzitter:
Meneer Van Rooijen, we kunnen ook wachten op het antwoord …
De heer Van Rooijen (50PLUS):
Ik wil u wel helpen als u het clausuleert en als u het beperkt. Maar dat staat er niet.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dat staat er wel; dat staat er wel.
De voorzitter:
Ik stel voor dat mevrouw Karimi haar betoog afmaakt en dat we straks met veel interesse luisteren naar de appreciatie van de minister. Mevrouw Karimi.
Mevrouw Karimi (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Hattem van de PVV.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording in eerste termijn.
Ik denk dat het belangrijk is dat we hier zaken heel scherp definiëren, en dat er straks niet allerlei zaken per motie verboden gaan worden. Daar zouden we in in Nederland heel veel last van krijgen. Via de vluchtelingenstroom, de vreemdelingenketen en migratie kunnen personen het land binnenkomen waar wij de grootst mogelijke problemen mee krijgen. Ook komt de hele vreemdelingenketen in de problemen. Daardoor wordt het systeem onwerkbaar, met alle gevolgen van dien. Richting de indieners van de motie zou ik dus zeggen: denk daar heel goed over na.
Ik heb in de eerste termijn een vraag gesteld over de verificatie. Naar mijn idee heeft de minister daar geen duidelijk antwoord op gegeven. Ik heb toen aangegeven dat uit de evaluatie blijkt dat in de praktijk de verificatie aan de hand van biometrische gegevens in sommige gevallen wordt overgeslagen, of alleen plaatsvindt aan de hand van documenten. Mijn vraag is: wat gaat de minister doen om te voorkomen dat die verificatie wordt overgeslagen, zodat alle gegevens die we trachten te bewaren daadwerkelijk gebruikt worden voor hetgeen waarvoor ze bewaard worden?
Dan wil ik, om de ernst nog maar even te benadrukken, terugkomen op het punt dat ik in de eerste termijn aanhaalde. De 20.000 IS-terroristen — dat cijfer verzin ik niet zelf, want dat stond de afgelopen week onder andere in The Wall Street Journal — die uit het kamp Al-Hol in Syrië zijn vrijgelaten, zijn mogelijk al op weg hiernaartoe, of we lopen in ieder geval groot risico dat ze hiernaartoe komen. Kan de minister iets van een schets geven van welke maatregelen, onder andere bijvoorbeeld de CATCH-maatregelen in deze wet, hij neemt om te voorkomen dat dit gaat gebeuren? Het hoeft van mij geen … Ik wil niet geheel buiten de kaders van deze wet treden, maar ik wil toch even de urgentie en de actualiteit hiervan benadrukken, omdat Nederland een groot risico loopt als 20.000 IS-terroristen richting de Europese Unie kunnen komen, ze hier vrij spel hebben en ze onze veiligheid, leefbaarheid en territoriale integriteit te grabbel gaan gooien. Kortom, alleen al daarvoor is dit wetsvoorstel hoogstnoodzakelijk. De PVV-fractie zal in ieder geval voor dit wetsvoorstel stemmen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Huizinga-Heringa van de ChristenUnie.
Mevrouw Huizinga-Heringa i (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Wij zijn blij met de toezegging van de minister om nog voor het zomerreces te komen met een nieuw wetsvoorstel met een horizonbepaling, waarin hij ook rekening zal houden met de zorgen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens.
Sinds december is bekend dat er in sommige gevallen sprake is van onrechtmatigheid bij de verwerking van persoonsgegevens in de CATCH-database. Het zou tot december dit jaar duren voordat daar een oplossing voor gevonden was. Wat mijn fractie betreft, is het goed nieuws dat de minister zegt dat dit al in Q2 opgelost zou kunnen worden.
Mijn fractie wacht de appreciatie van de minister af voordat wij een oordeel geven over de motie van mevrouw Karimi die gaat over nu tot aan het moment in Q2.
Voorzitter. Alles bij elkaar vinden wij dit een buitengewoon onverkwikkelijke zaak. Hoe deze procedure gelopen is, is onverkwikkelijk. Het is niet voor herhaling vatbaar. Dat kun je vaker zeggen, maar het zou echt anders moeten. Maar met de toezeggingen van de minister en in ogenschouw nemend welke gevolgen het niet doorgaan van de wet zou hebben, zal ik mijn fractie inderdaad, zoals D66 zei, contrecoeur voorstellen om voor deze wet te stemmen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.
Mevrouw Van Toorenburg i (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ik zeg u eerlijk: dat CATCH-verhaal begon bij mij ook wel een beetje te knagen. We hadden net een gezellig samenzijn met onze politieagenten, die ook vandaag weer belangstellend op onze publieke tribune zitten. Dat heeft mij gebracht tot een verdiepende analyse van de vraag wanneer we het eigenlijk mogen gebruiken. Er ontstaat nu het beeld hier in de Kamer dat de politie, als zij zo meteen is uitgeluisterd, lekker op het telefoontje in CATCH gaat zitten zwabberen. Een rechter-commissaris geeft toestemming om bepaalde zaken te doorzoeken. Ik zeg als jurist eerlijk dat we het te groot maken als we zeggen dat we iets onrechtmatigs doen. Nee, er zijn twijfels over of het altijd proportioneel is. Dat is echt iets anders.
Ik zou echt willen dat wij in deze chambre de réflexion goed nadenken over wat we zelf zeggen. We hebben de kritiek gehoord over of het altijd wel proportioneel is. We hebben een rechtsstaat, waarin een rechter oordeelt of die zoektocht mag worden gedaan indien de politie het noodzakelijk vindt om een niet-geïdentificeerd slachtoffer te kunnen identificeren of om bij een ernstig delict een dader te kunnen opsporen. Godzijdank leven we in een rechtsstaat, waarin we rechters hebben die dat analyseren. We zijn echt niet gekke Henkie. Het is heel fijn dat de minister zegt "er kan een tandje bij ten aanzien van de rechtswaarborgen", maar mijn fractie gaat geen motie steunen die ervoor zorgt dat onze politie haar werk niet meer kan doen, want deze rechtsstaat is er ook voor onze slachtoffers.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen van 50PLUS.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Ik dank de minister voor het antwoord. Naar aanleiding van de eerdere discussie wil ik er nog wel op wijzen — ik sluit me aan bij mevrouw Van Toorenburg — dat we gelukkig in een rechtsstaat leven en dat we rechters hebben die recht spreken.
Ik heb nog de volgende vraag aan de minister. Gelet op de toezegging die de minister heeft gedaan voor Q2 — in gewoon Nederlands: het tweede kwartaal — vraag ik me af of hij bereid is om met een spoedwet te komen. Ik ga geen motie indienen, maar als hij kan toezeggen dat hij met de grootst mogelijke spoed aan de slag gaat met het wetsontwerp, waardoor we het kunnen oplossen daar waar het naar ons gevoel aan de randjes schuurt, dan zou mijn fractie dat erg verwelkomen.
Ten slotte, voorzitter. Is de minister bereid om nog iets te zeggen over de voortgang van de Terugkeerverordening, die nog bij het Europees Parlement ligt? Wij hebben daar ook schriftelijke vragen over gesteld bij de novelle.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik heb een interruptie in de richting van de heer Van Rooijen. Hij had het over een spoedwet, maar zoals we hier al vaker hebben gemerkt, kent ons systeem helemaal geen spoedwet. We hebben vandaag bij de behandeling van dit wetsvoorstel gezien dat het afhankelijk is van de constructieve samenwerking van leden van de Kamer of er sprake is van een snelle behandeling of niet. Wat verstaat de heer Van Rooijen onder een spoedwet?
De heer Van Rooijen (50PLUS):
De term bestaat helemaal niet, dus in die zin moet ik die niet herhalen. Ik zag de minister al knikken. Hij zal er zeker naar kijken. Ik bedoel: de wet met de grootste voortvarendheid indienen, zodat de Tweede en de Eerste Kamer deze discussie met voortvarendheid op koninklijke wijze kunnen afronden.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Lievense van BBB.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Ik zal gelijk over de motie beginnen. De fractie van BBB onderstreept overigens de woorden van collega Van Toorenburg van het CDA.
Dat gezegd hebbende moeten we wel met elkaar naar een oplossing zoeken. Mevrouw Karimi heeft namens GroenLinks-Partij van de Arbeid de kern van de zaak te pakken, waar we zo snel mogelijk mee aan de slag moeten. Die toezegging van de minister zou ik graag herhaald willen zien in de tweede termijn.
Ik hoorde de minister in de eerste termijn in antwoord op een vraag van mevrouw Karimi zeggen: er is geen advies van de AP nodig. Het is een kleine moeite om een advies op te vragen bij de AP over dit soort belangrijke zaken, dus ik hoop dat de minister daar straks in de tweede termijn nog op kan terugkomen.
De motie zelf gaat ons te ver. Ik heb dat net al aangegeven in een interruptiedebat. Mevrouw Karimi legt het uit. Als ik die uitleg hoor, dan draaien we het systeem eigenlijk om. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we van een bulkkopie naar on-demand matching gaan. Dat zal misschien uiteindelijk de uitkomst zijn in de nieuwe wetgeving. Daar wordt ook al over gesproken in de verkenning. Handmatig in het systeem zoeken gaat niet, want het zijn technische gegevens, maar ik begrijp wel dat mevrouw Karimi vraagt — dat is hoe ik het nu geïnterpreteerd heb — dat het een soort gekunstelde, handmatige on-demandvraag wordt, uiteraard wel op basis van een rechterlijke machtiging en noem maar op. Maar bij de waarborgen die er nu in zitten, ook die rechterlijke machtiging en de logging van het systeem, gaat het over de Wet politiegegevens. Daar zitten aparte audits op. De AP kijkt daar ook in mee. Nogmaals, het moet aangepast worden; daar staat de fractie van BBB achter. Wij willen de minister de tijd geven. Het was eerst december en het wordt nu voor het zomerreces. Dat is voor ons voldoende. Wij zullen het wetsvoorstel steunen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Anders dan de titel van dit wetsvoorstel doet vermoeden — het begint namelijk met "bestendiging" — is er toch gekozen voor uitbreiding in dit wetsvoorstel. Er is namelijk wel gekozen voor uitbreiding naar gezichtsherkenning. Er is wel gekozen voor een permanent karakter in plaats van horizonbepaling. Het woord "bestendiging" dekt wat mijn fractie betreft dus niet helemaal de lading. Als we zien wat er gewijzigd, toegevoegd en extra in gekomen is ten opzichte van de huidige praktijk, vinden wij dat hier toch een buitengewoon roekeloos proces gevolgd is. We vinden het echt onbegrijpelijk dat op deze wijze op een parlementaire blinde muur is afgereden, met de inhoudelijke opmerkingen die nog te maken zijn bij de wijzigingen.
Het probleem dat ik ook al in de eerste termijn heb aangekaart en waar mevrouw Karimi nu een motie over heeft ingediend namens GroenLinks-PvdA, blijft voor mijn fractie dat de Raad van State hier al begin oktober 2025 op gewezen heeft. Zij hebben over CATCH Vreemdelingen gezegd: kom met een goede wettelijke grondslag, leg dat uit, verklaar het — ik heb het allemaal voorgelezen en geciteerd — of stop ermee op deze manier. De minister zegt nu: we hebben dat gezien in de verkenning en er komt een oplossing. Maar voor mijn fractie is het buitengewoon ingewikkeld hoe hoog de drempel is om in te stemmen met het voortduren van het faciliteren van overheidshandelen dat in de beslisnota "onrechtmatig" wordt genoemd en waarvan de minister zelf heeft gezegd dat het op dit moment te breed is. Ik heb dat in de eerste termijn ook aangegeven. De oplossing zou voor mijn fractie de volgende zijn. Als het nu te breed is, maak het dan per direct smaller en zorg dat de onrechtmatigheid eruit verdwijnt. Als dat niet gebeurt, kunnen wij de rest wel steunen, in de zin van wat er gebruikt moet worden en wat er nodig is. Maar de drempel om in te stemmen met het voortduren van handelen dat op dit moment in strijd is met geldende wetgeving vinden wij te hoog. Ik hoop dus dat de minister in tweede termijn nog met een oplossing daarvoor komt.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.
Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):
Dank, voorzitter. Ten eerste dank aan de minister voor de beantwoording en de reflectie op het proces. Het was ook fijn om te horen dat hij de vraag heeft uitgezet om te kijken of er op zijn ministerie nog andere wetten ronddwarrelen met een horizonbepaling. Wellicht kan deze exercitie ook op andere ministeries worden gedaan.
De Partij voor de Dieren heeft in de hele geschiedenis van deze wet tegen het wetsvoorstel gestemd, omdat het te ver ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer. Nu dezelfde wet zonder horizonbepaling voorligt, ligt het niet voor de hand dat mijn fractie voor dit wetsvoorstel zal stemmen. Bovendien is de huidige toepassing — we hebben hier uitvoerig bij stilgestaan in het debat — van de bevoegdheid tot ergens in dit voorjaar in strijd met de AVG. Ik vraag dus nogmaals aan de minister of en hoe hij kan voorkomen dat de wet wordt overtreden in de uitvoering totdat deze problemen zijn opgelost. Ik heb hem dat in eerste termijn gevraagd en ik heb hem gevraagd om daar in tweede termijn op terug te komen. Dan zou de motie van mevrouw Karimi overbodig kunnen zijn, want die motie gaat in op dit hele specifieke onderdeel van de toepassing van de wet. Zo niet, dan zijn we als Eerste Kamer niet alleen procedureel voor het blok gezet, maar ook inhoudelijk, want dan vraagt het kabinet ons om in te stemmen met een wet die in de uitvoering voorlopig tot onrechtmatigheden leidt.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Koffeman van de Partij voor de Dieren.
De heer Koffeman i (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording van onze vragen. Ik realiseer me dat hij dat doet vanuit een voor hem onmogelijke positie.
Wetgeving die niet in overeenstemming is met de AVG en waarin uitermate gevoelige informatie wordt opgeslagen zonder waterdichte garanties die oneigenlijk gebruik uitsluiten, is voor mijn fractie niet in overeenstemming te brengen met onze taak om wetgeving te toetsen op kwaliteit, uitvoerbaarheid en verenigbaarheid met de beginselen van de rechtsstaat. De veronderstelling dat een rechter mogelijk coulant zal omgaan met de strijdigheid met de wet is onwerkbaar zonder dat er exact uitzicht is op het moment van reparatie. Wetgeving kan niet als uitgangspunt hebben dat als het niet gaat zoals het moet, het maar moet zoals het gaat.
Het minste dat van de minister verwacht kan worden, is een meer exacte reparatiedatum, anders dan "ergens in Q2". Zoiets verwacht je van een wasmachinereparateur, maar zeker van degenen die verantwoordelijk zijn voor de correcte toepassing van wetgeving. Mijn fractie nodigt de minister graag uit tot het doen van zo'n meer concrete toezegging. Q2 duurt lang, langer dan de toezegging van de minister op dit moment rechtvaardigt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Dessing van Forum voor Democratie.
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank. Dank ook voor de hele heldere antwoorden van de minister in de eerste termijn. Die bevestigen eigenlijk ons vermoeden, namelijk dat de horizonbepaling is gebaseerd op de veronderstelling dat deze methode te evalueren is. Maar deze minister gaf zelf toe dat er geen nulmeting is en dat er ook geen volledige evaluatie mogelijk is. Daarmee is die hele horizonbepaling dus een farce, totale onzin. Het amendement over de horizonbepaling was dus ook onzin. Het stond ook al in de memorie van toelichting. Biometrische gegevens werken, ook volgens de betrokken instanties zelf. Er is dus helemaal geen horizonbepaling nodig. Die horizonbepaling is ook helemaal niet nodig voor het doel dat de minister zelf aangaf in het interruptiedebat over de minimale identiteitsfraude. Dat betrof die 290 gevallen; de minister wil dat graag op nul hebben.
Kortom, onze conclusie is eigenlijk heel helder: wij zijn voor deze wet, en die moet zo snel mogelijk worden ingevoerd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Wenst een van de leden in tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in staat om direct te antwoorden, of heeft u een aantal minuten nodig? Steekt u een aantal vingers op voor het aantal minuten dat u nodig heeft. Tien? Oké. Dan schors ik tot 20.20 uur.
De vergadering wordt van 20.09 uur tot 20.23 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister van Asiel en Migratie.
De vergadering wordt van 20.34 uur tot 20.44 uur geschorst.
Stemming motie Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen
Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen),
te weten:
-
-de motie-Karimi c.s. over de verwerking van biometrische gegevens in CATCH Vreemdelingen (36859, letter C).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde zijn de stemmingen.
We stemmen allereerst over de motie 36859, letter C, de motie van het lid Karimi c.s. over de verwerking van de biometrische gegevens in CATCH Vreemdelingen. Wenst een van de leden een stemverklaring over de motie af te leggen? Dat is het geval. De heer Lievense.
De heer Lievense i (BBB):
Voorzitter. De bestaande procedure, regelingen, de rechterlijke machtiging, logging en het belang van het gebruik voor opsporing van zware misdrijven, zijn voor onze fractie van doorslaggevend belang om tegen de motie te stemmen en voor de wet. We zien de verbeterde wetgeving gaarne voor de zomer tegemoet.
De voorzitter:
Dank u wel.
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt de motie-Karimi c.s. (36859, letter C).
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP, de PvdD en Fractie-Visseren-Hamakers voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, FVD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, 50PLUS en Fractie-Beukering ertegen, zodat zij is verworpen.
Ik merk op dat de Fractie-Walenkamp en de fractie van OPNL afwezig zijn.
Stemming Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen
Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (Wet bestendiging bevoegdheden biometrische gegevens vreemdelingen) (36859).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
Dan stemmen we over het wetsvoorstel 36859, Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken. Wenst een van de leden een stemverklaring over het wetsvoorstel af te leggen? Dat is het geval. Mevrouw Van Bijsterveld van JA21.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Voorzitter. Procedureel verdient de behandeling van deze wet geen schoonheidsprijs — dan druk ik me heel mild uit — maar voor mijn fractie weegt het doel van dit wetsvoorstel zwaarder. Het veiligheidsbelang dat met deze wet wordt gediend, is groot. Daarbij komt dat met dit wetsvoorstel wordt voorkomen dat biometrische gegevens vernietigd zouden moeten worden. Wij stemmen dus voor dit wetsvoorstel.
Dank u wel.
De voorzitter:
We stemmen bij zitten en opstaan.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van Volt, de ChristenUnie, het CDA, de SGP, D66, FVD, de VVD, de PVV, JA21, BBB, Fractie-Van de Sanden, 50PLUS en Fractie-Beukering voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP, de PvdD en Fractie-Visseren-Hamakers ertegen, zodat het is aanvaard.
Ik merk op dat de Fractie-Walenkamp en de fractie van OPNL afwezig zijn.
Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de vergadering. Ik dank de leden, de minister, die het spits afbeet, en de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt. Ik dank ook de aanwezigen op de publieke tribune voor hun komst naar de Kamer. Ik sluit de vergadering.